Rechtbank Overijssel, 17-06-2015 / 08/171050 / KG ZA 15-148


ECLI:NL:RBOVE:2015:2898

Inhoudsindicatie
Kort geding. Beslag. De voorzieningenrechter heft het beslag op.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-06-17
Publicatiedatum
2015-06-17
Zaaknummer
08/171050 / KG ZA 15-148
Procedure
Kort geding
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht


Zittingsplaats Zwolle


zaaknummer / rolnummer: 08/171050 / KG ZA 15-148


Vonnis in kort geding van 17 juni 2015


in de zaak van


1[eiser 1],

2. [eiser 2],

beiden wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. H.M. van Eerten,


tegen


1[gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

niet verschenen,


en


2[gedaagde 2],

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. I.H. Grandjean,

gedaagden.


De verschenen partijen zullen hierna als [eisers] respectievelijk [gedaagde 2] worden aangeduid.



1De procedure


1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 6 mei 2015 met zestien producties;

- de brief van 1 juni 2015 van [gedaagde 2] met overlegging van zes producties;

- het e-mailbericht van [eisers] met overlegging van producties 17 en 18;

- de mondelinge behandeling op 3 juni 2015;

- de pleitaantekeningen van [eisers];

- de pleitnotities van [gedaagde 2].


1.2

Ten slotte is vonnis bepaald.



2De feiten


2.1

Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) betwist, mede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden bescheiden, het volgende vast.


2.2

[eisers] exploiteren samen met gedaagde sub 1 een boerenbedrijf, te weten een melkveehouderij en een vleesvarkensbedrijf. Zij doen dit in maatschapsverband. De maatschap is opgericht bij akte van 17 maart 1998. Het doel van de maatschap, zo blijkt uit artikel 1 van de maatschapsakte, is ‘de gezamenlijke uitoefening van het agrarisch bedrijf annex veehandelsbedrijf in de ruimste zin van het woord’. De maatschap is gevestigd te [plaats] aan de [adres] (hierna: de maatschap).


2.3

Gedaagde sub 1 en [gedaagde 2] zijn met elkaar gehuwd geweest. Uit dat huwelijk zijn vier kinderen voortgekomen. Bij beschikking van deze rechtbank van 9 maart 2015 is de echtscheiding tussen hen uitgesproken. Eerder, bij beschikking van 15 september 2014, heeft de rechtbank bij wege van voorlopige voorziening bepaald dat gedaagde sub 1 aan [gedaagde 2] een bedrag dient te voldoen van € 304,00 per kind per maand en € 656,00 per maand als bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de kinderen en van [gedaagde 2]. Bij beschikking van 22 april 2015 heeft de rechtbank met ingang van die datum de bijdrage per kind verlaagd vastgesteld op € 175,00 per maand.


2.4

Gedaagde sub 1 komt zijn alimentatieverplichting niet na. Om die reden heeft [gedaagde 2] op 14 april 2015 onder de coöperatieve melkfabriek FrieslandCampina executoriaal derdenbeslag gelegd, blijkens het deurwaardersexploit van 14 april 2015 ‘op alle voor zodanig beslag vatbare gelden, vorderingen, waardepapieren en/of roerende zaken (niet zijnde registergoederen), die de derde-beslagene onder zich heeft en/of uit een reeds nu bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zal verkrijgen van de schuldenaar (…)’ voor onder meer een hoofdsom van € 3.773,94 en een pro memoriepost van de alimentatie van € 1.886,97 per maand. Het exploit is op 20 april 2015 aan gedaagde sub 1 overbetekend.


2.5

FrieslandCampina heeft bij brief van 17 april 2015 aan gedaagde sub 1 laten weten dat executoriaal beslag is gelegd op de ledentegoeden en melkgelden. Daarnaast vermeldt zij ‘Met de prestatietoeslag die op 30 april op de vrije ledenrekening gestort wordt zullen wij € 4.143,373 (plus bijkomende rente) afdragen aan de beslaglegger. Daarnaast zal maandelijks met het melkgeld € 1.886,97 aan de beslaglegger afgedragen worden’.


3Het geschil


3.1

[eisers] vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I het in opdracht van [gedaagde 2] onder FrieslandCampina gelegde beslag van 14 april 2015 op te heffen, althans [gedaagde 2] te veroordelen tot een zodanige opheffing per ommegaande en wel op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag;

II subsidiair de door [gedaagde 2] ten laste van gedaagde sub 1 onder FrieslandCampina reeds verrichte en nog te verrichten executie te schorsen tot het moment waarop het aandeel van gedaagde sub 1 in de maatschap met [eisers] zal zijn vastgesteld en verdeeld, teneinde nadien alleen te vervolgen ten laste van het aldus vastgestelde eigen vermogen van gedaagde sub 1 onder FrieslandCampina;

III [gedaagde 2] te veroordelen om al hetgeen vanwege de beslaglegging onder FrieslandCampina ten nadele van [eisers] is ingehouden en/of nog zal worden ingehouden aan [eisers] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf heden;

IV [gedaagde 2] te verbieden om ten laste van gedaagde sub 1 opnieuw beslag te leggen onder FrieslandCampina zolang het aandeel van gedaagde sub 1 in de maatschap met [eisers] niet nader zal zijn bepaald en verdeeld;

V [gedaagde 2] te veroordelen in de kosten van deze procedure aan de zijde van [eisers]


3.2

Gedaagde sub 1 heeft verstek laten gaan.


3.3

[gedaagde 2] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.


3.4

Op de standpunten van partijen zal hierna nader worden ingegaan.


4De beoordeling


4.1

Tussen partijen bestaat overeenstemming over het feit dat gedaagde sub 1 is tekortgeschoten in de nakoming van zijn alimentatieverplichtingen jegens [gedaagde 2]. Dat [gedaagde 2] gerechtigd is executoriaal (derden)beslag te leggen ter incassering van de verschuldigde alimentatie staat evenmin ter discussie.


4.2

[eisers] hebben – kort samengevat – aan hun vordering ten grondslag gelegd dat er executoriaal derdenbeslag is gelegd onder FrieslandCampina op vorderingsrechten (melkgeld en prestatietoeslag) waarvan de maatschap eigenaresse is en niet gedaagde sub 1 in privé. [gedaagde 2] is niet gerechtigd ter incassering van haar vordering op gedaagde sub 1 beslag te leggen op deze goederen die de maatschap toekomen zolang [gedaagde 2] geen vordering ter bepaling van het aandeel van gedaagde sub 1 in de maatschap en ter verdeling van de maatschap heeft ingesteld.


4.3

[gedaagde 2] heeft aangevoerd dat overige doeltreffende beslagobjecten ontbreken en dat om die reden beslag is gelegd onder FrieslandCampina. FrieslandCampina heeft een derdenverklaring opgesteld en daaruit blijkt dat het beslag onder meer doel heeft getroffen op een rekening die gedaagde sub 1 aanhoudt bij FrieslandCampina, de vrije ledenrekening. [gedaagde 2] betwist dat het tegoed dat op deze rekening staat aan de maatschap toekomt. Subsidiair heeft [gedaagde 2] zich beroepen op artikel 3:175, derde lid, BW op grond waarvan zij als schuldeiseres een aandeel in een gemeenschappelijk goed kan uitwinnen.


4.4

De voorzieningenrechter overweegt dat het geschil tussen partijen een executiegeschil betreft. Aan de orde is de vraag of het executoriaal derdenbeslag dient te worden opgeheven op de grond dat beslag is gelegd op een vorderingsrecht van de maatschap zoals [eisers] stellen. De voorzieningenrechter overweegt dat het uiteindelijk aan de bodemrechter is om vast te stellen wie eigenaar is van het vorderingsrecht. In deze procedure komt het erop aan of [eisers] in voldoende mate aannemelijk hebben gemaakt dat niet gedaagde sub 1 maar de maatschap eigenaar is van de beslagen goederen.


4.5

De vorderingsrechten waarop beslag is gelegd onder FrieslandCampina betreffen de betaling van melkgeld, de uitkering van prestatietoeslag en het tegoed op de vrije ledenrekening, waarbij de voorzieningenrechter erop wijst dat er een discrepantie bestaat tussen hetgeen FrieslandCampina vermeldt op de verklaring derde-beslagene (getekend 17 april 2015) en haar brief van 17 april 2015 zoals vermeld in de vaststaande feiten onder 2.5. In de derdenverklaring vermeldt FrieslandCampina dat aan de schuldenaar een maandelijks bedrag aan melkgeld is verschuldigd en daarnaast ‘ledenobligaties’. Blijkens de brief van 17 april 2015 houdt FrieslandCampina het er ook voor dat zij schuldenaar is van gedaagde sub 1 voor wat betreft het tegoed op de vrije ledenrekening.


4.6

[gedaagde 2] erkent dat het melkgeld een vordering is van de maatschap op FrieslandCampina zoals [eisers] stellen. Zij kan derhalve dit goed niet uitwinnen ter incasso van haar vordering op gedaagde sub 1, zij het dat [gedaagde 2] het subsidiaire standpunt heeft ingenomen dat zij als schuldeiseres van een deelgenoot het aandeel van die deelgenoot in een gemeenschappelijk goed kan uitwinnen.


4.7

[eisers] hebben ter zitting toegelicht dat de prestatietoeslag een toeslag is op het melkgeld. In april van ieder jaar vindt een nabetaling plaats door FrieslandCampina op het melkgeld. De hoogte van deze nabetaling is afhankelijk van de hoeveelheid en de kwaliteit van de geleverde melk, maar is ook mede afhankelijk van de resultaten van FrieslandCampina. Deze toelichting is door [gedaagde 2] niet bestreden. Omdat de prestatietoeslag daarmee eveneens afhankelijk is van de uitgevoerde werkzaamheden in maatschapsverband, moet er voorshands van worden uitgegaan de prestatietoeslag evenzeer tot de vorderingsrechten van de maatschap op FrieslandCampina behoort. Bijgevolg kan [gedaagde 2] evenmin dit goed uitwinnen ter incasso van haar vordering.


4.8

Volgens [gedaagde 2] is er niettemin een goed aanwezig onder FrieslandCampina waarop zij rechtmatig beslag heeft kunnen leggen, nu dat goed aan gedaagde sub 1 in privé toebehoort - althans het tegendeel van die stelling is niet bewezen aldus [gedaagde 2]. Het betreft het tegoed dat op de vrije ledenrekening staat. Uit een afschrift van 25 maart 2015 dat door FrieslandCampina bij de derdenverklaring is overgelegd, blijkt dat het gaat om een rekeningcourantverhouding die op naam van gedaagde sub 1 in privé staat – en dus niet op naam van de maatschap – en waar een uniek lidnummer aan is toegekend. Met deze stellingname gaat [gedaagde 2] er echter aan voorbij dat uit productie 17 van de zijde van [eisers] blijkt dat de vrije ledenrekening wordt ‘gevoed’ door de prestatietoeslag. Van die prestatietoeslag is, zoals hiervoor is vermeld, niet bestreden dat deze onderdeel uitmaakt van de vorderingsrechten van de maatschap op FrieslandCampina. Daarnaast vermeldt het rekeningafschrift een tegenrekening bij de Rabobank, waarvan vaststaat dat dit niet de bankrekening is van gedaagde sub 1. Volgens [eisers] is dit de bankrekening van de maatschap, maar de juistheid van die stelling is niet geheel vast komen te staan omdat een deel van de tenaamstelling bij het printen is weggevallen. Feit is wel dat de vrije ledenrekening geen tegenrekening heeft die alleen op de naam van gedaagde sub 1 is gesteld en dat draagt bij aan de stelling van [eisers] dat het tegoed op de vrije ledenrekening aan de maatschap ten goede komt.


4.9

Het voorgaande overziende moet er voorshands van worden uitgegaan dat FrieslandCampina schuldenaar is van de maatschap. In zoverre heeft [gedaagde 2] ten onrechte beslag gelegd op deze vorderingsrechten.


4.10

Subsidiair heeft [gedaagde 2] zich beroepen op artikel 3:175, derde lid, BW, waarin is bepaald dat de schuldeisers van een deelgenoot het aandeel van de betreffende schuldenaar in een gemeenschappelijk goed kunnen uitwinnen. [gedaagde 2] miskent daarbij echter dat een maatschap een bijzondere gemeenschap is als bedoeld in afdeling 2 van titel 3.7 BW. Op de bijzondere gemeenschap zijn de bepalingen van afdeling 1 van Titel 3.7 BW slechts van toepassing voor zover daarvan in afdeling 2 niet wordt afgeweken (3:189, tweede lid, BW). Een bijzondere gemeenschap bestaat uit het afgescheiden vermogen van de deelgenoten. Schuldeisers van de gemeenschap kunnen zich op de goederen die aan de gemeenschap toebehoren, verhalen. Dat geldt niet voor schuldeisers van de deelgenoten in privé. Zij kunnen volgens artikel 3:190, eerste lid, BW een aandeel in een tot een bijzondere gemeenschap behorend goed slechts afzonderlijk uitwinnen indien zij daarvoor de – hier ontbrekende – toestemming hebben van de overige deelgenoten. Daarmee wordt van artikel 3:175 BW afgeweken en ontvalt aan het subsidiaire standpunt van [gedaagde 2] een rechtsgrond. Zij kan wel beslag leggen op het aandeel van gedaagde sub 1 in de gemeenschap, maar dat heeft zij niet gedaan. Conversie van beslag op een gemeenschappelijk goed in beslag op een aandeel in de gemeenschap is niet mogelijk (HR 30 maart 2001, NJ 2002, 380).


4.11

De conclusie uit het voorgaande is dat het beslag onrechtmatig is en daarom moet worden opgeheven. Het onder I. gevorderde leent zich daarom voor toewijzing. Het onder II. subsidiair gevorderde behoeft geen bespreking meer.


4.12

[eisers] hebben voorts gevorderd dat [gedaagde 2] wordt veroordeeld tot terugbetaling aan [eisers] van al hetgeen vanwege de beslaglegging onder FrieslandCampina is ingehouden. Dat betreft een geldvordering. Voor de toewijsbaarheid van een geldvordering in kort geding gelden de volgende drie voorwaarden:

a. er moet een spoedeisend belang bij een onmiddellijke voorziening zijn;

b. het bestaan van de vordering moet voldoende aannemelijk zijn;

c. in de afweging van de belangen van partijen moet het restitutierisico worden betrokken.


4.13

De voorzieningenrechter zal dit deel van de vordering afwijzen. Op de eerste plaats hebben [eisers] niets gesteld omtrent het spoedeisende belang bij de terugbetaling door [gedaagde 2]. Op de tweede plaats heeft de beslaglegging plaatsgevonden ter incassering van hetgeen gedaagde sub 1 aan [gedaagde 2] verschuldigd is aan bijdragen in de kosten van het levensonderhoud. Dat belang is op voorhand als zwaarwegend in te schatten. [eisers] hebben daartegenover geen (zwaarder wegend) belang gesteld op grond waarvan de belangenafweging in hun voordeel dient uit te vallen.


4.14

Tot slot hebben [eisers] gevorderd dat het [gedaagde 2] wordt verboden opnieuw beslag te leggen onder FrieslandCampina zolang het aandeel van gedaagde sub 1 in de maatschap met [eisers] niet nader zal zijn bepaald en de maatschap zal zijn verdeeld. De voorzieningenrechter zal dat deel van de vordering, gelet op het ontbreken van een op dit punt toegesneden verweer, deels toewijzen onder de volgende overwegingen. Zoals is overwogen onder 4.4 komt het in deze procedure (opheffing van beslag) aan op de vraag of voldoende aannemelijk is geworden dat beslag is gelegd op een goed waarvan de maatschap eigenaresse is. Het is niet uitgesloten dat in een later stadium toch blijkt dat zich onder de derdebeslagene goederen bevinden die uitsluitend aan gedaagde sub 1 toebehoren. Toewijzing van het gevorderde zou dan in strijd zijn met het uitgangspunt dat onder 4.1 is geformuleerd. De voorzieningenrechter zal [gedaagde 2] daarom verbieden beslag te leggen onder FrieslandCampina op vorderingsrechten die aan de maatschap toebehoren.


4.15

Art. 237 lid 1 Rv verwoordt de hoofdregel omtrent de proceskostenveroordeling: de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, wordt in de kosten veroordeeld. Gelet op de omstandigheid dat beide partijen deels in het ongelijk zijn gesteld en gelet op de (gewezen) familierelatie tussen partijen ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de proceskosten tussen partijen te compenseren op die manier dat iedere partij de eigen kosten draagt.



5De beslissing in kort geding


De voorzieningenrechter:


5.1

heft het in opdracht van [gedaagde 2] onder FrieslandCampina gelegde beslag van 14 april 2015 op;


5.2

verbiedt [gedaagde 2] beslag te leggen onder FrieslandCampina op vorderingsrechten die aan de maatschap toebehoren;


5.3

compenseert de proceskosten tussen partijen op die manier dat iedere partij de eigen kosten draagt;


5.4

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;


5.5

wijst af het meer of anders gevorderde.


Aldus gewezen door mr. M.H.S. Lebens - de Mug, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2015, in tegenwoordigheid van de griffier. (CT)