Rechtbank Overijssel, 11-06-2015 / 08/955001-15


ECLI:NL:RBOVE:2015:2815

Inhoudsindicatie
Een 38-jarige Deventenaar is veroordeeld voor een straatoverval op een bejaarde vrouw in Deventer. Hij volgde haar nadat ze geld had gepind, duwde haar op de grond en ging er vandoor met haar portemonnee. De man krijgt 12 maanden cel, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar met bijzondere voorwaarden. Zo moet hij zich laten behandelen en meewerken aan beschermd of begeleid wonen. Ook moet hij aan de vrouw een schadevergoeding betalen van ruim €1.000,-
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-06-11
Publicatiedatum
2015-06-11
Zaaknummer
08/955001-15
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht


Zittingsplaats Zwolle


Parketnummer: 08/955001-15

Datum vonnis: 11 juni 2015


Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:


[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1977 in [geboorteplaats],

wonende in [geboorteplaats],

nu verblijvende in FPA Kompas te Wolfheze.



1Het onderzoek op de terechtzitting


Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 2 april 2015 en 28 mei 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.C. Jongtien en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. A.R. Maarsingh, advocaat te Deventer, naar voren is gebracht.


2De tenlastelegging


De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld.


Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:


hij op of omstreeks 30 december 2014 te Deventer

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

een tas, inhoudende een portemonnee (inhoudende 500 Euro, althans een

geldbedrag en/of een AH bonuskaart),

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan mevrouw [slachtoffer]

[slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om

die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij

betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken,

hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij,

verdachte, (nadat die [slachtoffer] 500 Euro, althans een geldbedrag had gepind

en/of vervolgens op haar fiets was weggereden) die [slachtoffer] (op een fiets)

is gevolgd en/of vervolgens - onverhoeds en mogelijk verzet brekend- die [slachtoffer]

[slachtoffer] met kracht tegen haar schouder(s) en/of in haar rugstreek heeft

geduwd, waardoor die [slachtoffer] (hard) van haar fiets is gevallen, althans

hard ten val is gekomen.


3De vordering van de officier van justitie


De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd, met als bijkomende voorwaarden meldplicht, een klinische behandeling en een opname in een instelling voor begeleid wonen. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] wordt toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.


4De voorvragen


De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.


5De beoordeling


Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of het tenlastegelegde feit bewezenverklaard kan worden of dat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte het feit heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.


5.2

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging


De officier van justitie is van mening dat het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.


De raadsman heeft primair verzocht om de zaak te verwijzen naar de rechter-commissaris voor een getuigenverhoor. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat er geen wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd en daarom moet worden vrijgesproken.


5.3

De bewijsoverwegingen van de rechtbank


De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat op 30 december 2014 omstreeks 14.00 uur in Deventer een diefstal met geweld van aangeefster [slachtoffer] heeft plaatsgevonden. Aangeefster had kort voordat zij beroofd werd een geldbedrag van € 500,- gepind bij een geldautomaat aan de Stromarkt te Deventer en daarna haar handtas met portemonnee in de fietstas van haar fiets gedaan. Vervolgens is aangeefster vanaf de Stromarkt de Papenstraat in gefietst alwaar de diefstal met geweld plaatsvond.


Aangeefster heeft onder meer verklaard dat zij tijdens het fietsen op een gegeven moment voelde dat ze een harde duw in haar rug ter hoogte van haar schouder kreeg waardoor zij ten val kwam. Toen aangeefster op de grond lag, zag zij dat naast haar een grijze fiets op de grond werd gegooid en dat er een man naast haar ging staan. Deze man greep direct naar de fietstas en pakte de handtas van aangeefster uit de fietstas. Aangeefster zag dat deze man een lichtgetinte huidskleur had, ongeveer 1.70 meter lang was en een breed postuur had. Vervolgens wilde de man de grijze fiets oppakken waarop aangeefster de fiets vastpakte en om hulp schreeuwde. De man rende weg en gooide de handtas van aangeefster naar haar toe. Naar aanleiding van het geschreeuw van aangeefster kwam de getuige [getuige 1] uit zijn woning naar buiten toe. Daar zag de getuige aangeefster op de grond naast een fiets liggen. Verder zag de getuige dat er ook een grijze fiets op de grond lag. Vlak bij deze grijze fiets zag getuige een mobiele telefoon op de grond liggen. De getuige heeft aangeefster naar zijn woning gebracht en de grijze fiets en de mobiele telefoon naar zijn woning meegenomen. Door de politie werden de voorwerpen in beslag genomen en nader onderzocht. Later bleek dat uit de portemonnee van aangeefster het gepinde geldbedrag van € 500,- en een AH bonuskaart waren weggenomen.

Verdachte ontkent ten stelligste dat hij de diefstal met geweld heeft gepleegd.


Uit voorgaande blijkt dat op de plaats van het delict een mobiele telefoon werd aangetroffen en een grijze fiets door de dader werd achtergelaten. Uit nader onderzoek naar de aangetroffen mobiele telefoon met het nummer 06-[telefoonnummer] is gebleken dat die telefoon aan verdachte toebehoorde. Verdachte heeft bij de politie en ter zitting onder meer verklaard dat voornoemde mobiele telefoon van hem is, maar dat hij de telefoon op 30 december 2014 niet meer in zijn bezit had. Verdachte verklaart hierover dat hij op 29 december 2014 onder invloed van alcohol en drugs was en toen zijn telefoon is kwijtgeraakt. Verdachte kan zich niet meer herinneren wat er met zijn telefoon is gebeurd.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij de mobiele telefoon op 30 december 2014 niet meer in zijn bezit had ongeloofwaardig. Immers, uit de op 6 januari 2015 bij de politie afgelegde verklaringen van de ouders van verdachte, getuigen [getuige 2] en [getuige 3], blijkt dat verdachte op 30 december 2014 rond 13.30 uur bij zijn ouders was en dat verdachte toen een mobiele telefoon bij zich had. Volgens de verklaring van de moeder van verdachte had hij geld nodig en wilde verdachte dat zijn moeder een bericht op zijn telefoon zou lezen. Toen zijn moeder dit niet wilde en verdachte geen geld van haar kreeg, is hij weer vertrokken. Deze verklaring wordt ook door de vader van verdachte ondersteund. Verder blijkt uit de verklaring van getuige [getuige 4] dat hij verdachte een bedreigend sms-bericht had gestuurd waarin hij om terugbetaling van zijn geld vroeg. Dat past bij de verklaring van getuige [getuige 3] dat verdachte haar een bericht wilde tonen.

De grijze fiets, die op de plaats van het delict is aangetroffen, is herkend door getuige

[getuige 5] als de fiets die door verdachte werd gebruikt. De getuige heeft verklaard dat zij de fiets herkent aan een aantal opvallende kenmerken en zij deze ook in handen heeft gehad. Voorts is de fiets onderworpen aan forensisch onderzoek. Op het rechterhandvat van de fiets zijn in een mengprofiel DNA-sporen aangetroffen en de conclusie van het onderzoek is dat het veel waarschijnlijker is dat binnen dit mengprofiel aangetroffen DNA-sporen afkomstig zijn van verdachte dan van een ander persoon. Verdachte heeft geen aannemelijke verklaring gegeven over de belastende verklaring van getuige [getuige 5] over de herkenning van de fiets en de uitkomst van het DNA-onderzoek, terwijl deze verklaring en uitkomsten dusdanig belastend zijn dat enig uitleg was geboden. Deze verklaring en uitkomst dragen naar het oordeel van de rechtbank bij aan het bewijs.


Verder heeft aangeefster verklaard dat zij op 30 december 2014 tussen 13:45 uur en 14:00 uur een geldbedrag heeft gepind bij de geldautomaat aan de Stromarkt te Deventer. Uit het logrolonderzoek blijkt dat aangeefster om 13:44:41 uur haar pintransactie heeft gestart en om 13:45:36 heeft beëindigd. Uit het logrolonderzoek blijkt verder dat kort na aangeefster, om 13:46:11, met een bankpas met het rekeningnummer [rekeningnummer] handelingen zijn verricht aan dezelfde geldautomaat aan de Stromarkt te Deventer. Uit onderzoek is gebleken dat voornoemd rekeningnummer toebehoort aan verdachte. Verdachte heeft dit bevestigd en hierover onder meer verklaard dat hij zijn pinpas en pincode op 29 of 30 december 2014 als onderpand aan een dealer heeft gegeven en dat hij dat vaker doet. Volgens verdachte is het mogelijk dat die dealer of een andere persoon op 30 december 2014 zijn bankpas heeft gebruikt. Verdachte heeft omtrent de identiteit van deze dealer niet meer informatie kunnen geven dan de naam ‘Rasta’, zodat zijn verklaring over de gang van zaken met betrekking tot het gestelde geven van de bankpas als onderpand niet geverifieerd kan worden. Op een ander moment heeft verdachte echter verklaard dat hij zijn pas was kwijtgeraakt en/of had uitgeleend. De rechtbank acht om die reden de verklaring van verdachte ongeloofwaardig..


Ten slotte stelt verdachte dat hij op 30 december 2014 bij de Dirk van den Broek is geweest rond het tijdstip van de straatroof. Door verbalisant [verbalisant] wordt verdachte herkend op de camerabeelden van de Dirk van den Broek. De verbalisant relateert hierover dat op de camerabeelden te zien is dat verdachte op 30 december 2014 tussen 14:02:21 en 14:04:10 de Dirk van den Broek inloopt en daaropvolgend weer uitloopt. Door de verbalisant is vervolgens een overzicht gemaakt met betrekking tot een plattegrond van de plaats delict, de weglooprichting van de dader en de route naar de supermarkt Dirk van den Broek. Hierbij worden twee looproutes gegeven met een tijdsindicatie van 5 en 6 minuten voor de af te leggen afstand. Indien de rechtbank verdachte volgt in zijn verklaring dat hij in de Dirk van de Broek is geweest om 14:02 uur, dan betekent dit niet dat verdachte het feit niet gepleegd kan hebben. Sterker nog, het plaatst verdachte in de buurt van de plaats van het delict.


De rechtbank concludeert dat op grond van de genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte de diefstal met geweld heeft gepleegd.


Nu de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van het tenlastegelegde feit ziet de rechtbank geen noodzaak, met het oog op de te nemen beslissing, om de zaak conform het verzoek van de raadsman aan te houden en te verwijzen naar de rechter-commissaris om de getuige te horen.


5.4

De conclusie


De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij op 30 december 2014 te Deventer met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een tas, inhoudende een portemonnee (inhoudende 500 Euro en een AH bonuskaart), toebehorende aan mevrouw [slachtoffer], welke diefstal werd voorafgegaan van geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte, (nadat die [slachtoffer] 500 Euro had gepind en op haar fiets was weggereden) die [slachtoffer] (op een fiets) is gevolgd en vervolgens - onverhoeds en mogelijk verzet brekend - die [slachtoffer] met kracht tegen haar schouder en in haar rugstreek heeft geduwd, waardoor die [slachtoffer] van haar fiets is gevallen.


De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.


De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.


6De strafbaarheid van het bewezenverklaarde


Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 310 en 312 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:


het misdrijf: diefstal voorafgegaan van geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.


7De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.


8De op te leggen straf of maatregel


8.1

De gronden voor een straf of maatregel


Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.


Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de beroving van een bejaarde vrouw van haar portemonnee met inhoud. Verdachte is het slachtoffer gevolgd nadat zij geld bij de geldautomaat had opgenomen en heeft haar vervolgens geduwd waardoor zij ten val kwam. Hierna heeft verdachte de portemonnee van het slachtoffer afgenomen en is hij er vandoor gegaan.


Het spreekt voor zich dat dit feit voor het slachtoffer een bijzonder nare en traumatische ervaring is geweest, zoals ook blijkt uit haar verklaringen. Het slachtoffer is geconfronteerd met geweld, heeft hieraan letsel over gehouden en heeft met de gevoelens van angst die dit gebeuren met zich mee heeft gebracht verder te leven. Daarnaast draagt dit soort feiten ook bij aan een gevoel van onveiligheid in de maatschappij in het algemeen, en vaak ook in de omgeving waar het feit gepleegd is. Verdachte heeft bij deze gevolgen van zijn daad niet stilgestaan en was enkel uit op zijn eigen geldelijk gewin. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.


Bij haar beslissing heeft de rechtbank tevens rekening gehouden met:

  • - een uittreksel justitiële documentatie van verdachte d.d. 17 april 2015, waaruit blijkt dat hij meermalen met politie en justitie in aanraking is gekomen voor gelijksoortige delicten;
  • - een adviesrapport van de Reclassering Nederland d.d. 1 april 2015, opgemaakt door E.J.D. van Berkum, reclasseringswerker;
  • - een voortgangsverslag toezicht aan opdrachtgever van Iriszorg d.d. 13 mei 2015, opgemaakt door V.G.C. Dalmijn, reclasseringswerker.

Uit voornoemd adviesrapport van de Reclassering komt naar voren dat verdachte gediagnosticeerd is met verslavingsproblematiek en een posttraumatische stressstoornis welke direct in relatie staan tot de problemen op de overige leefgebieden. Vanwege de geconstateerde problemen op meerdere leefgebieden wordt de kans op herhaling van delictgedrag als hoog ingeschat. Traumabehandeling en Beschermd Wonen zijn geïndiceerd, maar door wet- en regelgeving is het de reclassering vooralsnog niet gelukt om verdachte geplaatst te krijgen. De reclassering adviseert bij oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf daaraan de bijzondere voorwaarden, opname in een zorginstelling en opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te koppelen.


Verdachte is tijdens zijn schorsing van de voorlopige hechtenis opgenomen in FPA Kompas te Wolfheze. Uit het voortgangsverslag van Iriszorg en hetgeen door de deskundige van FPA Kompas ter zitting naar voren is gebracht komt, kort samengevat, naar voren dat gedurende deze opname zich een enkel incident heeft voorgedaan, maar het toezicht verder goed is verlopen. Indien door de rechtbank een klinische behandeling wordt opgelegd, dan kan verdachte verder worden behandeld voor zijn problematiek.


Verdachte heeft ter zitting de bevindingen en conclusies van de deskundigen bevestigd en heeft onder meer verklaard dat hij reeds aan een behandeling is begonnen bij FPA Kompas. Mede hierdoor heeft verdachte meer inzicht gekregen in zijn problematiek.

De rechtbank acht, gelet op de persoon van verdachte, het recidiverisico en de diagnostiek voortzetting van de behandeling zoals geadviseerd is voor verdachte, van groot belang. Voor feiten als onderhavige worden door de rechtbank in de regel forse onvoorwaardelijke gevangenisstraffen opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank zou een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf echter de door verdachte ingeslagen koers doorkruisen.


Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, passend en geboden. De rechtbank zal de proeftijd stellen op drie jaren.


De rechtbank bepaalt dat de op grond van artikel 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14d Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard.


8.2

De inbeslaggenomen voorwerpen


De officier van justitie heeft gevorderd dat de inbeslaggenomen fiets verbeurd zal worden verklaard.


De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomen voorwerp verbeurd moet worden verklaard omdat het een voorwerp betreft met behulp van welke het feit is begaan of voorbereid.


9De schade van benadeelden


9.1

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer], wonende te [adres 1], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal

€ 1.037,24 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit de volgende posten:

  • - materiële schade van € 537,24;
  • - immateriële schade van € 500,-.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.


Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering ontvankelijk en is de vordering gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De opgevoerde schadeposten zijn niet betwist en voldoende onderbouwd. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen voor een bedrag van € 1.037,24, inclusief de van rechtswege verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.


9.2

De schadevergoedingsmaatregel


De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in art. 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.


10De toegepaste wettelijke voorschriften


De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 33a en 33b Sr.























11De beslissing


De rechtbank:


bewezenverklaring

  • - verklaart bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
  • - verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
  • - verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:feit: diefstal voorafgegaan van geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.
  • - verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

  • - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren;
  • - bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:- omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;- omdat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of omdat de veroordeelde geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden;

- omdat de veroordeelde geen medewerking aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr heeft verleend, medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- omdat de veroordeelde tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

  • - stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich laat opnemen in een FPA (Forensische Psychiatrische Afdeling) of een soortgelijke intramurale instelling, zulks ter beoordeling van het NIFP-IFZ, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-) directeur van die instelling zullen worden gegeven;
  • - stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde aansluitend en passend binnen het klinisch hulpverleningstraject start met beschermd/begeleid wonen bij het RIBW of een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, te verblijven en zich te houden aan het (dag-)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
  • - stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal melden bij de reclassering, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
  • - draagt deze reclasseringsinstelling op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

- beveelt dat de op grond van artikel 14c Sr gestelde voorwaarde(n) en het op grond van artikel 14d Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;


- bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding
  • - veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 1.037,24, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 december 2014;
  • - veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
  • - legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.037,24 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 20 dagen zal worden toegepast;
  • - bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

de inbeslaggenomen voorwerpen

- beveelt de verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten: een fiets;


opheffing bevel voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.



Dit vonnis is gewezen door mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper, voorzitter, mr. F. van der Maden en mr. S. Taalman, rechters, in tegenwoordigheid van H.J.A. Teerlink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2015.

















Bijlage bewijsmiddelen


Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.


Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer PL0600-2014245682. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.


1.

het proces-verbaal aangifte [slachtoffer] van 30 december 2014 met bijlage(n), pagina 21 t/m 24, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangeefster:


“(…) Ik heb omstreeks 14 uur geld opgenomen bij de SNS bank aan de Stromarkt te Deventer. Ik heb daar 500 euro opgenomen. (…) Ik heb het geld in mijn portemonnee gedaan en deze in mijn tas gestopt. (…) Ik ben door de Papenstraat gefietst. Ik voelde ter hoogte van nummer [nummer 1] een harde klap tegen mijn rug. Ik voelde dat ik hard tegen de grond viel en zag een manspersoon naast mij staan. Ik kan deze persoon als volgt omschrijven: (…) licht getinte huidskleur, (…) breed postuur, (…). Ik zag dat deze persoon direct naar mijn linker fietstas greep. Ik zag dat deze persoon mijn portemonnee meenam. Ik zag dat deze persoon op de fiets was. (…) Ik kan u zeggen dat de fiets die hier staat van de verdachte is. (…).”


2.

het proces-verbaal verhoor aangeefster [slachtoffer] van 31 december 2014, pagina 25 t/m 26, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangeefster:


“(…) In deze portemonnee zat verder een AH bonus kaart. (…) Ik voelde vervolgens in de Papenstraat ter hoogte van nummer [nummer 1] een harde duw met kracht tegen mijn rechterschouder. (…).”


3.

het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] van 31 december 2014, pagina 57 t/m 58, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van getuige:


“(…) Op dinsdag 30 december 2014 omstreeks 14:00 uur stond ik in de keuken van mijn woning. Op dat moment hoorde ik geschreeuw. (…) Ik ben vervolgens gelijk naar buiten gelopen. Daar zag ik een oudere vrouw en twee fietsen op de grond liggen. Ik zag dat een van deze fietsen een oude grijze fiets betrof. Ik zag dat de oudere vrouw bij de andere fiets lag. (…) Ik hoorde haar zeggen dat zij met haar fiets ten val was gebracht en dat zij beroofd was. Ik hoorde haar zeggen dat een jonge man zou zijn weggerend. (…) Ik hoorde haar zeggen dat de grijze fiets is achtergelaten door de verdachte. Tijdens dat ik bij deze vrouw stond zag ik een mobiele telefoon op de grond liggen. Ik zag dat deze telefoon grijs blauw gekleurd was. Ik zag dat deze telefoon vlak bij de oudere grijze fiets op de grond lag. (…).”


4.

het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2] van 6 januari 2015, pagina 65 t/m 66, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van getuige:


“(…) [verdachte] heeft een blauwe Samsung telefoon met het telefoonnummer 06-[telefoonnummer]. U toont mij een telefoon. Ik herken deze telefoon als de telefoon van [verdachte]. (…) Op dinsdag, 30 december 2014, tussen 12.00 en 13.30 uur, was [verdachte] bij ons aan de [adres 2] in Deventer. (…) Ik hoorde dat [verdachte] tegen zijn moeder zei: “Mama kom even naar buiten”. Ik zag aan zijn ogen dat [verdachte] gebruikt had. (…) [verdachte] gaf aan dat hij 60 euro wilde hebben. (…) Mijn vrouw vertelde mij kort daarop dat [verdachte] meteen zijn telefoon uit de jaszak van zijn zwarte jas pakte. Het is de telefoon welke u mij zojuist toonde. Verder vertelde mijn vrouw mij dat [verdachte] haar een bericht liet lezen in zijn telefoon. (…) Mijn vrouw heeft niet naar het bericht gekeken. (…) [verdachte] heeft tegen mijn vrouw gezegd dat hij schulden had en dat hij moest betalen. Mijn vrouw vertelde mij dat [verdachte] haastig op de fiets is gestapt en de stad is ingegaan, richting het centrum. De fiets waarop hij stapte was niet zijn eigen fiets. (…) Ik schat het tijdstip dat [verdachte] vertrok tussen 13.00 uur en 13.30 uur. (…)”


5.

het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 3] van 7 januari 2015, pagina 68 t/m 70, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van getuige:


“(…) V: Ik heb begrepen dat [verdachte] op dinsdag 30 december bij u is geweest. Wat kunt u hierover verklaren. A: Ja dat klopt. Omstreeks kwart over één (1) kwam [verdachte] bij ons. (…) [verdachte] zei dat hij 60 euro nodig had. (…) Hij zei toen dat ik eerst op zijn telefoon moest kijken en dat ik daarna maar moest bepalen of ik hem dat geld wel of niet zou geven. Ik wilde niet op zijn telefoon kijken. (…) Toen [verdachte] merkte dat ik hem geen geld wilde geven stapte hij op zijn fiets en reed hij weg. (…) Ik had deze fiets nog nooit bij hem gezien. (…).”


6.

het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 5] van 6 januari 2015, met bijlage(n), pagina 71 t/m 76, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van getuige:


“(…) Het nummer van [verdachte] is 06-[telefoonnummer]. (…) V: Wij tonen u een mobiele telefoon. Wat kunt u daarover zeggen. A: Dat is de telefoon van [verdachte]. (…) V: Wij tonen u een foto van een fiets. Wat kunt u daarover zeggen. A: Dit is de fiets welke [verdachte] gebruikt. Ik herken deze fiets als de dikke stang. Ik herken deze fiets omdat er geen fietsverlichting op zit. (…) Ik heb de fiets van deze foto eerder gezien en in de handen gehad. (…) In plaats van een koplamp zitten op deze plaats 2 metalen bevestigingsplaatjes. Dit zat op de stuurpin. (…).”


7.

het proces-verbaal verhoor getuige [getuige 4] van 15 januari 2015, met bijlage(n), voor pagina 79 t/m 84, zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van getuige:


“(…) Ik denk dat ik wel 3 of 4 bedreigende sms berichten naar [verdachte] heb gestuurd. U laat mij nu een tekst zien van een van deze berichten. “Kanker rat vandaag he. Ik zweer het op mijn kinderen mijn kinderen ik breek elk kanker botje in je lichaam”. Ja dat klopt, dit sms bericht heb ik hem gestuurd. Ik deed dat omdat ik mijn geld wil hebben van die klootzak. (…) V: Wat is het nummer van [verdachte]. A: 06-[telefoonnummer]. (…).”


8.

het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] van 28 januari 2015, met bijlage(n), pagina 87 t/m 89, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisant:


“(…) De getuige heeft de genoemde fiets en mobiele telefoon vervolgens verplaatst naar zijn woning en daaropvolgend overhandigd aan de ter plaatse gekomen politiesurveillance eenheid. Deze inbeslaggenomen fiets betreft een grijze damesfiets van het merk Gazelle, welke is voorzien van de nummers [nummer 2], [nummer 3]. De genoemde fiets en mobiele telefoon zijn vervolgens inbeslaggenomen en voor nader onderzoek naar het bureau van politie aan de Storminkstraat te Deventer overgebracht. Tijdens het telefoononderzoek belde een man en een vrouw naar het telefoonnummer 06-[telefoonnummer] van de genoemde inbeslaggenomen Samsung mobiele telefoon. (…) Het telefoonnummer bleek volgens deze vrouw te zijn van [verdachte]. (…) De genoemde aangetroffen fiets kon door de Forensische Opsporing nader onderzocht worden met betrekking tot DNA. (…).”


9.

het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] van 16 februari 2015, met bijlage(n), pagina 137 t/m 138, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisant:


“(…) Uit het logrolonderzoek blijkt dat aangeefster op 30 december 2014 om 13:44:41 uur is aangevangen om handelingen te verrichten met betrekking tot het opnemen van een geldbedrag bij de genoemde SNS geldautomaat aan de Stromarkt te Deventer. Vervolgens heeft de aangeefster een geldbedrag van 500 euro opgenomen van haar bankrekening bij deze genoemde geldautomaat en zijn de handelingen van de aangeefster om 13:45:36 uur daaropvolgend gestopt. (…) Uit het logrolonderzoek blijkt dat na de aangeefster de volgende persoon op 30 december 2014 om 13:46:11 uur met een bankpas handelingen heeft verricht op deze genoemde geldautomaat van de SNS bank. Er is volgens de logrolgegevens bij deze handeling gepoogd een geldbedrag van 250 euro op te nemen wat echter niet gelukt is en de transactie om 13:46:42 uur daaropvolgend is gestopt. Dit blijkt te hebben plaatsgevonden met een bankpas waarvan het rekeningnummer [rekeningnummer] is. (…) Naar aanleiding van een vordering verstrekking identificerende gegevens ex artikel 126 nc van het Wetboek van strafvordering blijkt dat het genoemde rekeningnummer [rekeningnummer] toebehoort aan [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1977 en als adres opgevende [adres 3]. (…) Er bleken geen meldingen/aangifte van diefstal/verlies/aantreffen van de betreffende bankpas van het genoemde rekeningnummer van [verdachte] gedaan te zijn. (…).”


10.

het proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte] van 14 januari 2015, pagina 163 t/m 167, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:


“(…) Mijn bankrekeningnummer is: [rekeningnummer] ABN AMRO. (…) Vervolgens ben ik omstreeks 14.00 naar de Dirk van den Broek gegaan aan het Broederenplein te Deventer. Ik denk dat ik daar was tussen 14.00 uur en 14.30 uur. Ik heb daar toen een krat Grolsch gekocht en een pakje sigaretten. (…).”

11.

het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] van 19 maart 2015, met bijlage(n), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisant:


“(…) Naar aanleiding van een verzoek van een verzoek van de zaaksofficier van justitie mr. Jongtien zijn op verzoek van de advocaat Maarsingh foto printen gemaakt van de genoemde camerabeelden. Dit betreffen de camerabeelden van 30 december 2014 om: 14.02.21 rechtercamera, 14.02.34 rechtercamera, 14.02.36 linkercamera, 14.04.10 rechtercamera. (…) Bij het bekijken van deze genoemde tijdstippen van de camerabeelden herkende ik verbalisant [verbalisant] de verdachte [verdachte] als de persoon welke via de buitenzijde de in/uitgang de Dirk van den Broek inloopt en daaropvolgend met een krat vermoedelijk drank de genoemde Dirk uitloopt. (…) Na overleg met de zaaksofficier van justitie mr. Jongtien is een overzicht gemaakt met betrekking tot een plattegrond van het plaats delict, de door de aangeefster opgegeven weglooprichting van de verdachte na deze diefstal met geweld en de route naar de genoemde supermarkt Dirk van den Broek aan het Broederenplein 5 te Deventer. Hierbij zijn twee routes met tijdsindicatie (dit betreffen wandelloop routes) bijgevoegd. Dit betreft een (wandel) looproute vanaf het plaats delict aan de Papenstraat ter hoogte van 56 te Deventer naar de genoemde supermarkt van de Dirk van Broek. Dit betreft een route van 400 meter welke 5 minuten zou duren. Dit betreft tevens een (wandel)looproute vanaf het Lindenplein te Deventer (weglooprichting) van de dader volgens de aangeefster) naar de genoemde supermarkt van de Dirk van Broek. Dit betreft een route van 500 meter welke 6 minuten zou duren. (…).”


12.

het forensisch DNA Rapport van 13 mei 2014, opgemaakt door Dr. M. Hidding en Dr. M.J. Blom, DNA-deskundige NRGD, voor zover inhoudende:


“(…) Ontvangen materiaal

Identiteitszegel Materiaal

[kenmerk] NGM DNA-profiel van [verdachte]

(…)

AAHJ30959NL#BC01 bemonstering handvat rechts

(…)


Onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek

Op 29 april 2015 is het DNA-referentieprofiel van [verdachte] ([kenmerk]) op het NFI handmatig vergeleken met het DNA-mengprofiel AAHJ3059NL#BC01 bemonstering handvat rechts.


Resultaten en conclusies

(…)

AAHJ3059NL#BC01 bemonstering handvat rechts

(…) De DNA-kenmerken van [verdachte] ([kenmerk]) komen ook voor in het DNA-mengprofiel. Het celmateriaal bevat dus voor een deel DNA dat afkomstig kan zijn van [verdachte] ([kenmerk]). Een standaard statistische evaluatie van deze conclusie is niet mogelijk, maar het is wel mogelijk om op basis van een aanvullende statistische software (LRmix) een oordeel te formuleren over de wetenschappelijke bewijswaarde. Dit leidt tot een verbale kwalificatie van de onderzoeksresultaten in het licht van de volgende hypotheses over de herkomst van het DNA in de bemonstering.


Hypothese 1:

Het DNA in de bemonstering bestaat uit DNA dat afkomstig is van [verdachte] ([kenmerk]) en is vermengd met DNA van twee andere, niet verwante willekeurig gekozen onbekende personen.


Hypothese 2:

Het DNA in de bemonstering bevat geen DNA afkomstig is van [verdachte] ([kenmerk]), maar DNA van drie, niet verwante willekeurig gekozen onbekende personen.


De resultaten van DNA-onderzoek zijn veel waarschijnlijker als hypothese 1 waar is dan als hypothese 2 waar is.


Deze kwalificatie heeft een deels subjectief karakter en is gebaseerd op een aantal aannames over het aantal donoren en de complicerende neveneffecten die optreden bij het onderzoek aan minimale biologische sporen. (…).”