Rechtbank Overijssel, 22-05-2015 / 08/177199-12


ECLI:NL:RBOVE:2015:2822

Inhoudsindicatie
De rechtbank Overijssel veroordeelt twee broers uit Deventer tot een taakstraf van 100 uur wegens mishandeling van een buurman. Overschrijding redelijke termijn.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-05-22
Publicatiedatum
2015-06-11
Zaaknummer
08/177199-12
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht


Zittingsplaats Zwolle


Parketnummer: 08/177199-12

Datum vonnis: 22 mei 2015


Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:


[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats].


1Het onderzoek op de terechtzitting


Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 8 mei 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. G. Nijpels en van hetgeen door verdachte naar voren is gebracht.


2De tenlastelegging


De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: zich op 15 mei 2012 in Deventer schuldig heeft gemaakt aan het plegen van openlijk geweld tegen [slachtoffer 1] dan wel deze [slachtoffer 1] tezamen en in vereniging heeft mishandeld;

Feit 2: zich op 15 mei 2012 in Deventer schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer 2];

Feit 3: op 15 mei 2012 de autoruit van [slachtoffer 3] heeft vernield.


Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte – na wijziging tenlastelegging d.d. 8 mei 2015 – dat:


1.

hij op of omstreeks 15 mei 2012 in de gemeente Deventer, althans in Nederland,

met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, [adres 1], in elk

geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd

tegen [slachtoffer 1], welk geweld bestond uit

- een harde duw geven aan die [slachtoffer 1], waardoor die [slachtoffer 1] (met zijn achterhoofd)

op de grond is gevallen en/of

- het één of meermalen die [slachtoffer 1] in het gezicht, althans op het hoofd, stompen

en/of slaan en/of

- het één of meermalen die [slachtoffer 1] in zijn rug, althans op het lichaam, schoppen

en/of

- het één of meermalen die [slachtoffer 1] in het gezicht, althans op het hoofd,

schoppen;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat


hij op of omstreeks 15 mei 2012 in de gemeente Deventer, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1]), een harde duw heeft gegeven

en/of één of meermalen die [slachtoffer 1] in het gezicht, althans op het hoofd, heeft

gestompt en/of geslagen en/of één of meermalen die [slachtoffer 1] in zijn rug, althans

op het lichaam, heeft geschopt en/of één of meermalen die [slachtoffer 1] in het

gezicht, althans op het hoofd, heeft geschopt, waardoor voornoemde [slachtoffer 1]

letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;


2.

hij op of omstreeks 15 mei 2012 in de gemeente Deventer, althans in Nederland,

opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2]), bij haar haren heeft

vastgepakt en/of aan haar haren heeft getrokken en/of haar aan haar haren naar

de grond heeft getrokken en/of genoemde [slachtoffer 2] in het gezicht, althans op het

hoofd, heeft gestompt en/of geslagen, althans hard heeft geduwd waardoor [slachtoffer 2] op de grond is gevallen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;


3.

hij op of omstreeks 15 mei 2012 in de gemeente Deventer, althans in Nederland,

opzettelijk en wederrechtelijk een (auto)ruit en/of een (auto)spiegel, in elk

geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of

beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.


3De voorvragen


De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak.


Ontvankelijkheid in de vervolging


De rechtbank overweegt, voor zover betoogd door verdachte, hierover het volgende.


Redelijke termijn

In strafzaken kan op het aan de verdachte toegekende recht op berechting binnen een redelijke termijn inbreuk worden gemaakt door het tijdsverloop, te rekenen vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

De rechtbank is van oordeel dat in onderhavige zaak op 15 mei 2012 verdachte voor de eerste keer is verhoord op het politiebureau te Deventer en dat vanaf dat moment de redelijke termijn is gaan lopen. De zaak is vervolgens pas voor het eerst op 18 november 2014 bij de rechtbank aangebracht. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een ruime overschrijding van de redelijke termijn bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, maar hoeft dit volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad niet te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. De enkele omstandigheid dat het openbaar ministerie te Arnhem in een aantal andere strafzaken verdachten vooraf heeft aangekondigd ter terechtzitting de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie te zullen vorderen brengt niet mee dat het openbaar ministerie in het onderhavige geval niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, reeds omdat niet kan worden vastgesteld dat het gaat om vergelijkbare zaken op grond waarvan voor het openbaar ministerie enigerlei verder strekkende werking uitgaat. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat wat het openbaar ministerie ook in enig schrijven vooraf aan verdachten in zaken verwoordt, onverlet laat dat het oordeel over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging in een strafzaak uiteindelijk aan de rechter is. Ook in zoverre wordt het ontvankelijkheidsverweer dan ook verworpen.


Bijstand raadsman/vrouw verhoor

Met betrekking tot de bijstand van een advocaat bij het verhoor bij de politie overweegt de rechtbank dat verdachte zowel op 15 mei 2012 als op 16 mei 2012 afstand heeft gedaan van het recht op bijstand van een advocaat. Op pagina 22 van het dossier staat als verklaring van verdachte opgenomen: “Ik heb geen behoefte aan een advocaat.” Tijdens een verhoor op 16 mei 2012 (pagina 24 ev.) verklaart verdachte begrepen te hebben dat hij het recht heeft op een raadsman. Daarna antwoordt verdachte op de vraag van verbalisant of hij wil meewerken aan voortzetting van het verhoor aan dat hij niets aan zijn verklaring heeft toe te voegen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte op twee verschillende momenten niet heeft laten blijken dat hij bijstand wilde van een advocaat. De rechtbank verwerpt derhalve ook dit ontvankelijkheidsverweer.


De rechtbank heeft gelet op het hiervoor overwogene vastgesteld dat dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.


4De beoordeling van het bewijs


Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.


4.1

Het standpunt van de officier van justitie.


De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair, 2 en 3 (met uitzondering van de autospiegel) ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.


4.2

Het standpunt van de verdediging


De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard [slachtoffer 2] niet te hebben mishandeld en de autospiegel niet te hebben vernield.


4.3

De bewijsoverwegingen van de rechtbank


Met betrekking tot het onder 1 primair ten laste gelegde.


Uit de bewijsmiddelen kan naar het oordeel van de rechtbank het volgende worden vastgesteld. Op dinsdag 15 mei 2012 is er aan de openbare weg onenigheid ontstaan tussen de familie van verdachte, [naam familie], en de familie [slachtoffer 1] aan [adres 1] te Deventer. Op enig moment is [medeverdachte], de broer van verdachte (tevens medeverdachte), op [slachtoffer 1] af gelopen en heeft hij [slachtoffer 1] een harde duw gegeven waardoor deze ten val is gekomen. [medeverdachte] en [slachtoffer 1] raakten in gevecht waarbij [medeverdachte] [slachtoffer 1] heeft geslagen en geschopt. [medeverdachte] is op [slachtoffer 1] gaan zitten. [slachtoffer 1] is tijdens deze worsteling in het gezicht en op het lichaam geraakt. Vervolgens is verdachte is erbij gekomen en heeft ook hij geweld jegens [slachtoffer 1] uitgeoefend door [slachtoffer 1] te schoppen.


De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair ten laste gelegde.


Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde.


In de aangifte van [slachtoffer 2] staat – kort gezegd – opgenomen dat verdachte haar bij haar haren zou hebben gepakt en naar de grond zou hebben getrokken. Daarna zou verdachte mevrouw [slachtoffer 2] in haar gezicht hebben geslagen. Buiten de aangifte van [slachtoffer 3] is in het dossier onvoldoende ondersteuning voorhanden voor het tenlastegelegde waardoor de rechtbank van oordeel is dat sprake is van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. De rechtbank zal verdachte ter zake dit feit vrijspreken.


Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde.


Aangever [slachtoffer 3] heeft aangifte gedaan van vernieling van zijn autoruit(en) en een spiegel van deze auto. Verdachte heeft bekend de autoruit te hebben vernield. Verdachte ontkent andere schade te hebben aangericht. Ook de officier van justitie is die opvatting toegedaan. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de autoruit heeft vernield zoals onder 3 ten laste is gelegd en spreekt verdachte vrij van het overige onder 3 tenlastegelegde.


4.4

De conclusie


De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 2 is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.


De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder 1 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


1. primair

hij op 15 mei 2012 in de gemeente Deventer, met een ander, aan de openbare weg, [adres 1], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1], welk geweld bestond uit

- een harde duw geven aan die [slachtoffer 1], waardoor die [slachtoffer 1] (met zijn achterhoofd)

op de grond is gevallen en

- het die [slachtoffer 1] in het gezicht, stompen en/of slaan en

- het die [slachtoffer 1] op het lichaam schoppen en

- het die [slachtoffer 1] in het gezicht schoppen;


3.

hij op 15 mei 2012 in de gemeente Deventer, opzettelijk en wederrechtelijk een (auto)ruit

toebehorende aan [slachtoffer 3], heeft vernield.


De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte 1 primair en 3 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.


5De strafbaarheid van het bewezenverklaarde


Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 141 en 350 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:


feit 1 primair

het misdrijf: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.


feit 3

het misdrijf: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat aan een

ander toebehoort, vernielen.


6De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.


7De op te leggen straf of maatregel


7.1

Het standpunt van de officier van justitie


De officier van justitie heeft op grond hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd een werkstraf op te leggen voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis met aftrek van de dagen doorgebracht in voorarrest. Voorts heeft hij gevorderd toewijzing van de civiele vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] tot een bedrag van € 80,- met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de benadeelde partij voor wat het overige niet ontvankelijk te verklaren.


7.2

Het standpunt van de verdediging


De verdachte heeft geen standpunt ingenomen met betrekking tot de strafmaat.


7.3

De gronden voor een straf of maatregel


Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.


Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachte broer schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging in vereniging jegens een buurman. Daarmee heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Daarnaast heeft verdachte ook een vernieling gepleegd. De rechtbank rekent dit verdachte aan.


Bij haar beslissing heeft de rechtbank acht geslagen op een uittreksel justitiële documentatie van verdachte d.d. 18 maart 2015.


Bij de strafoplegging houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening met de overschrijding van de redelijke termijn. Immers, sinds de aanhouding van de verdachte en het moment van de zitting is een periode van meer dan twee jaar verstreken. In casu gaat het niet om een complexe zaak en de termijnoverschrijding is niet aan enig handelen van verdachte te wijten. De officier van justitie heeft bij zijn eis rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank komt toch tot een lagere straf dan geëist, omdat zij de mishandeling van [slachtoffer 2] niet bewezen acht.


Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een werkstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, passend en geboden is.


8De schade van benadeelden


8.1

De vordering van de benadeelde partij


[slachtoffer 3], wonende te [adres 2], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 1.313,14, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit reparatiekosten van zijn personenauto. Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.


Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in de vordering deels ontvankelijk en is de vordering deels gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De benadeelde partij heeft in haar aangifte op 20 juli 2012 verklaard dat de schade is vergoed door de verzekering. Zij moest alleen een eigen bijdrage van € 80,- betalen. De rechtbank zal daarom het gevorderde deels toewijzen voor een bedrag van € 80,00, te vermeerderen met de van rechtswege verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om zijn stelling alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onaanvaardbare vertraging van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partij ten aanzien van het overig gevorderde niet-ontvankelijk zal verklaren. De benadeelde partij kan haar vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.





8.2

De schadevergoedingsmaatregel


De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in art. 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door feit 3 is toegebracht.


9De toegepaste wettelijke voorschriften


De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 22c, 22d, 27, 36f en 57 Sr.


10De beslissing


De rechtbank:


vrijspraak/bewezenverklaring

  • - verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
  • - verklaart bewezen, dat verdachte het onder 1 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
  • - verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair en 3 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- kwalificeert dit als hiervoor vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 primair en 3 bewezenverklaarde;


straf

  • - veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 100 (honderd) uren;
  • - beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 dagen;
  • - beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf voor de aftrek geldt, twee uren en per dag inverzekeringstelling;

schadevergoeding

  • - veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] van een bedrag van € 80,00 (vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 mei 2012);
  • - veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
  • - legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit 3 tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 80,00 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 1 dag zal worden toegepast,
  • - bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
  • - bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer 3] voor het overig gevorderde niet-ontvankelijk is in zijn vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.T.C. Jordaans, voorzitter, mr. T. Avedissian en

mr. E. Leentjes, rechters, in tegenwoordigheid van W. van Goor, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2015.



Buiten staat

Mr. E. Leentjes is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen


Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.


Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie IJsselland, recherche Deventer, met nummer PL04DD 2012065413. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.


Feit 1.


1.

Een proces-verbaal aangifte d.d. 17 juli 2012, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven, de verklaring van [slachtoffer 1]:

Ik ben op dinsdag 15 mei 2012, op het woonwagenkampje aan [adres 1] te Deventer, mishandeld door de broers [verdachte] en [medeverdachte]. (…)


2.

Een proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 15 mei 2012, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven, de verklaring van [slachtoffer 1]:

(…) Ik zag dat [medeverdachte] rechtstreeks naar mij toeliep. Onder het lopen gaf hij mij een harde duw waardoor ik achterover op de grond voel. Ik viel hard met mijn achterhoofd op de grond. (…) Dit deed behoorlijk pijn. (…) [medeverdachte] dook boven op mij. (…) Ik zag en voelde dat [medeverdachte] een paar keer probeerde te slaan. Hij raakte mij twee keer in het gezicht. (…) Ik voelde dat ik op dat moment twee of drie keer in de rug werd geschopt. Ik vermoed dat [verdachte] mij schopte. Het lukte mij uiteindelijk om [medeverdachte] om te draaien. Op dat zelfde moment voelde ik een schop tegen mijn achterhoofd. Dat deed behoorlijk pijn. (…) Ik draaide mijn hoofd om in de richting waar die schop weg kwam. Ik zag [verdachte] staan. Ik zag en voelde dat [verdachte] mij hard met een van zijn voeten hard in mijn gezicht schopte. Dit deed erg pijn. (…)


3.

Een proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 16 mei 2012, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven, de verklaring van [medeverdachte]:(…) Toen die middag na enige tijd de buurman [slachtoffer 1] terug kwam begon hij mijn vader uit te dagen. (…) uiteindelijk ben ik toen zelf naar buiten gelopen om hem daar op aan te spreken. (…) Ik heb hem toen beetgepakt om te voorkomen dat de rollen andersom zouden draaien. Ik ben dus als eerste begonnen met het toepassen van fysiek geweld. (…) Ik heb hem daarna beetgepakt en wij zijn met elkaar aan het stoeien geraakt. (…) Ik versta daaronder dat wij elkaar behoorlijk hebben geslagen en geschopt. (…) Toen wij aan het vechten waren kwamen [slachtoffer 1] en ik op de grond te vallen. [slachtoffer 1] kwam daardoor onder mij te liggen. (…)


4.

Een proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 16 mei 2012, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven, de verklaring van [verdachte]:

(…) Mijn broer [medeverdachte] en [slachtoffer 1] kwamen in een handgemeen terecht en kwamen daarbij op de grond te vallen. Van beide kanten is toen gevochten en daarbij is door beiden geslagen en geschopt. (…) [slachtoffer 1] probeerde mijn broer [medeverdachte] nog te schoppen en ik zag dat, waarop ik, toen [slachtoffer 1] zo op de grond lag, geschopt. Ik raakte hem in het gezicht. (…)


5.

Een proces-verbaal aangifte d.d. 23 juli 2012, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven, de verklaring van [slachtoffer 2]:

(…) Ik zag dat [medeverdachte] [slachtoffer 1] een duw gaf waardoor [slachtoffer 1] op de grond viel. [medeverdachte] ging boven op hem zitten. (…) Ik zag dat Henk [slachtoffer 1] enkele keren tegen het lichaam van [slachtoffer 1] schopte. [medeverdachte] sloeg [slachtoffer 1]. (…)


Feit 3.


6.

Een proces-verbaal aangifte d.d. 20 juli 2012, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven, de verklaring van [slachtoffer 3]:

Ik doe hierbij aangifte van (…) vernieling van mijn auto, merk BMW, kleur rood en gekentekend [kenteken], gepleegd op dinsdag 15 mei 2012 tussen 18.30 uur en 19.30 uur op het woonwagenkampje aan [adres 1] in Deventer. (…) Ik zag toen dat een van de broer [naam familie], in dit geval de minst dikke (opmerking verbalisant: Dit is [verdachte]) de voor- en zijruit van mijn auto insloeg. (…)


7.

De verklaring van verdachte [verdachte] ter terechtzitting d.d. 8 mei 2015, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

(…) Ik heb de auto van [slachtoffer 3] vernield op 15 mei 2012 te Deventer.(…) Ik heb de ramen kapot gemaakt. (…)

1 Aangifte [slachtoffer 3], pagina 67
2 Pagina 49-50
3 Pagina 51-53
4 Pagina 39-41
5 Pagina 24-27
6 Pagina 56-58
7 Pagina 66-67