Rechtbank Overijssel, 21-01-2015 / 08/955317-14


ECLI:NL:RBOVE:2015:303

Inhoudsindicatie
De rechtbank Overijssel veroordeelt een 77-jarige autobestuurder uit Rijssen tot een boete van 500 euro wegens het veroorzaken van een ongeluk in Rijssen waarbij hij een jong meisje op de fiets aanreed. De man verklaarde dat hij wilde remmen en dat zijn voet van het rempedaal schoot en op het gaspedaal kwam. De man krijgt ook een voorwaardelijke rijontzegging van 3 maanden opgelegd, met een proeftijd van 2 jaar. Als gevolg van dat verkeersongeval heeft het meisje, toen 7 jaar oud, levensbedreigend zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Een strafoplegging, in welke vorm of omvang dan ook, zal dit leed niet ongedaan kunnen maken. Strafoplegging dient echter te geschieden, niet alleen met inachtneming van de, in dit geval zeer ernstige, gevolgen van de gemaakte verkeersfout, maar ook en vooral afgezet te worden tegen de ernst van de gemaakte verkeersfout en de mate van schuld daaraan van verdachte. In deze zaak acht de rechtbank niet bewezen dat de verkeersfout een misdrijf oplevert en moet er in de strafmaat rekening mee worden gehouden dat een verkeersfout in de vorm van een overtreding is gemaakt. De rechtbank benadrukt dat dit niet afdoet aan de erkenning van de grove ernst van het letsel dat het slachtoffer door het ongeval is toegebracht.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-01-21
Publicatiedatum
2015-01-21
Zaaknummer
08/955317-14
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht


Zittingsplaats Almelo


Parketnummer: 08/955317-14

Datum vonnis: 21 januari 2015


Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:


[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1937 in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats].


1Het onderzoek op de terechtzitting


Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

7 januari 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. E. Agelink en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. L.J. Eshuis-Nijmeijer, advocaat te Wierden, naar voren is gebracht.


2De tenlastelegging


De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte (primair) op 16 mei 2014 in de gemeente Rijssen-Holten als bestuurder van een personenauto een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, waardoor fietser [slachtoffer] (zwaar) lichamelijk letsel is toegebracht, dan wel (subsidiair) dat verdachte op genoemde datum in de gemeente Rijssen-Holten de verkeersveiligheid in gevaar heeft gebracht waardoor hij in aanrijding is gekomen met fietser [slachtoffer].


Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:


hij op of omstreeks 16 mei 2014 in de gemeente Rijssen-Holten, als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Prins Frederik

Hendrikstraat, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk,

onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande

dat verdachte,


- terwijl ter plaatse op de kruising van de Prins Frederik Hendikstraat met

de Welleweg en/of de Wijnand Zeeuwstraat een rotonde was aangebracht, welke

rotonde een (verplicht) fietspad had, waarbij tussen en/of bij de afslagen van

die rotonde het (verplichte) fietspad van de rijstrook was gescheiden door

middel van een (aantal) verkeersgeleider(s), en/of


- terwijl hij, verdachte, een op het fietspad van de rotonde (voor hem)

rijdende fietser (fietsend meisje) wel (tijdig) had waargenomen, en/of


- ( daarbij) het door hem bestuurde motorrijtuig niet voortdurend onder

controle heeft gehad en/of in plaats van het rempedaal het gaspedaal heeft

ingedrukt, en/of

- ( daarbij) niet de voor hem, verdachte, bestemde rijstrook heeft gevolgd

en/of met het door hem bestuurde motorrijtuig geheel of gedeeltelijk op het

(verplichte) fietspad heeft gereden, en/of


- ( daarbij) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die

fietser, en/of


- ( vervolgens) gedurende enige tijd, tijdens en/of kort na (een aantal van) de

hierna beschreven handelingen, het motorrijtuig niet tot stilstand heeft

gebracht, althans niet adequaat heeft gereageerd en/of het motorrijtuig niet

onder controle heeft gekregen, en/of


- ( vervolgens) over een middengeleider is gereden, waarbij hij is gebotst

tegen, althans in aanrijding is gekomen met een markeringspaaltje, en/of


- ( vervolgens) zeven meters, althans een aantal meters is doorgereden en/op

met het motorrijtuig is doorgegleden, (waarbij de fietser is meegesleurd),

en/of


- ( vervolgens) met het door hem bestuurde motorrijtuig over die fietser heen

is gereden,


en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer])

zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat

daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale

bezigheden is ontstaan;


ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat


hij op of omstreeks 16 mei 2014 in de gemeente Rijssen-Holten, als bestuurder

van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Prins Frederik

Hendrikstr,


- terwijl ter plaatse op de kruising van de Prins Frederik Hendikstraat met

de Welleweg en/of de Wijnand Zeeuwstraat een rotonde was aangebracht, welke

rotonde een (verplicht) fietspad had, waarbij tussen en/of bij de afslagen van

die rotonde het (verplichte) fietspad van de rijstrook was gescheiden door

middel van een (aantal) verkeersgeleider(s), en/of


- terwijl hij, verdachte, een op het fietspad van de rotonde (voor hem)

rijdende fietser (fietsend meisje) wel (tijdig) had waargenomen, en/of


- ( daarbij) het door hem bestuurde motorrijtuig niet voortdurend onder

controle heeft gehad en/of in plaats van het rempedaal het gaspedaal heeft

ingedrukt, en/of


- ( daarbij) niet de voor hem, verdachte, bestemde rijstrook heeft gevolgd

en/of met het door hem bestuurde motorrijtuig geheel of gedeeltelijk op het

(verplichte) fietspad heeft gereden, en/of


- ( daarbij) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die

fietser, en/of


- ( vervolgens) gedurende enige tijd, tijdens en/of kort na (een aantal van) de

hierna beschreven handelingen, het motorrijtuig niet tot stilstand heeft

gebracht, althans niet adequaat heeft gereageerd en/of het motorrijtuig niet

onder controle heeft gekregen, en/of


- ( vervolgens) over een middengeleider is gereden, waarbij hij is gebotst

tegen, althans in aanrijding is gekomen met een markeringspaaltje, en/of


- ( vervolgens) zeven meters, althans een aantal meters is doorgereden en/op

met het motorrijtuig is doorgegleden, (waarbij de fietser is meegesleurd),

en/of


- ( vervolgens) met het door hem bestuurde motorrijtuig over die fietser heen

is gereden,


door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;


De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd.


3De vordering van de officier van justitie


De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf van 90 uren, te vervangen door 45 dagen vervangende hechtenis indien deze taakstraf niet of niet naar behoren wordt vervuld. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voorwaardelijk wordt ontzegd voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van twee jaren.


4De voorvragen


De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.





5De beoordeling van het bewijs


Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of het tenlastegelegde feit bewezenverklaard kan worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte het feit heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.


5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging


De officier van justitie heeft aangevoerd dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen, te weten dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig is geweest – nu hij zijn voertuig niet onder controle heeft gehad – waardoor het ongeval heeft plaatsgevonden, als gevolg waarvan zwaar lichamelijk letsel is toegebracht aan [slachtoffer].


De raadsvrouw van verdachte heeft bepleit dat haar cliënt integraal moet worden vrijgesproken omdat het ongeval hem niet kan worden verweten.


5.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank


Op 16 mei 2014 heeft in de gemeente Rijssen-Holten een aanrijding plaatsgevonden tussen verdachte als bestuurder van een personenauto en fietser [slachtoffer], ten gevolge waarvan laatstgenoemde (levensbedreigend) zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen.


Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het meisje (de fietser) had opgemerkt en wilde remmen, maar dat zijn voet van het rempedaal gleed en op het gaspedaal terechtkwam. Zijn auto schoot daarbij vooruit en schepte de fietser.


Volgens het proces-verbaal van de verkeersongevalsanalyse is de fietser aangereden op de fietsstrook, behorende bij de rotonde op de kruising tussen de Prins Frederik Hendrikstraat met de Welleweg en de Wijnand Zeeuwstraat. Verdachte heeft kennelijk de controle over het voertuig verloren, is rechtdoor gereden en in botsing gekomen met de fietser op het verplichte fietspad. Het voertuig reed daarbij over een verkeersgeleider, botste tegen een markeringspaaltje en kwam tot stilstand tegen de garage en gevel van een woning. De fietser is over een afstand van ruim zeven meter door het voertuig van verdachte over het wegdek geschoven en volledig overreden. Er zijn geen sporen aangetroffen die erop duiden dat hij heeft geremd. Ten slotte zijn er geen bijzonderheden geconstateerd met betrekking tot het voertuig, het wegdek of de (weers)omstandigheden.


Ten aanzien van de vraag of de fout van verdachte schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet oplevert, overweegt de rechtbank het volgende.


Gelet op het bepaalde in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) dient de rechtbank vast te stellen of de verdachte zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen. Enerzijds komt dit neer op de vaststelling van het gedrag van de verdachte en de beoordeling of en zo ja, in welke mate hij verwijtbaar heeft gehandeld. Anderzijds dient een causaal verband te worden vastgesteld tussen het gedrag van de verdachte en het verkeersongeval. Het bestanddeel “schuld” is in dit geval nader omschreven als “roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam”.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is niet in zijn algemeenheid aan te geven of

één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in de zin van

artikel 6 WVW 1994, maar komt het daarbij aan op het geheel van de gedragingen van

verdachte, de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de overige omstandigheden van het geval. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer worden afgeleid dat er sprake is van schuld in vorenbedoelde zin (HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822).


Voor de beoordeling van de vraag of verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, dient de rechtbank dus op grond van voormeld toetsingskader vast te stellen of de bewezen geachte feitelijke gedragingen, gegeven de aard en de ernst daarvan, en de overige omstandigheden, de conclusie kunnen rechtvaardigen dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994. Het gedrag van verdachte moet daarvoor worden afgemeten aan dat wat van een automobilist in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht. Die zorgplicht houdt mede in dat een bestuurder zijn voertuig onder controle houdt.

Verdachte heeft verklaard dat hij de fietser had opgemerkt, wilde remmen, maar dat zijn voet van het rempedaal afgleed en op het gaspedaal terecht kwam, waardoor zijn voertuig naar voren schoot. Van de schrik is het hem na het afglijden van zijn voet niet meer gelukt adequaat te handelen.

De rechtbank stelt voorop dat verdachtes handeling moet worden geduid als één enkele gedraging – te weten het geven van gas daar waar hij had willen remmen – met een reeks van gebeurtenissen tot gevolg waarop hij geen invloed meer heeft kunnen uitoefenen als gevolg de bij hem ontstane schrikreactie.

Bij gebreke van aannemelijk geworden disculperende omstandigheden ten aanzien van deze enkele gedraging (hierna: de fout), acht de rechtbank deze gedraging, anders dan de verdediging heeft gemeend, niettemin verwijtbaar.

Deze verwijtbare fout van verdachte is naar het oordeel van de rechtbank echter niet zodanige van aard, dat verdachte de fout in aanmerkelijke mate kan worden verweten. De rechtbank concludeert daarom dat geen sprake is geweest van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 en dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde.

De gedraging van verdachte leidt evenwel tot een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde, nu hij zijn auto niet onder controle heeft gehad, blijkende uit het feit dat hij in plaats van het rempedaal het gaspedaal heeft ingedrukt, waardoor hij gevaar op de weg heeft veroorzaakt.


De rechtbank hecht eraan ten overvloede te benadrukken dat de juridische vaststelling dat geen sprake is geweest van een aanmerkelijke verkeersfout, los moet worden bezien van de

– in deze zaak grove – ernst van het letsel dat het slachtoffer heeft opgelopen.


5.3

De conclusie


De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte primair is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.


De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij op 16 mei 2014 in de gemeente Rijssen-Holten, als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende op de Prins Frederik Hendrikstraat,

- terwijl ter plaatse op de kruising van de Prins Frederik Hendikstraat met de Welleweg en de Wijnand Zeeuwstraat een rotonde was aangebracht, welke rotonde een verplicht fietspad had, waarbij bij de afslagen van die rotonde het verplichte fietspad van de rijstrook was gescheiden door middel van verkeersgeleiders, en

- terwijl hij, verdachte, een op het fietspad van de rotonde voor hem fietsend meisje wel had waargenomen, en

- daarbij in plaats van het rempedaal het gaspedaal heeft ingedrukt, en

- daarbij niet de voor hem, verdachte, bestemde rijstrook heeft gevolgd en met het door hem bestuurde motorrijtuig op het verplichte fietspad heeft gereden, en

- daarbij is gebotst tegen die fietser, en

- vervolgens gedurende enige tijd, tijdens de hierna beschreven handelingen, het motorrijtuig niet tot stilstand heeft gebracht en het motorrijtuig niet onder controle heeft gekregen, en

- vervolgens over een middengeleider is gereden, waarbij hij is gebotst tegen een markeringspaaltje, en

- vervolgens een aantal meters is doorgereden, waarbij de fietser is meegesleurd,

en

- vervolgens met het door hem bestuurde motorrijtuig over die fietser heen is gereden,


door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.


De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.


De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.


6De strafbaarheid van het bewezenverklaarde


Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikelen 5 en 177 WVW. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op de overtreding:

overtreding van art. 5 WVW 1994.


7De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.


8De op te leggen straf of maatregel


8.1

De gronden voor een straf of maatregel


Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.


Verdachte heeft als bestuurder van een auto een verkeersongeval veroorzaakt. Als gevolg van dat verkeersongeval heeft het meisje [slachtoffer], ten tijde van het ongeval 7 jaar oud, levensbedreigend zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Een strafoplegging, in welke vorm of omvang dan ook, zal dit leed niet ongedaan kunnen maken.


Strafoplegging dient echter te geschieden, niet alleen met inachtneming van de, in dit geval zeer ernstige, gevolgen van de gemaakte verkeersfout, maar ook en vooral afgezet te worden tegen de ernst van de gemaakte verkeersfout en de mate van schuld daaraan van verdachte.

In deze zaak acht de rechtbank niet bewezen dat de verkeersfout een misdrijf oplevert en moet er in de strafmaat rekening mee worden gehouden dat een verkeersfout in de vorm van een overtreding is gemaakt. De rechtbank benadrukt dat dit niet afdoet aan de erkenning van de grove ernst van het letsel dat [slachtoffer] door het ongeval is toegebracht.


Als uitgangspunt voor strafbare feiten als de onderhavige dient te worden gekeken naar hetgeen in soortgelijke zaken wordt opgelegd. Bij de vaststelling van de hoogte van de straf houdt de rechtbank er in het voordeel van verdachte rekening mee dat verdachte niet eerder in aanraking is geweest met politie en justitie.

Gelet op de vrijspraak van het primair ten last gelegde misdrijf zal de rechtbank de eis van de officier van justitie tot veroordeling tot een taakstraf niet volgen. Tevens slaat de rechtbank in het bijzonder acht op de hoge leeftijd van verdachte. De rechtbank zal daarom een geldboete opleggen.

Ten slotte neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft om ziekenhuisbezoeken van zichzelf en van zijn echtgenote te vergemakkelijken.


Gelet op genoemde persoonlijke omstandigheden van verdachte, acht de rechtbank een geldboete van € 500,00 passend en geboden. Daarnaast zal de rechtbank verdachte een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen voor de duur van drie maanden.


9De toegepaste wettelijke voorschriften


De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 177, 178, 179, 180 WVW 1994 en 14a, 14b, 14c, 14d, 23, 24, 24c en 91 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

10 10. De beslissing


De rechtbank:


vrijspraak/bewezenverklaring

  • - verklaart niet bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
  • - verklaart bewezen, dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
  • - verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;


strafbaarheid

  • - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
  • - verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:de overtreding: overtreding van art. 5 WVW 1994;
  • - verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

  • - veroordeelt verdachte tot het betalen van een geldboete ter hoogte van 500 (vijfhonderd) euro;
  • - beveelt, voor het geval dat de verdachte de geldboete niet betaalt, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 10 dagen;
  • - ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie maanden voorwaardelijk;
  • - bepaalt dat de ontzegging van de rijbevoegdheid niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aksu, voorzitter, mr. H. Stam en mr. J. Wentink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W.J. van der Leest, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2015.
































Bijlage bewijsmiddelen


Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.


1.

De verklaring die de verdachte ter terechtzitting van 7 januari 2015 heeft afgelegd, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Op 16 mei 2014 reed ik als bestuurder van een personenauto in Rijssen. Ik moest mijn kleindochter [naam] van school halen. Op de terugweg reed ik op de rotonde van de Prins Frederik Hendrikstraat met de Welleweg en de Wijnand Zeeuwstraat. Toen ik het meisje op het fietspad van de rotonde zag fietsen, wilde ik remmen, maar ik schoot met mijn voet van het rempedaal af en kwam met mijn voet op het gaspedaal. Als je dan denkt dat je remt, trap je op gaspedaal en dan is er niets meer aan te houden. Toen ik in de gaten had dat ik gas gaf, was het te laat. De auto schoot weg. Je ziet dan het kind en dan ben je het kwijt. Dat is dan de schrik. Ik heb niet geremd. Ik kwam tegen een muur tot stilstand.

2.

Een proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse van 8 juni 2014, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant]:


op pagina 7: Het verkeersongeval had plaats gevonden op de rotonde, gelegen in de gemeente Rijssen-Holten;


op pagina 13 van het proces-verbaal, tevens bevattende twee foto’s genummerd 8 en 9:

Binnen de blauwe cirkel op foto 8 werd de fietsster aangetroffen nadat ze door de Toyota

was meegesleurd en over de volle lengte was overreden.

Op foto 9 is een rijspoortje van het rechter voorwiel van de Toyota zichtbaar. Dit spoortje

geeft aan dat er ook op het laatste moment niet is geremd door de bestuurder van de

Toyota.

Op het moment van de botsing met de muur is de Toyota, door de eigen kinetische energie,

naar links verplaatst.

Opmerking: De rechtbank constateert dat hetgeen de verbalisant heeft beschreven, wordt bevestigd door de weergave op de foto’s 8 en 9;


op pagina 14 van het proces-verbaal, tevens bevattende foto 11:

(…)

2.3.2

Sporen aan wegmeubilair of andere obstakels

lk heb de volgende relevante sporen op wegmeubilair of andere obstakels gevonden.

Het markeringspaaltje, rood wit geblokt, was in botsing geweest met de linker zijkant, dorpel, van de Toyota. Hierdoor was er een deuk ontstaan in de dorpel van de Toyota. Hieruit blijkt dat de Toyota volledig over de verkeersgeleider was gereden. Zie foto 11.

Opmerking: De rechtbank constateert dat hetgeen de verbalisant heeft beschreven, wordt bevestigd door de weergave op foto 11;


op pagina’s 21, 22 en 23 van het proces-verbaal, tevens bevattende twee foto’s genummerd 21 en 22:

(…)

Op foto 21 is de onderkant (bodem) van de Toyota te zien. Op deze onderkant zaten over de volledige lengte van de auto bloedspatten en huidresten. Op foto 22 is te zien dat er haren, vermoedelijk van de fietsster, zich onder de auto bevonden.

Opmerking: De rechtbank constateert dat hetgeen de verbalisant heeft beschreven, wordt bevestigd door de weergave op de foto’s 21 en 22;


op pagina’s 27 en 28 van het proces-verbaal:

(…)

5.2

Oorzaak, toedracht en gevolg

Naar aanleiding van het door mij ingesteld onderzoek kan worden gesteld dat:

1. de betrokken bestuurders hebben gereden zoals in dit proces-verbaal

omschreven.

2. de fietsster is aangereden op de fietsstrook, behorende bij de rotonde.

3. de Toyota bestuurder kennelijk de controle over het voertuig heeft verloren en

derhalve rechtdoor is gereden.

4. de fietsster over een afstand van ruim 7 meter door de Toyota over het

wegdek was geschoven.

5. de fietsster volledig overreden is door de Toyota.

6. de fietsster in de struiken is blijven liggen terwijl de Toyota verder reed.

7. er geen sporen zijn aangetroffen die erop duidden dat de bestuurder van de

Toyota heeft geremd.

8. de Toyota tegen de garagedeur en een muur van perceel Prins Frederik

Hendrikstraat [nummer] tot stilstand was gekomen.

(…)