Rechtbank Overijssel, 10-03-2015 / C/08/147658 / ES RK 13-2370


ECLI:NL:RBOVE:2015:2679

Inhoudsindicatie
De rechtbank deelt de geldvordering die de vrouw heeft op haar ex wegens onderbedeling en het afzien van partneralimentatie, toe aan de vrouw, met dien verstande dat de vrouw gedurende zes jaar jaarlijks een bedrag van € 15.000,= aan de man dient te voldoen, waarbij de eerste termijn vervalt op 1 juli 2015. De vrouw dient aldus wegens overbedeling aan de man in jaartermijnen te vergoeden een totaal bedrag van € 90.000,=, tenzij alsnog zou blijken dat de ex van de vrouw dit bedrag niet verschuldigd is respectievelijk een terugvordering in rechte heeft ten aanzien van reeds betaalde termijn
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-03-10
Publicatiedatum
2015-06-03
Zaaknummer
C/08/147658 / ES RK 13-2370
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familierecht en Jeugdrecht


Zittingsplaats [woonplaats]


zaaknummer: C/08/147658 / ES RK 13-2370


beschikking van de enkelvoudige familiekamer voor burgerlijke zaken d.d. 10 maart 2015


inzake


[verzoeker] [verzoeker],

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. L.E. Toet te Utrecht,

hierna als de man aangeduid,

verzoeker,


en


[belanghebbende] [belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. M.B. Beerentsen te Zwolle,

hierna als de vrouw aangeduid,

belanghebbende.


1Het procesverloop

De rechtbank heeft in haar beschikking van 3 oktober 2014 de verzoeken met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgemeenschap aangehouden in afwachting van aanvullende informatie van de man en de vrouw.


De rechtbank heeft na 3 oktober 2014 kennisgenomen van:

  • - de door de vrouw op 14 oktober 2014 overgelegde productie;
  • - de akte van de vrouw d.d. 14 oktober 2015;
  • - de aktes van de man d.d. 14, 20 en 28 oktober 2014;
  • - de antwoordakte van de vrouw d.d. 28 oktober 2014.

Er heeft geen hernieuwde behandeling ter zitting plaatsgevonden.


2Vaststaande feiten

De man en de vrouw zijn op 01 maart 2010 in de gemeente [woonplaats] met elkaar gehuwd.


Bij beschikking van 14 oktober 2013 is de echtscheiding uitgesproken na het daartoe strekkende verzoekschrift van 10 mei 2013 van de vrouw.


Deze beschikking is, voor zover de rechtbank kan nagaan, ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 7 mei 2014.




3Beoordeling


Verdeling ontbonden huwelijksgoederengemeenschap


3.1.

De echtelijke woning

De man en de vrouw zijn ter zitting d.d. 23 april 2014 overeengekomen dat bij toedeling van de voormalig echtelijke woning aan een van hen moet worden uitgegaan van een waarde van

€ 450.000,=. De man heeft nadien gesteld dat deze waarde geen recht doet aan de werkelijke waarde van de woning die zijns inziens € 900.000,= bedraagt. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van hetgeen de man en de vrouw ter zitting zijn overeengekomen over de waarde van de woning, mede in het licht van de huidige WOZ-waarde van de woning die naar de rechtbank begrijpt om en nabij € 450.000,= bedraagt.


3.2.

Partijen hebben over en weer verzocht om toedeling van voornoemde woning doch hierover geen overeenstemming bereikt. Nu toedeling en eventuele financiering van de woning onlosmakelijk verbonden zijn met de verdeling van de overige vermogensbestanddelen, zal de rechtbank de verzoeken van de man en de vrouw ten aanzien van de woning aanhouden. Partijen dienen zich omtrent toedeling van de woning aan hen nader uit te laten bij akte van 8 mei 2015 met inachtneming van hetgeen de rechtbank hieronder overweegt in het kader van de kunstcollectie en de verdeling van de banksaldi.


3.3.

Inboedel

Partijen zijn het er ter zitting van 23 april 2014 over eens geworden dat aan ieder van hen zonder nadere vergoeding wegens over- dan wel onderbedeling kunnen worden toegedeeld de inboedelzaken (met uitzondering van na te noemen kunstcollectie) waarover zij ieder feitelijk reeds beschikken.


3.4.

Auto en verkeersboetes

Toedeling van de auto is niet langer aan de orde, nu partijen inmiddels niet meer over de auto beschikken. Onweersproken staat vast dat na afwikkeling van de autofinanciering een bedrag van € 767,= in maart 2014 is gestort op een bankrekening van de vrouw. Dit bedrag dient tussen partijen bij helfte te worden verdeeld, lees: de vrouw dient € 383,50 aan de man te vergoeden, omdat de storting heeft plaatsgevonden na de door partijen gekozen peildatum 15 april 2013 qua verdeling van bankrekeningen.


3.5.

Ten aanzien van de verkeersovertredingen en de daaruit voortgevloeide boetes die met de auto sinds 15 april 2013 zijn begaan, overwoog de rechtbank in bovengenoemde beschikking er voorshands van uit te gaan dat de man deze heeft begaan en dat de boetes voor zijn rekening komen als gevolg van de partij-afspraak over het alleengebruik van de auto door de man. De man is in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren tegen dit rechterlijk vermoeden en te ontzenuwen dat niet hij, maar de vrouw of een ander de verkeersovertredingen heeft begaan.


3.6.

Bij akte van 14 oktober 2014 heeft de man verklaard geen bewijs te kunnen bijbrengen van zijn stelling dat de vrouw genoemde overtredingen heeft begaan en heeft hij verklaard de boetes voor zijn rekening te zullen nemen. De rechtbank zal daarom beslissen dat het totaal van de onderstaande boetes ad € 956,80 voor rekening van de man komt en door hem dient te worden voldaan:

  • - € 103,60, aanslagnummer [1a];
  • - € 103,60, aanslagnummer [1b];
  • - € 103,60, aanslagnummer [1c], en
  • - € 646,00, CJIB-nummer [1d].
3.7.

Kunstcollectie

De man en de vrouw verschillen van mening over de omvang en de waarde van de kunstcollectie. In de beschikking van 3 oktober 2014 is partijen verzocht zich uit te laten over de perso(o)n(en) van de te benoemen deskundige(n) en welke vragen aan de deskundige(n) moeten worden gesteld. Voorts is hen verzocht ieder een lijst in te dienen met de voorwerpen die onderdeel uitmaken van de kunstcollectie.


3.8.

De vrouw heeft bij akte van 14 oktober 2014 een door haar opgestelde lijst overgelegd met daarop een omschrijving van 75 schilderijen. Bij akte 28 oktober 2014 heeft zij een door de man opgestelde lijst overgelegd van 82 schilderijen. Daarnaast zijn er volgens de vrouw nog circa 500 kunstvoorwerpen. De vrouw handhaaft haar verzoek om de heer [M] voor de taxatie van de schilderijen te benoemen en de heer [W] voor de taxatie van de overige kunstvoorwerpen. Elk van de deskundigen zal volgens de vrouw per kunstwerk moeten aangeven wat de marktwaarde is van het desbetreffende voorwerp, omdat de taxatie van Christie’s d.d. 17 augustus 2008 ook volgens de man ondeugdelijk was, slechts 33 schilderijen betrof en de werken met een waarde van minder dan € 1.500,= door Christie’s niet zijn getaxeerd.


3.9.

De man stelt dat hij niet beschikt over een complete lijst zonder eerst de kunstcollectie opnieuw te kunnen bekijken waarvoor hem toegang moet worden verleend tot de echtelijke woning. Hij kan niet bevestigen dat de door de vrouw overgelegde lijst juist en volledig is, omdat er zijns inziens meubels ontbreken. Er dient geen nieuwe taxatie van de kunstcollectie plaats te vinden, maar er moet gebruik worden gemaakt van de taxatie in 2008 door Christie’s. De man maakt bezwaar tegen de door de vrouw genoemde deskundigen, omdat de heren [M] en [W] volgens hem bekenden zijn van de vrouw. Daarnaast beschikken beiden als lokale kunsthandelaren niet over voldoende kennis om de schilderijen te kunnen taxeren. Ingeval van een nieuwe taxatie dient een deskundige te worden benoemd die op internationaal niveau taxeert, bij voorkeur Christie’s of Sotheby’s. De taxateur dient daarbij de volgende vragen te beantwoorden:

  • - uit welke werken bestaat de kunstcollectie;
  • - kan de marktwaarde op 15 april 2013 van deze werken worden vastgesteld? Zo ja, wat was de marktwaarde op die datum? Zo nee, wat is de huidige marktwaarde? Wat zal bij benadering het verschil tussen deze waarden zijn? Hoe betrouwbaar is voornoemde benadering?
  • - is er verschil tussen de marktwaarde en de netto-opbrengst van de kunstcollectie, in verband met kosten foto’s, taxatie en veiling? Zo ja, hoeveel scheelt dit ongeveer?

3.10.

De rechtbank constateert dat de omvang en de waarde van de kunstcollectie tussen partijen nog immer ter discussie staan. Uitgaande van de peildatum van de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap is 10 mei 2013 de peildatum qua omvang en samenstelling van de kunstcollectie en dient volgens vaste rechtspraak de waarde van de collectie te worden vastgesteld per heden, nu partijen ieder voor de onverdeelde helft eigenaar zijn van de collectie. Partijen hebben geen uitvoering gegeven aan de afspraken in de vaststellingsovereenkomst van 15 april 2013 om de kunstcollectie buiten de voormalig echtelijke woning te doen opslaan.


3.11.

Wel is inmiddels een drietal lijsten in het geding gebracht, namelijk het taxatierapport van Christie’s van 17 augustus 2008, een door de vrouw overgelegde door de man in 2008 opgestelde lijst en een door de vrouw opgestelde lijst met schilderijen en overige objecten. De man en de vrouw zijn het er over eens dat Christie’s in 2008 niet de volledige kunstcollectie heeft getaxeerd, hetgeen ook blijkt uit het begeleidend schrijven van [P] namens Christie’s. De door de vrouw overgelegde door de man opgestelde lijst bevat 82 werken en haar eigen lijst bevat 75 schilderijen. Vergelijking van de lijsten leert dat een aantal werken op de destijds door de man opgestelde lijst niet is terug te vinden op de lijst van de vrouw en omgekeerd. Hoewel de man stelt dat op de lijst van de vrouw in ieder geval een aantal meubels ontbreekt, kan hij zonder de collectie te hebben gezien niet precies aangeven of de lijst van de vrouw juist en volledig is. Zo ontbreken drie tafels van Pander, het dressoir van Het Woonhuis en de bank van Cobus de Graaf.


3.12.

Zelfs als wordt uitgegaan van de meest recente door de vrouw opgestelde lijst liggen de waardebepalingen van de kunstcollectie van de man en de vrouw ver uiteen. De vrouw sluit voor wat betreft de totale waarde van de collectie aan bij het bedrag dat de man destijds zelf heeft berekend/genoemd, namelijk ruim € 629.000,=. De man stelt dat aansluiting moet worden gezocht bij het taxatierapport van Christie’s, waaruit blijkt dat de waarde van de kunstcollectie tussen € 116.500,= en € 171.500,= ligt. Duidelijk is dat de waardering op de door de man opgestelde lijst in een aantal gevallen afwijkt van de taxatie van Christie’s. Zo taxeert Christie’s het werk van Theo Bitter (nr. 4 op de lijst) op € 10.000,= tot € 15.000,=, maar staat op de lijst van de man een bedrag van € 42.000,=. Ook de waarde van de werken van onder andere Ferdinand Erfmann (nr. 13 op de lijst), Co Breman (nr. 15. op de lijst) en Anton Pieck (nr. 29 op de lijst) is door de man hoger ingeschat dan door Christie’s. De lijst van de vrouw bevat geen waardebepalingen.


3.13.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de waardebepaling van de kunstcollectie dat, los van het feit dat de man en de vrouw geen overeenstemming hebben bereikt over het benoemen van (een) deskundige(n), de door de man en de vrouw geschatte waarden van de voorwerpen van de collectie dusdanig verschillen dat niet te verwachten is dat een door de rechtbank benoemde deskundige en een deskundigenrapport soelaas biedt en tot een pragmatische geschilbeslechting zal leiden. Daargelaten de waarde vaststelling van de kunstvoorwerpen is immers onduidelijk welk van de honderden kunstvoorwerpen aan wie van partijen kan/moet worden toegedeeld. Bovendien is het de vraag welke praktische betekenis aan de taxatiewaarde van de uiteenlopende kunstvoorwerpen kan worden toegekend indien geen van partijen in staat is de waarde daarvan bij helfte aan de ander te vergoeden anders dan door het uitruilen van weer andere kunstvoorwerpen. In dit verband speelt ook een rol dat de vrouw expliciet opteert voor een verdeling met gesloten beurzen, ook vanwege de toedeling van de woning voornoemd.


3.14.

De rechtbank zal daarom bepalen dat de kunstcollectie door de man en de vrouw in onderling overleg bij helfte dient te worden verdeeld, zoals ook door partijen ter zitting 15 april 2013 in het kader van de voorlopige voorzieningen overeengekomen, waarbij de man en de vrouw om beurten kiezen uit achtereenvolgens de schilderijen, de glasobjecten en daarna de overige objecten, keramiek, beelden, sieraden, klokken, houtsnijwerk etc., steeds per afgebakende kunstcategorie, waarbij partijen vooraf inzage hebben gekregen / kopie hebben ontvangen van het originele aankoopbewijs, voor zover aanwezig.


3.15.

Tenzij partijen anders overeenkomen en alsnog besluiten de kunstcollectie (gedeeltelijk) gezamenlijk te verkopen, dient de verdeling van de collectie binnen twee maanden na dagtekening van deze beschikking plaats te vinden in de echtelijke woning, waarbij een of meer nader tussen partijen over een te komen derden aanwezig dienen te zijn en waarbij de keuzen verifieerbaar schriftelijk worden vastgelegd indien levering niet dadelijk plaatsvindt.


3.16.

Bankrekeningen / voorschot

Partijen zijn overeengekomen dat als door hen zelf gekozen peildatum voor de verdeling van de saldi op hun (en/of) bankrekeningen geldt 15 april 2013, op welke datum de vrouw gehouden was (en de vrouw blijkens haar productie S is nagekomen) bij wijze van voorschot op de verdeling een bedrag van € 25.000,= aan de man te betalen krachtens de vaststellingsovereenkomst van partijen ter zitting van die datum. De rechtbank volgt partijen in deze keuze, wat met zich brengt dat de rechtbank abstraheert van betalingshandelingen voor en na genoemde peildatum.


3.17.

Partijen hebben niet gesteld of eerdergenoemd voorschot door de vrouw aan de man betaald op 15 april 2013 is verdisconteerd in na te noemen saldi, waarbij de rechtbank het er voor houdt dat uit productie 13 van de man moet worden afgeleid dat de voorschotbetaling van € 25.000,= ten laste van na te noemen rekeningnummer [0000000] heeft plaatsgevonden.


3.18.

De man en de vrouw hebben op verzoek van de rechtbank beiden aanvullende gegevens over hun (en/of-) bankrekeningen in het geding gebracht, zij het zonder dat zij ultieme duidelijkheid hebben verstrekt over de bij helfte te verdelen saldi per peildatum 15 april 2013, omdat de vrouw diverse overboekingen heeft weggelakt (productie A3 en N), waarvoor zij als latere verklaring geeft dat deze hebben plaatsgevonden opdat beschikbare gelden ad € 50.000,= van de bouwhypotheek niet zouden kunnen worden opgenomen, en omdat ook de man niet alle terzake doende gegevens heeft verstrekt.


3.19.

De rechtbank constateert dat de man en de vrouw ten aanzien van onderstaande op naam van de vrouw staande bankrekeningen overeenstemming hebben over de saldi op 15 april 2013:

  • - de stand van de profijtrekening [0000000] is € 24.083,64;
  • - de stand van de betaalrekening [0000000] is € 1.139,19;

De saldi van bovengenoemde profijt- en betaalrekening, in totaal € 25.222,83 dienen bij helfte te worden verdeeld. De rechtbank zal de rekeningen met bijbehorende saldi toedelen aan de vrouw die wegens overbedeling aan de man dient te vergoeden € 12.611,42.


3.20.

Ten aanzien van de bankrekeningen waarover de man en de vrouw geen overeenstemming hebben bereikt, overweegt de rechtbank als volgt.


3.21.

Comfortspaarrekening [0000000] op naam van de vrouw

Het saldo van de Comfortspaarrekening met rekeningnummer [0000000] bedraagt op 4 januari 2013 volgens de vrouw € 17,47. De vrouw stelt dat het saldo op deze rekening is gelijk gebleven. Uit een door de vrouw als productie N bij haar antwoordakte overgelegd overzicht blijkt dat het saldo tussen 1 januari 2013 en 15 april 2013 niet is gewijzigd. De rechtbank zal voor wat betreft de verdeling uitgaan van het door de vrouw genoemde saldo en de rekening toedelen aan de vrouw. De rechtbank neemt in dit verband mede in ogenschouw dat de jaarlijkse rentebijschrijvingen minder dan € 1,= bedroegen. De vrouw dient wegens overbedeling aan de man te vergoeden een bedrag van € 8,74.


3.22.

Rekeningen ABN AMRO [0] en [1] op naam van de vrouw

De rechtbank stelt op grond van de door de vrouw bij haar antwoordakte als O1 tot en met O3 overgelegde producties vast dat deze bankrekeningen bij de ABN AMRO omstreeks 9 juni 2011 zijn opgeheven. Anders dan de man stelt, ziet de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan deze opheffing. Hoewel het document ‘rekening opheffen particulier’ niet is ondertekend, blijkt uit het als productie O3 overgelegde afschrift van de betaalrekening dat er op 8 juni 2011 een overboeking heeft plaatsgevonden vanaf genoemde rekening in verband met de opheffing. De bankrekening komt derhalve niet voor verdeling in aanmerking.


3.23.

RegioBank (SNS) Spaar-op-maat-vrij [3] op naam van de vrouw

De rechtbank stelt vast dat de spaarrekening bij de SNS bank met rekeningnummer

[3] op 28 januari 2013 is opgeheven, wat genoegzaam blijkt uit de door de vrouw bij haar antwoordakte als P1 tot en met P4 overgelegde producties. Het saldo is blijkens de als P2 en P4 overgelegde rekeningoverzichten op 28 januari 2013 overgeboekt naar de betaalrekening [0000000] over de verdeling van welke rekening tussen partijen overeenstemming bestaat.


3.24.

De en/of rekeningen Rabo InterSparen [4] en NL RABO [5]

De man stelt dat de vrouw niet heeft geopenbaard de saldi per peildatum van deze spaar- respectievelijk betaalrekening evenmin als een zijns inziens bestaande betaalrekening [4].


3.25.

Voorop gesteld moet worden dat het mede op de weg van de man ligt inzicht in deze saldi per 15 april 2013 te verschaffen nu het gaat om en/of rekeningen van partijen. In het licht van de mededeling van de Rabobank (productie Q van de vrouw) gaat de rechtbank uit van bij helfte te verdelen saldi op 15 april 2013 van € 124,19 en € 80,65.

Toedeling van deze rekeningen aan de vrouw, in die zin dat de man aan wijziging van de tenaamstelling van deze rekening medewerking moet verlenen, betekent dat de vrouw de helft van genoemde bedragen wegens overbedeling aan de man dient te vergoeden.


3.26.

Bankrekening [6] op naam van de man

De rechtbank constateert op grond van het door de man als productie 12 bij zijn akte van 14 oktober 2014 overgelegde bericht dat bankrekening met nummer [6] op 1 mei 2014 niet bekend is bij Rabobank IJsseldelta te [woonplaats]. Hoewel uit het financieel jaaroverzicht 2009 blijkt dat deze rekening toen (wel) op naam stond van de man, houdt de rechtbank het er voor dat deze rekening op de peildatum kennelijk niet meer bestond en dat geen verdeling terzake kan plaatsvinden, wat onverlet laat dat de man ondanks het daartoe strekkend verzoek van de vrouw, niet heeft aangetoond dat de rekening op 15 april 2013 niet meer bestond.


3.27.

Bankrekening [7] op naam van de man

De man heeft geen gegevens overgelegd met betrekking tot deze rekening. Ex aequo et bono zal de rechtbank deze rekening zonder vergoedingsplicht voor de man aan de man toedelen.


3.28.

Betaalrekening [8] op naam van de man

Het saldo van de rekening op naam van de man met rekeningnummer [8] is op 15 april 2013 blijkens het door de man als productie 13 bij zijn akte van 14 oktober 2014 overgelegde rekeningafschrift € 398,63. De rechtbank is uitgegaan van het bedrag dat op het afschrift staat vermeld onder ‘vorig saldo’ nu de betalingen op het afschrift op of na 15 april 2013 hebben plaatsgevonden. De rechtbank zal voor wat betreft de verdeling uitgaan van bovengenoemd saldo en de rekening toedelen aan de man. De man dient wegens overbedeling aan de vrouw te vergoeden een bedrag van € 199,31.


3.29.

Beleggingsrekening [9] op naam van de man

Het saldo van de beleggingsrekening met rekeningnummer [9] op naam van [verzoeker] zelf is blijkens het door de man als productie 14 overgelegde overzicht nihil over de periode 31 januari 2013 tot en met 31 december 2013. De rechtbank zal de rekening toedelen aan de man. Van overbedeling is gelet op het saldo geen sprake.


3.30.

Rekening Rabobank [10] op naam van de man

Blijkens het door de vrouw als productie G bij haar akte van 6 mei 2014 overgelegde voorstel aangifte inkomstenbelasting 2012 heeft de vrouw opgevoerd een rekening bij de Rabobank met rekeningnummer [10] met op 1 januari 2013 een saldo van € 1,-. De man heeft verzocht dat de vrouw ten aanzien van deze rekening een bankafschrift over legt. De vrouw heeft daarop gesteld dat deze rekening, anders dan uit haar belastingaangifte kan worden afgeleid, op naam staat van de man. Als productie R bij antwoordakte van 28 oktober 2014 heeft zij overgelegd een financieel jaaroverzicht 2009 waaruit blijkt dat het een spaarrekening betreft op naam van de man waarvan op 31 december 2009 het saldo € 1,76 (credit) bedroeg. De rechtbank gaat er van uit dat de tenaamstelling van de rekening niet is gewijzigd en zal de rekening toedelen aan de man. De man heeft nagelaten stukken in het geding te brengen waaruit het saldo van deze rekening op 15 april 2013 blijkt respectievelijk heeft nagelaten aan te tonen dat de rekening voorafgaand aan de peildatum is opgeheven, wat klemt omdat hij ten onrechte steeds heeft gesteld deze rekening niet te kennen omdat genoemde rekening op naam van de vrouw zou staan.


3.31.

Addendum/onttrekkingen aan de boedel?

De vrouw is eerder gehuwd geweest. In het kader van de echtscheiding hebben de vrouw en haar ex-echtgenoot, [G], een echtscheidingsconvenant doen opstellen. Daarin is onder meer vastgelegd dat de vrouw wegens onderbedeling en onder het afzien van partneralimentatie een bedrag ad € 600.000,= zal ontvangen. [G] heeft op de dag waarop de echtscheiding werd ingeschreven een bedrag van € 300.000,= betaalbaar gesteld. De resterende € 300.000,= is een onmiddellijk opeisbare schuld van [G] aan de vrouw, die geen rente draagt en die in tien termijnen van € 30.000,= per jaar aan de vrouw wordt afgelost. De vrouw stelt dat zij en [G] na het convenant op 6 juni 2009 een addendum zijn overeengekomen waaruit blijkt dat deze termijnbetalingen niet langer verschuldigd zijn indien de vrouw gaat samenleven als ware zij gehuwd. De vrouw stelt dat het ontvangen bedrag ad € 300.000,= en de inmiddels ontvangen termijnbetalingen zijn geïnvesteerd in de aankoop van de hypotheekvrije voormalig echtelijke woning, de verbouwing daarvan respectievelijk zijn verteerd in de kosten van de huishouding.


3.32.

Naar aanleiding van de stelling van de man dat de vrouw nog over een groot deel van deze bedragen beschikt doordat zij gelden heeft weggesluisd naar minimaal vijf voor de man onbekend gebleven bankrekeningen stelde de rechtbank in de beschikking van 3 oktober 2014 de vrouw, mede gezien haar als productie G bij haar akte van 6 mei 2014 overgelegde concept aangifte inkomstenbelasting 2012, in de gelegenheid bankafschriften in het geding te brengen waaruit de stand van een vijftal bankrekeningen blijkt op of na 15 april 2013. Tevens verzocht de rechtbank de vrouw de laatst ingediende belastingaangifte in het geding te brengen. De rechtbank overwoog vervolgens dat het op de weg van de man lag aan te tonen dat de vrouw over meer gelden/rekeningen beschikt(e) dan blijkt uit haar belastingaangifte 2012. De man werd voorts verzocht te reageren op de stellingen van de vrouw ten aanzien van het addendum.


3.33.

Hoewel de man heeft gehandhaafd zijn stelling dat de vrouw meer vermogen heeft dan uit de thans overgelegde stukken blijkt en dat de vrouw over een groot deel van het bedrag ad € 300.000,= en de inmiddels uitgekeerde termijnbetalingen nog beschikt, heeft hij dit niet onderbouwd, reden waarom de rechtbank de stelling van de man in zoverre passeert en aannemelijk acht gemaakt dat de uitkering van € 300.000,= is aangewend voor de eigendomsverkrijging en de verbouwing van de voormalig echtelijke woning en dat de nadien uitgekeerde termijnbetalingen zijn aangewend voor de kosten van levensonderhoud van de vrouw, de man en de minderjarige kinderen. De vrouw en de man hadden immers beiden geen werk en daarmee geen arbeidsinkomsten.



3.34.

Addendum/resterende termijnbetalingen verdelen?

De man stelt dat het addendum niet betrouwbaar is, dat hij nimmer op de hoogte was van het addendum en dat dit geantidateerd is. Dat blijkt volgens de man onder andere uit het feit dat het addendum op blanco briefpapier is gesteld anders dan het echtscheidingsconvenant waarover de man naar eigen zeggen wel beschikte en dat het addendum niet is bekrachtigd in de echtscheidingsbeschikking terwijl de data waarop het convenant en het addendum zouden zijn getekend, 6 juni 2009, overeenstemmen. Volgens de man was [G] op de hoogte van het huwelijk tussen de man en de vrouw. De minderjarige kinderen van de vrouw hebben/moeten er met [G], hun vader, over (hebben) gesproken. De vordering van de vrouw op [G] bestond bij aanvang van het huwelijk, zodat de thans nog opeisbare termijnbetalingen dienen te worden betrokken in de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.


3.35.

De vrouw betwist dat het addendum is opgemaakt met het oog op de onderhavige procedure. Het addendum is buiten medeweten van advocaten door de vrouw en [G] opgesteld en om die reden niet naar de rechtbank verzonden. De vrouw stelt dat als gevolg van het addendum [G] niet gehouden was tot betaling van termijnbedragen vanaf het moment dat zij met de man huwde. Nu zij haar opvolgende huwelijk heeft verzwegen voor [G] heeft zij ten onrechte termijnbetalingen van elk € 30.000,= ontvangen. De man was volgens de vrouw op de hoogte van de situatie. Hij speelde het spel mee en ook hij verzweeg het huwelijk voor [G], omdat hij mede afhankelijk was van de termijnbetalingen. De vrouw stelt dat [G] de termijnbetalingen thans terugvordert.


3.36.

De rechtbank overweegt dat het door de vrouw overgelegde addendum d.d. 6 juni 2009 een onderhandse akte is die op grond van het bepaalde in artikel 1:157 lid 2 BW slechts dwingend bewijs oplevert ten behoeve van de wederpartij, dat wil zeggen degene die in de akte als zodanig is aanwezen, lees [G]. Tussen een partij bij de akte en een derde, in dit geval de man, heeft een onderhandse akte enkel vrije bewijskracht, hetgeen met zich brengt dat de waardering van het bewijs wordt overgelaten aan de rechtbank.


3.37.

Anders dan de vrouw die stelt dat op grond van het addendum de uitgekeerde termijnbetalingen haar door [G] onverschuldigd zijn betaald en dat toekomstige termijnbetalingen geen onderdeel uitmaken van de huwelijksgoederengemeenschap, is de rechtbank van oordeel dat aan het addendum niet die gevolgtrekking kan worden verbonden. Niet aannemelijk is dat de man en de vrouw hun huwelijk en hun samenwonen sinds 2010 verborgen hebben kunnen houden voor [G]. Te minder nu de vrouw en [G] drie kinderen hebben, waarvan in ieder geval de oudste ten tijde van het echtscheidingsverzoek bij [G] woonde. Uit de stukken maakt de rechtbank voorts op dat de andere twee kinderen contact hebben met hun vader en regelmatig bij hem verblijven. Gesteld noch gebleken is dat de minderjarige kinderen een zwijgplicht hadden om met hun vader te spreken over het opvolgende huwelijk van de vrouw. De rechtbank acht het daarom onaannemelijk dat [G] drie jaar lang niet op de hoogte zou zijn geweest van het huwelijk en onwetend termijnbetalingen heeft voldaan en zich niet heeft beroepen op het overeengekomen addendum.

Een afdoende verklaring waarom de afspraken in het addendum niet zijn geformaliseerd in en aangehecht aan het door [G] toen nog niet ondertekende echtscheidingsconvenant ontbreekt. Uit punt 6 van het addendum blijkt immers dat [G] het echtscheidingsconvenant niet wilde ondertekenen zonder dat aanvullende afspraken omtrent genoemde termijnbetalingen waren overeengekomen. Dat staaft dat het convenant nog niet was ondertekend voorafgaand aan het opstellen van het addendum. De vrouw onderbouwt evenwel niet waarom het echtscheidingsconvenant van 6 juni 2009 wel is verzonden aan haar advocaat maar het beweerdelijk op dezelfde dag tot stand gekomen addendum niet. Evenmin heeft zij onderbouwd waarom [G] en de vrouw het addendum opstelden zonder medeweten van hun advocaten. Dat bevreemdt, nu het addendum verstrekkende betekenis heeft en [G] er belang bij had het addendum onderdeel te laten uitmaken van de echtscheidingsbeschikking.


3.38.

De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot de slotsom dat de vrouw onvoldoende heeft gesteld respectievelijk niet genoegzaam betwist heeft de kritiek op genoemd addendum om in de door haar betoogde zin betekenis te kunnen toekennen aan het addendum en om de nog opeisbare termijnbetalingen niet in de huwelijksgoederengemeenschap te doen vallen. Daar komt bij dat niet onderbouwd is dat [G] een procedure tot terugvordering van termijnbetalingen is gestart en rechtens een vordering op de boedel heeft.


3.39.

De nog resterende zes termijnen ad in totaal € 180.000,= komen derhalve voor verdeling in aanmerking. De rechtbank zal deze geldvordering toedelen aan de vrouw, met dien verstande dat de vrouw gedurende zes jaar jaarlijks een bedrag van € 15.000,= aan de man dient te voldoen, waarbij de eerste termijn vervalt op 1 juli 2015. De vrouw dient aldus wegens overbedeling aan de man in jaartermijnen te vergoeden een totaal bedrag van € 90.000,=, tenzij alsnog zou blijken dat [G] dit bedrag niet verschuldigd is respectievelijk een terugvordering in rechte heeft ten aanzien van reeds betaalde termijnen.


3.40.

Zakgeldrekeningen kinderen van de vrouw

Uit de door de vrouw als producties G4 en G5 bij haar akte van 14 oktober overgelegde afschriften blijkt dat de rekeningen met de rekeningnummers [11] en [12] jongerenrekeningen zijn op naam van de minderjarige kinderen van de vrouw en [G]. De vrouw stelt dat deze ‘zakgeldrekeningen’ buiten de huwelijksgemeenschap vallen. De rechtbank zal deze rekeningen die onbetwist specifiek bedoeld zijn voor de kinderen van de vrouw en die slechts geringe saldi hebben, niet in de verdeling betrekken nu dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is te achten.


3.41.

Depositorekeningen kinderen van de vrouw

Uit de door de vrouw als producties G1 tot en met G3 bij haar akte van 14 oktober overgelegde afschriften blijkt dat drie rekeningen depositorekeningen zijn op naam van de minderjarige kinderen van de vrouw en [G]. De rekening met rekeningnummer [24] staat op naam van [H]. Het saldo op 31 december 2012 is € 24.297,64. De rekening met rekeningnummer [22] staat op naam van [J]. Het saldo op 31 december 2012 is € 24.279,59. De rekening met rekeningnummer [23] staat op naam van [F]. Het saldo op 31 december 2012 bedraagt € 24.297.50. Voor zover de rechtbank kan nagaan zijn alle drie de rekeningen spaardepositorekeningen met een jaarrente. De vrouw stelt onbetwist dat de rekeningen destijds zijn geopend door de ouders van de vrouw. Zij wilden dat hun kleindochters een startkapitaal zouden hebben op het moment dat zij achttien jaar worden.


3.42.

De rechtbank zal de saldi op de depositorekeningen op naam van de minderjarige kinderen van de vrouw evenmin in de verdeling betrekken, omdat verdeling hiervan naar maatstaven van redelijkheid onaanvaardbaar is. Onbetwist staat immers vast dat deze saldi voor studiedoeleinden bedoeld zijn voor de kinderen van de vrouw. In dat verband weegt ook mee dat genoemde saldi sinds 2011 slechts aangegroeide rente kennen, wat wegneemt de mogelijke veronderstelling dat de vrouw genoemde rekeningen heeft aangewend om gelden van de gemeenschap aan het zicht van de man te onttrekken.


3.43.

Keuzeplushypotheek

Partijen hebben/hadden een keuzeplushypotheek. De vrouw stelt dat partijen de ter beschikking gestelde gelden krachtens dit een bouwdepot niet hebben aangewend. Op 15 april 2013 zijn partijen ter zitting overeengekomen het bouwdepot niet te verhogen. De vrouw stelt dat zij na opname het bedrag van € 50.000,= heeft teruggestort waardoor partijen geen hypotheekschuld hebben. Het ligt in de rede dat partijen deze hypotheek gezamenlijk aflossen respectievelijk beëindigen.


3.44.

Belastingaangifte 2012

De man heeft geen opmerkingen gemaakt naar aanleiding van de door de vrouw overgelegde aangifte die nopen tot een beslissing door de rechtbank.

Anders dan de vrouw heeft de man zijn belastingaangifte niet overgelegd.


3.45.

Slotsom

Partijen dienen zich bij akte uit te laten over toedeling (gestaafd met een financieringsaanbod op basis van de waarde van de woning ad € 450.000,=) dan wel onderhandse verkoop en levering van de voormalig echtelijke woning.


Aan ieder van partijen worden zonder vergoeding wegens over- dan wel onderbedeling toegedeeld de inboedelzaken waarover zij ieder reeds beschikken.


Vanwege de autoverkoop dient de vrouw aan de man te vergoeden een bedrag ad € 383,50.


De man dient zonder verrekening met de vrouw de verkeersboetes te voldoen.


Partijen dienen de kunstcollectie bij helfte te verdelen, zoals aangegeven in rechtsoverweging 3.15 dan wel deze gezamenlijk (gedeeltelijk) te (doen) verkopen waarbij zij de netto verkoopopbrengst bij helfte delen.


Aan ieder van partijen worden toegedeeld de op zijn/haar naam staande bankrekeningen en de bijbehorende saldi. De man dient op eerste verzoek van de vrouw mee te werken aan een wijziging van de tenaamstelling van de en/of-rekeningen van partijen, zodat deze op naam van de vrouw komen te staan.

Partijen dienen de saldi met elkaar te verrekenen, zoals aangegeven in rechtsoverweging 3.16 tot en met 3.30.


Vanwege de resterende termijnbetalingen dient de vrouw gedurende zes jaar jaarlijks een bedrag van € 15.000,= aan de man te voldoen, waarbij de eerste termijn vervalt op 1 juli 2015. De vrouw dient aldus wegens overbedeling aan de man te vergoeden een totaal bedrag van € 90.000,=.


De zakgeldrekeningen en de depositorekeningen en de bijbehorende saldi op naam van de (minderjarige) kinderen van de vrouw worden zonder vergoeding wegens over- dan wel onderbedeling toegedeeld aan de vrouw.


Partijen dienen zich uit te laten of zij nog een verdeling verzoeken ten aanzien van de keuzeplus hypotheek.


3.46.

Proceskosten

Daar de man en de vrouw ex-echtgenoten zijn, zal de rechtbank in de nog te wijzen eindbeschikking de kosten van de procedure in die zin compenseren, dat partijen ieder hun eigen kosten zullen dragen.


4Beslissing

De rechtbank:


4.1.

stelt partijen in de gelegenheid na kennisname van ieders uitlating zich uit te laten bij akte op 8 mei 2015,


4.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.


Aldus gegeven door mr. H.W.H. Oude Aarninkhof, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A. van Geelen als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 maart 2015.