Rechtbank Overijssel, 11-06-2015 / C/08/172001 / KG ZA 15-183


ECLI:NL:RBOVE:2015:2906

Inhoudsindicatie
Opheffing beslag. Voldoende aannemelijk is dat de goederen waarop beslag is gelegd aan een ander toebehoren. Voorschot schadevergoeding afgewezen.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-06-11
Publicatiedatum
2015-06-18
Zaaknummer
C/08/172001 / KG ZA 15-183
Procedure
Kort geding
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht


Zittingsplaats Almelo


zaaknummer: C/08/172001 / KG ZA 15-183

datum vonnis: 11 juni 2015


Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:


1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres 1],

verder te noemen [eiseres 1],

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres 2][eiseres 2],

verder te noemen [eiseres 2],

gevestigd te [vestigingsplaats],

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres 3],

verder te noemen [eiseres 3],

gevestigd te [vestigingsplaats],

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres 3][eiseres 3],

verder te noemen [eiseres 4],

gevestigd te [vestigingsplaats],

5. [eiser 5],

wonende te [woonplaats],

verder te noemen [eiser 5],

eisers,

advocaat: mr. M.F. Admiraal te Enschede,


tegen


de rechtspersoon naar Pools recht

ISD Huta Czestochowa Spolka z Organiczona Odpowiedzialnoscia,

gevestigd te Czestochowa (Polen),

gedaagde,

verder te noemen ISD Huta,,

advocaat: mr. M.B. Chylinska te Haarlem.


1Het procesverloop


1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - de dagvaarding met 8 producties,
  • - productie 9 aan de zijde van eisers,
  • - de mondelinge behandeling op 1 juni 2015,
  • - de pleitnota aan de zijde van ISD Huta.

1.2

Het vonnis is bepaald op vandaag.


2De feiten


2.1

Bij beschikkingen van 2 december 2014 heeft deze rechtbank aan ISD Huta verlof verleend tot tenuitvoerlegging van een tweetal beslissingen van een Poolse rechter, waarbij [eiseres 1] is veroordeeld tot betaling van een geldsom van in hoofdsom PLN 150.290,75 en PLN 17.046,88, vermeerderd met de rente. Omgerekend gaat het om een totaalbedrag van ongeveer € 40.000,00 in hoofdsom.


2.2

ISD Huta heeft [eiseres 1] gesommeerd tot betaling over te gaan. [eiseres 1] heeft niet betaald.


2.3

Op 29 april 2015 heeft ISD Huta onder meer executoriaal beslag gelegd op roerende zaken die zich bevonden op het adres van [eiseres 1], te weten de [adres] te [plaats]. Op dit adres zijn ook de overige eisers gevestigd c.q. woonachtig.


3Het geschil


3.1

Eisers vorderen dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, het op 29 april 2015 gelegde beslag opheft en ISD Huta veroordeelt tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding van € 2.143,75. Tevens vorderen eisers veroordeling van ISD Huta in de kosten van deze procedure en de nakosten.


3.2

Eisers stellen daartoe -kort gezegd- dat een groot aantal van de beslagen goederen in eigendom toebehoren aan anderen dan [eiseres 1]. Nu een schuldeiser zich niet kan verhalen op goederen van anderen dan zijn schuldenaar, dient het gelegde beslag te worden opgeheven. ISD Huta houdt het beslag op onrechtmatige wijze in stand en moet derhalve de schade vergoeden die eisers daardoor lijden.


3.3

ISD Hutu voert verweer. Op dit verweer wordt hierna -voor zover van belang- nader ingegaan.


4De beoordeling


4.1

Ingevolge artikel 3:276 BW kan een schuldeiser zijn vordering op alle goederen van zijn schuldenaar verhalen tenzij de wet of een overeenkomst anders bepaalt.


4.2.

Bij de beoordeling van de vordering van eisers tot opheffing van het beslag gaat het in het kader van dit kort geding erom of, voorshands, voldoende aannemelijk is dat de goederen waarop door ISD Huta beslag is gelegd aan een ander dan [eiseres 1] toebehoren.


4.3

ISD Huta stelt dat de beslagen zaken zich bevinden op het adres waar [eiseres 1] is gehuisvest, waardoor [eiseres 1] wordt vermoed eigenaar te zijn van deze zaken, tenzij het tegendeel wordt bewezen. De voorzieningenrechter volgt ISD Huta hierin voorshands niet.

Tussen partijen is immers niet in geschil dat [eiseres 2], [eiseres 3] en [eiseres 4] op hetzelfde adres zijn gehuisvest als [eiseres 1] en [eiser 5] aldaar woonachtig is. Gesteld noch gebleken is dat de ruimtes waar de beslagen zaken zich bevonden, (exclusief) worden gebruikt door [eiseres 1].


4.5

Nu niet kan worden uitgegaan van het vermoeden dat [eiseres 1] eigenaar is van de beslagen zaken die zich in een door haar gebruikt pand bevinden, is het aan de beslaglegger om aannemelijk te maken dat de beslagen zaken toebehoren aan [eiseres 1]. ISD Huta heeft daartoe naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende gesteld. Zij heeft slechts gewezen op het feit dat het beslag zeer omvangrijk is en dat nader onderzoek nodig is om aan te tonen welke zaken wel en niet onder het beslag vallen.


4.6

[eiseres 1] heeft daarentegen gesteld dat zij binnen het concern als inkoop-B.V. fungeert voor goederen van buiten de EU. Deze goederen worden volgens haar bij bestelling steeds intern doorverkocht -doorgaans aan [eiseres 2]- met een opslag voor [eiseres 1]. De voorzieningenrechter overweegt dat deze stellingen worden onderbouwd door de door [eiseres 1] overgelegde stukken. De deurwaarder heeft aan het onderhavige proces-verbaal van inbeslagname een lijst gehecht met roerende zaken die in beslag zijn genomen. Daarnaast heeft de deurwaarder 18 foto’s van de beslagen zaken genomen en deze digitaal opgeslagen. De door [eiseres 1] overgelegde stukken, waaronder facturen, pakbonnen en rekeningafschriften, bevestigen naar het oordeel van de voorzieningenrechter de stellingen van [eiseres 1] en tonen aan dat (een groot deel van) de in beslag genomen goederen, zoals genoemd op voornoemde lijst van de deurwaarder, niet aan [eiseres 1] toebehoort. Ook uit de door [eiseres 1] overgelegde jaarstukken blijkt dat inventaris op de balans staat van [eiseres 2] en [eiseres 4] en dat zij daarop afschrijven. Bij [eiseres 1] staat daarentegen voor het laatst op 31 december 2005 inventaris en voorraad goederen op de balans. Dat deze jaarstukken niet zijn gecontroleerd door een accountant en zijn opgemaakt door gegevens die eisers zelf hebben aangeleverd, zoals ISD Huta ter zitting heeft betoogd, doet -wat hier ook van zij- hieraan niet af. Deze stukken zijn immers ruim voordat het onderhavige beslag werd gelegd opgemaakt, zodat de voorzieningenrechter thans uitgaat van de juistheid van de in de jaarstukken verstrekte informatie.


4.7

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter volgt uit het voorgaande dat ISD Huta er, mede in het licht van hetgeen [eiseres 1] gemotiveerd heeft gesteld, onvoldoende in is geslaagd aannemelijk te maken dat de beslagen zaken toebehoren aan [eiseres 1]. Aldus is er onvoldoende reden voor handhaving van het beslag. Gelet hierop behoeft de stelling van [eiseres 1] dat ISD Huta niet ex artikel 449 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) binnen de termijn van drie dagen na betekening van het proces-verbaal de dag en het uur van de verkoop heeft aangezegd, -wat hier ook van zij- geen bespreking meer.


4.8

Ten aanzien van de vordering van eisers tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding uit hoofde van onrechtmatige daad van ISD Huta jegens hen overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Deze vordering strekt tot betaling van een geldsom.




Voor toewijzing van een geldvordering in kort geding is slechts plaats indien het bestaan van de vordering voldoende aannemelijk is en daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl in de afweging van belangen van partijen mede betrokken dient te worden het risico van onmogelijkheid tot terugbetaling.


4.9

Gesteld noch gebleken is dat sprake is van feiten of omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Bovendien is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in deze procedure onvoldoende aannemelijk geworden dat in een bodemprocedure een vordering tot betaling van schadevergoeding zal worden toegewezen en zo ja, tot welk bedrag. Eisers hebben in dit verband enkel een opdrachtbevestiging en emailcorrespondentie overgelegd waaruit volgens hen blijkt dat zij opnieuw bestellingen hebben geplaatst. ISD Huta heeft bestreden dat eisers schade hebben geleden door het onderhavige beslag. De voorzieningenrechter is van oordeel dat eiseres thans met de door hen overgelegde stukken onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij schade hebben geleden door het onderhavige beslag (nog los van de vraag wie deze schade dan heeft geleden) en wat de omvang van deze schade is. Met inachtneming van het onder rechtsoverweging 4.8 geformuleerde criterium leidt het voorgaande tot de slotsom dat de vordering van eisers tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding dient te worden afgewezen.


4.10

Aangezien partijen over en weer in het gelijk en ongelijk zijn gesteld, ziet de voorzieningenrechter aanleiding de proceskosten te compenseren.


5De beslissing


De voorzieningenrechter:


I. Heft op het door ISD Huta op 29 april 2015 ten laste van [eiseres 1] gelegde beslag op de roerende zaken die zich ten tijde van de beslaglegging bevonden op de [adres] te [plaats];


II. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;


III. Compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;


IV. Wijst af het meer of anders gevorderde.



Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. A.E. Zweers, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 juni 2015, in tegenwoordigheid van de griffier.