Rechtbank Overijssel, 20-01-2015 / 07.630284.04


ECLI:NL:RBOVE:2015:266

Inhoudsindicatie
De rechtbank Overijssel oordeelt dat de termijn van TBS met één jaar moet worden verlengd. De veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen onverkort eist dat maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege wordt verlengd. Evenals de raadsman is de rechtbank van oordeel dat toetsing van de maatregel over één jaar op zijn plaats is in het licht van de ontwikkelingen die betrokkene heeft doorgemaakt en het te verwachten verloop van het reeds ingezette resocialisatietraject. De rechtbank zal daarom de termijn van de terbeschikkingstelling verlengen met één jaar. Hierna kan bij een volgende verlengingszitting bezien worden in hoeverre de positieve lijn in de ingezette en nog verder uit te bouwen gang naar resocialisatie zich heeft voortgezet.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-01-20
Publicatiedatum
2015-01-20
Zaaknummer
07.630284.04
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Afdeling Strafrecht - Strafraadkamer


Parketnummer : 07.630284.04

Uitspraak : 20 januari 2015


Beslissing op de vordering van het openbaar ministerie tot verlenging van de termijn, gedurende welke:


[betrokkene],

geboren op [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats],

thans verblijvende in FPC De Rooyse Wissel te Venray,

hierna te noemen: betrokkene,


ter beschikking is gesteld teneinde van overheidswege te worden verpleegd.


Betrokkene is bij arrest van het gerechtshof te Arnhem d.d. 16 mei 2006 ter beschikking gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege, van welke terbeschikkingstelling de termijn is ingegaan op 12 januari 2007. Deze terbeschikkingstelling is laatstelijk verlengd bij beschikking van deze rechtbank d.d. 12 februari 2013 en eindigt behoudens nadere voorziening op 12 januari 2015.


Het openbaar ministerie heeft op 11 december 2014 een vordering ingediend tot verlenging van bovenvermelde termijn met twee jaren. Bij die vordering zijn de door de wet voorgeschreven stukken overgelegd.


Het onderzoek in raadkamer heeft plaatsgevonden op 6 januari 2015.

In raadkamer zijn in het openbaar gehoord:

- betrokkene, bijgestaan door zijn raadsman mr. J.A.W. Knoester, advocaat te

's Gravenhage;

  • - de officier van justitie mr. G.C. Pol;
  • - drs. D.J.A. Teirlinck, Hoofd Behandeling, verbonden aan FPC De Rooyse Wissel, als getuige-deskundige.

Op 12 november 2014 is door drs. D.J.A. Teirlinck, Hoofd Behandeling, prof. dr. H.F. Kraan, psychiater, en drs. R.M.H. Schmitz, Directeur Behandeling en Zorg, rapport en advies uitgebracht omtrent de eventuele verlenging van de termijn van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege. Geadviseerd is om deze maatregel voor de duur van twee jaren te verlengen.


De officier van justitie heeft in raadkamer gepersisteerd bij de vordering tot verlenging van de termijn van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege voor de duur van twee jaren.


Betrokkene en zijn raadsman hebben in raadkamer verklaard geen bezwaar te hebben tegen verlenging van de maatregel van terbeschikkingstelling, mits de verlengingstermijn wordt beperkt tot één jaar.


OVERWEGINGEN


De rechtbank dient op grond van het bepaalde in artikel 38d van het Wetboek

van Strafrecht te bepalen of de termijn van de maatregel van terbeschikkingstelling moet worden verlengd.


De maatregel van terbeschikkingstelling is toegepast ter zake van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, meermalen gepleegd, verkrachting, afpersing en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.


De vordering is op 11 december 2014 en derhalve tijdig ingediend.


De rechtbank sluit zich aan bij voormeld advies d.d. 12 november 2014. Dit advies houdt

- kort en zakelijk weergegeven - het volgende in:

Betrokkene is een 42-jarige man met een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken, middelenafhankelijkheid en een hoge mate van psychopathie, die sinds 2007 verblijft binnen de kliniek en sinds 2009 de beschikking heeft over een (on)begeleid verlofkader. Vanwege het meerdere malen overtreden van de verlofvoorwaarden is het verlof verschillende keren stilgelegd en weer opgepakt na aanscherping van de verlofvoorwaarden en het terugvalpreventieplan. De behandeling verloopt over het algemeen goed en betrokkene heeft een ontwikkeling doorgemaakt op de verschillende voor hem geldende risicofactoren, maar gezien de eerdere overschrijdingen van de voorwaarden wordt een zeer stapsgewijs en geleidelijk resocialisatietraject als noodzakelijk gezien. Vanwege het alcoholgebruik binnen het huidige onbegeleid verlofkader is er daarom een extra knip gezet in het resocialisatietraject in de vorm van transmuraal verlof gericht op de klinieksappartementen in plaats van direct een begeleide woonvorm in de omgeving van Rotterdam. Gezien de ontwikkelingen binnen de behandeling (o.a. vermindering van de antisociale cognities, betere aanspreekbaarheid op de onmiddellijke behoeftenbevrediging, het langer vasthouden van een relatie) en de stappen die betrokkene de afgelopen jaren heeft gezet door middel van het steeds uitbreiden van de verloven, wordt een volgende stap in het resocialisatietraject in de vorm van een transmuraal verlof als zeer passend gezien. Binnen dit kader is de noodzakelijke begeleiding en controle aanwezig die betrokkene zeker nog nodig heeft om uiteindelijk op een goede manier uit te kunnen stromen en kan er getoetst worden of betrokkene deze uitbreiding van vrijheden ook daadwerkelijk aankan.

Gebleken is dat betrokkene op verschillende vlakken vooruitgang heeft geboekt en beter met zijn stoornis kan omgaan, maar er is ook een terugval geweest met betrekking tot alcoholgebruik. Het recidiverisico op een (seksueel) agressief delict bij een beëindiging van de TBS wordt op korte en middellange termijn matig en op de lange termijn hoog geacht. De behandelaren zijn, zoals hiervoor verwoord, van mening dat het resocialisatietraject stapsgewijs en geleidelijk plaats zal moeten vinden en adviseren, gelet op de tijd die dat in beslag zal nemen, de TBS met dwangverpleging met 2 jaar te verlengen.


In raadkamer heeft de getuige-deskundige het adviesrapport nader toegelicht en aangevuld, zakelijk weergegeven:

Betrokkene verblijft inmiddels in de klinieksappartementen, gelegen direct naast de inrichting. Over ongeveer zes maanden zal worden geëvalueerd of dat goed is verlopen en als dat zo is kan transmuraal verlof worden aangevraagd. Dit zou betekenen dat betrokkene in het derde kwartaal van 2015 verder kan werken aan zijn resocialisatie bij Exodus in Rotterdam en onder toezicht van de kliniek. De contacten vanuit de kliniek met betrokkene zullen dan eerst wekelijks plaatsvinden en kunnen vervolgens naar bevind van zaken eventueel worden afgebouwd. Het is van belang dat betrokkene stapsgewijs leert omgaan met meer vrijheden en kan oefenen met het toepassen van aangeleerde vaardigheden. Het voorgestelde traject zal ruimschoots een jaar vergen. Daarom wordt geadviseerd de termijn van de terbeschikkingstelling met twee jaar te verlengen. Het risico op recidive in geval van beëindiging van de maatregel wordt op dit moment hoog geacht, omdat de copingvaardigheden van betrokkene nog onvoldoende zijn ontwikkeld en zijn impulsiviteit nog niet in de gewenste mate onder controle is. Wel zijn door betrokkene vorderingen gemaakt op deze gebieden, maar bij het wegvallen van het huidige beschermende kader is een terugval in oude gedragspatronen te verwachten.


De raadsman van betrokkene heeft, zakelijk weergegeven, bepleit de termijn van de maatregel met één jaar te verlengen, gelet op de vorderingen die betrokkene heeft gemaakt in zijn behandeling en het te verwachten verloop van het resocialisatietraject. Betrokkene zal in de loop van 2015 bij Exodus in Rotterdam verder behandeld worden in het kader van transmuraal verlof en zodoende zal hij de komende periode stapsgewijs meer vrijheden krijgen. Het ligt dan in de rede om na een jaar, wanneer betrokkene naar het zich laat aanzien enkele maanden in Rotterdam verblijft, door de rechtbank te laten toetsen of er mogelijkheden zijn voor voorwaardelijke beëindiging van de maatregel, aldus de raadsman. Betrokkene heeft hier aan toegevoegd zich te realiseren dat hij aan eventuele verlenging van de termijn met één jaar geen verwachtingen omtrent (voorwaardelijke) beëindiging kan ontlenen.


Gelet op het vorenstaande en op de in raadkamer door de getuige-deskundige Teirlinck gegeven toelichting is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen onverkort eist dat maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege wordt verlengd. Evenals de raadsman is de rechtbank van oordeel dat toetsing van de maatregel over één jaar op zijn plaats is in het licht van de ontwikkelingen die betrokkene heeft doorgemaakt en het te verwachten verloop van het reeds ingezette resocialisatietraject. De rechtbank zal daarom de termijn van de terbeschikkingstelling verlengen met één jaar, zodat na ommekomst van dit jaar bij een volgende verlengingszitting bezien kan worden in hoeverre de positieve lijn in de ingezette en nog verder uit te bouwen gang naar resocialisatie zich heeft voortgezet.


De rechtbank stelt ten slotte vast dat, hoewel de opleggingsrechter dit destijds niet uitdrukkelijk heeft overwogen, de terbeschikkingstelling is opgelegd terzake van misdrijven die zijn gericht tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen, zodat de totale duur van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege een periode van vier jaar te boven kan gaan.


De rechtbank heeft gelet op de artikelen 38d en 38e van het Wetboek van Strafrecht, alsmede de artikelen 509o, 509p, 509s en 509t van het Wetboek van Strafvordering.


BESLISSING


De rechtbank verlengt de termijn gedurende welke [betrokkene] voornoemd ter beschikking is gesteld, met bevel dat hij van overheidswege zal worden verpleegd, met één jaar.


Aldus gegeven door mr. H.J. Buijsman, voorzitter, mrs. F. van der Maden en S.M. Milani, rechters, in tegenwoordigheid van D.D. Drost als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 januari 2015.