Rechtbank Overijssel, 10-06-2015 / Awb 15/68


ECLI:NL:RBOVE:2015:2772

Inhoudsindicatie
Geen plichtsverzuim leidinggevende bij politie vanwege (geheime) relatie met ondergeschikte of negeren contactverbod ; ook niet schuldig gemaakt aan ongewenste omgangsvormen; beroep gegrond.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-06-10
Publicatiedatum
2015-06-10
Zaaknummer
Awb 15/68
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle


Bestuursrecht


zaaknummer: AWB 15/68


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te Groningen, eiser,

gemachtigde: mr. J.M.P. Blom,


en


de korpschef van politie Noord-Nederland, verweerder,

gemachtigde: mr. drs. A.E.L. Weistra.




Procesverloop


Bij primair besluit van 6 januari 2014 heeft verweerder eiser een disciplinaire straf en een maatregel opgelegd. Bij besluit van 19 juni 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser deels gegrond en overigens ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit niet herroepen.


Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank Noord-Nederland. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Bij beslissing ex artikel 46b van de Wet op Rechterlijke Organisatie van 13 januari 2015 heeft de rechtbank Noord-Nederland het beroep doorverwezen naar de rechtbank Overijssel (verder: de rechtbank).


Het beroep is op 29 april 2015 ter zitting van de rechtbank onderzocht, alwaar eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.



Overwegingen


1. In mei 2013 heeft verweerder een disciplinair onderzoek ingesteld naar de gedragingen van [naam inspecteur], destijds inspecteur van politie bij de Eenheid Noord-Nederland en projectleider in het basisteam Ommelanden Midden-Oost (verder: [naam inspecteur]). Eiser zou als getuige bij dit onderzoek worden betrokken. Eiser werkte destijds als projectleider Levende have in het team Groningen Noord-Oost.


Op 16 mei 2013 is eiser er ten aanzien van dit disciplinair onderzoek door zijn leidinggevende tijdens eisers vakantie in Turkije telefonisch op gewezen dat voor hem jegens [naam inspecteur] een contactverbod geldt.


Op 6 augustus 2013 heeft verweerder eiser schriftelijk medegedeeld dat hij niet als getuige bij het voornoemde onderzoek zal worden betrokken, maar dat tegen hem een zelfstandig disciplinair onderzoek wordt ingesteld door de unit Interne Onderzoeken van de afdeling Veiligheid, Integriteit en Klachten (VIK). Bij die schriftelijke mededeling is hem verboden om met collega’s of derden contact op te nemen en/of inhoudelijk met hen over het aangezegde onderzoek te communiceren) en is medegedeeld dat het hem eerder opgelegde contactverbod met [naam inspecteur] van kracht blijft.


Eiser is in het kader van het VIK-onderzoek op 15 augustus 2013 en 26 september 2013 gehoord. De VIK heeft op 8 oktober 2013 rapport uitgebracht.


Op basis van dit rapport heeft verweerder eiser bij zijn primaire besluit het volgende gedrag verweten:

het nalaten van interventie die van eiser als leidinggevende mocht worden verwacht in de periode van 2004-2006 te Groningen toen [naam inspecteur] een (geheime) relatie onderhield met zijn ondergeschikte;

het zich schuldig maken aan ongewenste omgangsvormen en/of seksuele intimidatie (trioseks) in de periode 2004-2006 te Groningen met betrekking tot [naam 1] (verder: [verkorte naam]);

het negeren van een op 16 mei 2013 door eisers leidinggevende [naam leidinggevende] (verder: [verkorte naam leidinggevende]) gegeven dienstopdracht inzake het contact met [naam inspecteur].


Bij het primaire besluit heeft verweerder op die grondslag besloten eiser:

  • - op grond van artikel 64, lid 1, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) te werk te stellen bij de basiseenheid Noord (Assen) in het district Drenthe in een andere functie als senior medewerker BPZ;
  • - op grond van artikel 77, lid 1, aanhef en onder 1, van het Barp ingaande de datum van verzending van het primair besluit, te plaatsen in een lagere salarisschaal waarvoor een maximum salaris geldt.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd, zij het dat het nalaten van interveniëren niet langer aan verweerders besluit ten grondslag is gelegd.


2. In artikel 76, eerste lid van het Barp is bepaald, dat de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, disciplinair kan worden gestraft. In het tweede lid van dit artikel is bepaald, dat plichtsverzuim zowel het overtreden van een voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen omvat.


Artikel 77, eerste lid, aanhef en onder i, van het Barp bepaalt, dat de straf “Plaatsing in een salarisschaal waarvoor een lager maximumsalaris geldt” kan worden opgelegd.


Artikel 64, eerste lid, van het Barp bepaalt: Indien het belang van de dienst dit in bijzondere gevallen vordert, is de ambtenaar verplicht zijn functie op een andere dan de hem aangewezen plaats van tewerkstelling of binnen een ander dan het hem aangewezen werkgebied uit te oefenen of, al dan niet op een andere dan de hem aangewezen plaats van tewerkstelling of binnen een ander dan het hem aangewezen werkgebied, een andere functie dan die waarin hij is aangesteld, mits dit redelijk is in verband met zijn persoonlijkheid, omstandigheden en vooruitzichten.


3.1

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (uitspraak van 15 september 2011, LJN BT 1997 en RAR 2012,35) gelden in het ambtenarentuchtrecht niet die strikte bewijsregels die in het strafrecht van toepassing zijn. Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot disciplinaire bestraffing aanleiding kan geven, is noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde, gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan in het onderhavige geval geen sprake.


3.2

Verweerder heeft – door het advies van de Bezwarencommissie Noord-Nederland (BAC) te volgen – aan het bestreden besluit in de eerste plaats ten grondslag gelegd, dat eiser zich in de jaren 2004 tot 2006 schuldig heeft gemaakt aan ongewenste omgangsvormen en/of seksuele intimidatie, omdat onvoldoende aanknopingspunten bestonden om aan te nemen dat [verkorte naam] destijds op basis van vrijwilligheid aan de trioseks heeft deelgenomen. Die grondslag steunt enerzijds op de verklaring die [verkorte naam] in het kader van het VIK-onderzoek daarover heeft afgegeven. Anderzijds steunt die grondslag op de aanname dat er bij het trioseks-incident onvoldoende scheiding was tussen werk en privé, omdat eiser als leidinggevende binnen hetzelfde district als dat van [verkorte naam] werkzaam was.


Vooraleerst concludeert de rechtbank, dat de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde verklaringen van – met name – eiser, [naam inspecteur] en [verkorte naam] in 2013 zijn afgelegd over een incident dat heeft plaatsgevonden in de periode tussen 2004 en 2006. Op basis van hetgeen terzake daarvan na zeven tot negen jaar later is verklaard kan dan ook niet voetstoots worden aangenomen dat deze nog op een heldere waarneming van de betrokkenen berusten. De rechtbank acht die verklaringen in samenhang bezien niettemin niet van dien aard dat verweerder zijn beslissing daar niet op heeft mogen doen steunen.


Uit de verklaring van [verkorte naam] leidt de rechtbank af, dat zij tijdens de trioseks met succes in staat was om aan te geven waar voor haar de grenzen lagen. [verkorte naam] heeft immers verklaard: “Als [voornaam] ([naam inspecteur]) in mij was keek [naam 2] ([achternaam]) toe en omgekeerd. Ik wilde dat niet en dat heb ik ook gezegd. Ik wilde niet dat [naam 2] in mij kwam. [naam 2] stopte toen.”

De verklaringen van eiser en [naam inspecteur] bevestigen eisers reactie op de door [verkorte naam] tijdens het incident geuite wens. Aan de handelingen die door het trio overigens voor en tijdens de seks met elkaar zijn verricht, gelet op de door hen afgelegde verklaringen, kan voor [verkorte naam] dan ook niet met overtuiging de status van onvrijwilligheid worden verbonden.


Uit de verklaringen van [verkorte naam] volgt immers niet duidelijk en eenduidig dat eiser zijn leidinggevende positie heeft gebruikt om [verkorte naam] tot bepaalde handelingen te brengen noch dat [verkorte naam] zich door eisers hiërarchische positie geïntimideerd voelde en het verrichten van die handelingen niet kon weigeren, terwijl uit haar verklaring wel blijkt dat zij ten tijde van het incident tot het weigeren daarvan feitelijk in staat was en dat daar ook gehoor aan werd gegeven. De rechtbank komt dan ook, op basis van de gedingstukken, tot de conclusie dat eiser bij de trioseks de nodige scheiding tussen werk en privé niet heeft verzaakt.


Dat [verkorte naam] in die tijd labiel dan wel kwetsbaar was, is uit de gedingstukken niet gebleken en ook ter zitting kon verweerder dat niet nader onderbouwen.


Uit het vorenoverwogene volgt dan ook niet, dat het trioseks-incident voor wat betreft [verkorte naam] geacht moet worden zich op onvrijwillige basis in het privédomein van haar te hebben voorgedaan, zodat verweerder zich ter zake heeft te onthouden van een waardeoordeel.


Verweerder heeft eiser dan ook ten onrechte plichtsverzuim in de vorm van ongewenste omgangsvormen en/of seksuele intimidatie verweten.


3.3

Verweerder heeft voorts aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser de hem op 16 mei 2013 door [verkorte naam leidinggevende] gegeven dienstopdracht, waarin hem zou zijn verboden om met [naam inspecteur] contact op te nemen, heeft geschonden.


Tussen partijen is niet in geschil, dat [verkorte naam leidinggevende] eiser over het contactverbod op 16 mei 2013 op zijn vakantieadres in Turkije telefonisch heeft gesproken. Voorts is eveneens niet in geschil, dat eiser daarna diezelfde dag aan [naam inspecteur] één Sms-bericht heeft gestuurd en hem één keer telefonisch heel kort heeft gesproken.


Eiser bestrijdt niet dat het hem uit het telefonisch onderhoud met [verkorte naam leidinggevende] duidelijk was dat hij als getuige in het onderzoek naar mogelijk plichtsverzuim van [naam inspecteur] geen contact met hem mocht hebben over dat onderzoek. Eiser stelt, dat contact met [naam inspecteur] over privézaken hem door [verkorte naam leidinggevende] niet expliciet is verboden en dat hij zich daar ook strikt toe heeft beperkt bij de voornoemde contacten uit bezorgdheid over de gezondheid van zijn vriend en diens familie.


De rechtbank oordeelt ten aanzien hiervan vooraleerst, dat niet vast is komen te staan tot hoever het contactverbod, zoals dat door [verkorte naam leidinggevende] aan eiser op 16 mei 2013 is opgelegd, strekte. Hetgeen feitelijk door [verkorte naam leidinggevende] aan eiser is voorgehouden is immers niet door hem in een Sms-bericht dan wel een brief vastgelegd en bevestigd. Voorts moet op grond van de gedingstukken worden geconstateerd dat het woord “dienstopdracht”, waarmee aan het contactverbod onmiskenbaar een zwaar gewicht wordt toegekend, daarbij niet is genoemd. Ook verweerder heeft de reikwijdte van het op 16 mei 2013 gegeven contactverbod destijds niet als zodanig schriftelijk bekrachtigd. Naar het oordeel van de rechtbank dient de onduidelijkheid die daardoor is ontstaan over de reikwijdte van het contactverbod dan ook voor rekening van verweerder te komen. Eiser kan derhalve niet worden aangerekend dat hij met [naam inspecteur] contact heeft gehad over privéaangelegenheden.


Eiser heeft verklaard dat het SMS-bericht dat hij destijds aan [naam inspecteur] heeft gezonden bestond uit de tekst: “What the fuck, wat is er met jou aan de hand”. Een dergelijke tekst ziet naar het oordeel van de rechtbank niet op navraag over privézaken, maar moet worden gezien als een reactie op het tegen [naam inspecteur] ingestelde onderzoek waarvan eiser wist dat hij daarover met [naam inspecteur] geen contact mocht hebben. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser daarmee het hem opgelegde contactverbod geschonden. De rechtbank acht die schending evenwel niet van een zodanig gewicht, dat als gevolg daarvan tot plichtsverzuim moet worden geconstateerd. Eiser heeft met het SMS-bericht immers onmiskenbaar geen relevante informatie over het onderzoek gelekt. Gesteld noch gebleken is verder dat het onderzoek tegen [naam inspecteur] daardoor is beïnvloed. De rechtbank laat daarbij voorts wegen, dat eiser de contacten met [naam inspecteur] zelf bij zijn leidinggevenden heeft gemeld in de week onmiddellijk na 16 mei 2013, en dat zij daarin kennelijk geen aanleiding hebben gezien om daar met het oog op het lopende onderzoek betreffende [naam inspecteur] actie op te ondernemen.


Verweerder heeft eiser dan ook ten onrechte plichtsverzuim in de vorm van het negeren van een dienstopdracht verweten.


4. Gelet op het vorenstaande oordeelt de rechtbank dat verweerder op onjuiste gronden tot de conclusie is gekomen dat eiser de hem opgelegde verplichtingen niet is nagekomen of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig heeft gemaakt. Van plichtsverzuim als bedoeld in artikel 76, eerste lid, van het Barp acht de rechtbank geen sprake zodat verweerder ten onrechte heeft gemeend eiser een disciplinaire straf en een maatregel op te kunnen leggen.


Zowel verweerders primaire besluit als het bestreden besluit kunnen op grond daarvan niet in stand worden gelaten.


5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank herroept het primaire besluit nu daaraan hetzelfde gebrek kleeft als aan het bestreden besluit.


Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.


De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 980,- voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, tegen de waarde per punt van € 490,- en de wegingsfactor 1).



Beslissing


De rechtbank:

  • - verklaart het beroep gegrond;
  • - vernietigt het bestreden besluit;
  • - herroept het primaire besluit;
  • - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167,- aan eiser te vergoeden;
  • - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 980.-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, rechter, in aanwezigheid van

R.K. Witteveen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op






griffier rechter


Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.