Rechtbank Overijssel, 27-05-2015 / AWB 15/858


ECLI:NL:RBOVE:2015:2479

Inhoudsindicatie
De voorzieningenrechter oordeelt dat de gemeente Deventer handhavend mag optreden tegen geurhinder van een kebabzaak in Deventer. Het had op de weg van de eigenaar van de zaak gelegen om er voorafgaand aan de opening van de inrichting voor te zorgen dat hij aan de wettelijke normen wat betreft geurhinder kon voldoen. In dit stadium van het geding is het met name aan verzoeker als degene die het bedrijf leidt om aan te tonen dat aan de wettelijke normen wordt voldaan, bijvoorbeeld door het overleggen van een rapport met meetresultaten van een ter zake deskundig bureau.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-05-27
Publicatiedatum
2015-05-27
Zaaknummer
AWB 15/858
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle


Bestuursrecht


zaaknummer: AWB 15/858


uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen


[verzoeker] h.o.d.n. [bedrijf], te Olst, verzoeker,

gemachtigde: mr. I. Golpinar


en


het college van burgemeester en wethouders van Deventer, verweerder

gemachtigde: mr. A.M.M. Hutten-Bekemeier.



Procesverloop


Bij besluit van 5 maart 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder aan [verzoeker], als eigenaar van de horecagelegenheid [bedrijf], de last opgelegd om ervoor zorg te dragen dat vóór

30 april 2015 geurhinder afkomstig uit de inrichting aan de [bedrijf] te Deventer wordt voorkomen, dan wel wordt beperkt tot een aanvaardbaar niveau. Daarbij is aangegeven dat aan de last kan worden voldaan door de afgezogen dampen en gassen van het bereiden van voedingsmiddelen die naar de buitenlucht worden geëmitteerd ten minste twee meter boven de hoogste daklijn van de binnen 25 meter van de uitmonding gelegen bebouwing af te voeren of door deze door een doelmatige ontgeuringsinstallatie te leiden.


Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.


Voordat een zitting heeft plaatsgevonden, heeft verweerder bij besluit van 24 april 2015 de hiervoor genoemde begunstigingstermijn verlengd tot een week na de uitspraak van de voorzieningenrechter.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2015. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M.M. Hutten-Bekemeier en W. Draaijer.



Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.


2. In december 2010 heeft verzoeker een inrichting gevestigd aan de [bedrijf] te Deventer. In deze inrichting wordt vlees bereid op een houtskoolvuur.


De inrichting beschikt over een luchtafzuiginstallatie. Deze mondt via de buitenzijde van het pand uiteindelijk uit op het dak.

Naar aanleiding van een klacht over geuroverlast heeft de heer Draaijer, toezichthouder milieu van de gemeente Deventer, de inrichting bezocht en daarbij geconstateerd dat de afzuiginstallatie, dan wel de daarop aangesloten afvoerpijp (nog) niet aan de ter zake geldende regelgeving voldoet.


Bij brief van 4 juli 2014 heeft verweerder verzoeker verzocht om zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk twee maanden na verzending van die brief de overtreding te beëindigen.

Nadat bij een hercontrole op 5 september 2014 door de heren Zoutendijk (eveneens toezichthouder milieu bij de gemeente Deventer) en Draaijer is geconstateerd dat de gevraagde maatregelen nog niet waren gerealiseerd, is verzoeker bij brief van 12 september 2014 nogmaals verzocht om zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk twee maanden na verzending van die brief, de overtreding te beëindigen.


Bij besluit van 5 maart 2015 heeft verweerder, nadat verzoeker eerst zijn zienswijze tegen het voornemen om hem ter zake een last onder dwangsom op te leggen kenbaar heeft gemaakt, aan verzoeker de hiervoor onder Procesverloop weergegeven last opgelegd.


3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat gelet op de opgelegde dwangsom die verzoeker dreigt te verbeuren, indien niet wordt voldaan aan de opgelegde last, in voldoende mate sprake is van spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.


De voorzieningenrechter stelt voorop dat de inrichting een type B-inrichting is, die onder de werking valt van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit). Op de inrichting is het bepaalde in paragraaf 3.6.1 van het Activiteitenbesluit (“bereiden van voedingsmiddelen”) van toepassing.


Op grond van het bepaalde in artikel 3.132 van het Activiteitenbesluit wordt bij het bereiden van voedingsmiddelen ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.


Op grond van het bepaalde in artikel 3.103, eerste lid, van de Activiteitenregeling milieubeheer (hierna: Activiteitenregeling) worden, ten behoeve van het voorkomen, dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder als bedoeld in artikel 3.132 van het besluit, afgezogen dampen en gassen van het bereiden van voedingsmiddelen als bedoeld in artikel 3.130, onder b, c en d, van het besluit die naar de buitenlucht worden geëmitteerd:

a. ten minste twee meter boven de hoogste daklijn van de binnen 25 meter van de uitmonding gelegen bebouwing afgevoerd; of

b. geleid door een doelmatige ontgeuringsinstallatie.


Vast staat dat de afgezogen dampen en gassen ten tijde van het nemen van het bestreden besluit (en ook thans) niet ten minste twee meter boven de hoogste daklijn van de binnen 25 meter van de uitmonding gelegen bebouwing worden afgevoerd.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat er ten tijde van het bestreden besluit geen sprake was van een doelmatige ontgeuringsinstallatie, als bedoeld in de hiervoor genoemde bepaling. Partijen verschillen in feite niet van mening omtrent het gegeven dat de installatie in ieder geval op dat moment niet aan de wettelijke normen voldeed. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat verzoeker verweerder verschillende door hem aangevraagde offertes voor het plaatsen van een ontgeuringsinstallatie heeft toegezonden, doch dat ook uit de laatste op 1 maart 2015 uitgebrachte offerte, niet blijkt of en zo ja wanneer die installatie daadwerkelijk zal worden geplaatst. Ter zitting is ook van de zijde van eiser erkend dat eerst kort ná het nemen van het bestreden besluit een ontgeuringsinstallatie is geïnstalleerd.


Nu de inrichting ten tijde van het bestreden besluit niet voldeed aan het bepaalde in artikel 3.103, eerste lid, van de Activiteitenregeling is sprake van een overtreding van deze bepaling.


Op grond van het bepaalde in artikel 18.2 van de Wet milieubeheer is verweerder bevoegd om handhavend op te treden tegen deze overtreding.


Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.


De opgelegde last is gericht op het herstel van de overtreding en dient ter beperking van de door de inrichting veroorzaakte geurhinder.


Vast staat dat de overtreding als zodanig niet kan worden gelegaliseerd. De inrichting blijft immers gehouden om de wettelijke norm die is neergelegd in 3.132 van het Activiteitenbesluit, gelezen in samenhang met artikel 3.103, eerste lid, van de Activiteitenregeling, na te leven.


Voorts kan niet worden geoordeeld dat de opgelegde last onvoldoende duidelijk is. De opgelegde last verwijst naar de wettelijke norm van artikel 3.132 van het Activiteitenbesluit.


Evenmin kan worden geoordeeld dat verzoeker het niet in zijn macht had om tijdig de overtreding te beëindigen.


Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is handhavend optreden in dit geval niet onevenredig, gelet op de beginselplicht tot handhaving en gelet op de door omwonenden ervaren (ernstige) geuroverlast.


De hoogte van de opgelegde dwangsom, die verzoeker verbeurt indien niet aan de last wordt voldaan, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter evenmin onevenredig.





Evenmin kan worden gesteld dat de begunstigingstermijn te kort is, nu verzoeker reeds op

4 juli 2014 voor het eerst op zijn verplichting is gewezen en de begunstigingstermijn nadien ruimschoots is bijgesteld. Voor een nadere verlenging van de begunstigingstermijn behoefde naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen aanleiding te bestaan.


4. Verzoeker stelt dat hij inmiddels aantoonbaar de gevraagde maatregelen heeft getroffen. Op 8 maart 2015 is een ontgeuringsinstallatie aangelegd. Daarnaast is de afvoerpijp vernieuwd. Bij een eerste controle door de heer Draaijer is de indruk gewekt dat de nieuwe installatie afdoende was. Nadien heeft de toezichthouder, naar aanleiding van nieuwe klachten over geuroverlast en zijn eigen waarneming tijdens een fietsrondje op 10 april 2015, telefonisch aangegeven dat de installatie blijkbaar nog niet voldeed.

Verzoeker heeft daarna nog nadere aanpassingen aan het systeem laten verrichten om daarmee aan de eisen te voldoen. Doordat verweerder dat thans nog niet wil bevestigen stelt verzoeker in onzekerheid te verkeren.


De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker, toen hij de inrichting aan de [bedrijf] te Deventer vestigde, kon weten dat de inrichting moest voldoen aan de wettelijke normen ter beperking van geurhinder. Het had op de weg van verzoeker gelegen om er voorafgaand aan de opening van de inrichting voor te zorgen dat hij aan de wettelijke normen wat betreft geurhinder kon voldoen. Thans is er een situatie waarin verzoeker lange tijd wel heeft aangegeven bereid te zijn de gevraagde maatregelen te treffen, doch geen duidelijkheid heeft kunnen verschaffen omtrent de te treffen maatregelen en het tijdstip waarop dit zou gebeuren. Hoewel de voorzieningenrechter zich kan voorstellen dat verzoeker in onzekerheid verkeert, nu verweerder niet wil aangeven of de laatste aanpassingen afdoende zijn, is het in dit stadium van het geding met name aan verzoeker als degene die het bedrijf leidt om aan te tonen dat aan de wettelijke normen wordt voldaan, bijvoorbeeld door het overleggen van een rapport met meetresultaten van een ter zake deskundig bureau.


5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.


6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





Beslissing


De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.



Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J. van Lochem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.W. Hulsman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op










griffier voorzieningenrechter






Afschrift verzonden aan partijen op:


Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.