Rechtbank Overijssel, 30-06-2015 / 08/730552-14, 08/710397-12, 08/138536-13 en 08/710378-10 (tul)


ECLI:NL:RBOVE:2015:3116

Inhoudsindicatie
10 maanden cel en TBS met voorwaarden. Dat is de straf die een 43-jarige man uit Enschede krijgt opgelegd door de rechtbank Overijssel voor een zware mishandeling in het centrum Enschede. In de nacht van 12 oktober 2014 probeerde een vrouw om een opstootje te sussen en werd geslagen door de man. Zij liep door de klap en de daaropvolgende val een schedelbasisfractuur, een gebroken schouderblad en blijvend gehoorverlies op. De man moet haar een schadevergoeding betalen van bijna €12.000,-. Verder is de man veroordeeld voor het bedreigen van zijn toenmalige partner en een politieagent en verzet bij aanhouding. De rechtbank oordeelt dat uit de rapportages blijkt dat intensieve en langdurige behandeling van de man noodzakelijk is om het recidivegevaar tot aanvaardbare proporties terug te dringen. Zowel de persoonlijkheidsproblematiek, als zijn middelenafhankelijkheid vereist de nodige behandeling en begeleiding.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-06-30
Publicatiedatum
2015-06-30
Zaaknummer
08/730552-14, 08/710397-12, 08/138536-13 en 08/710378-10 (tul)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht


Zittingsplaats Almelo


Parketnummers: 08/730552-14, 08/710397-12, 08/138536-13 en 08/710378-10 (tul)

Datum vonnis: 30 juni 2015


Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:


[verdachte],

geboren op [geboortedatum 1] 1972 in [geboorteplaats 1],

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

nu verblijvende in de PI Overijssel, HvB Karelskamp te Almelo.



1Het onderzoek op de terechtzitting


Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 23 januari 2015, 7 april 2015 en 16 juni 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.Y. Huang en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. J.B.A. Kalk, advocaat te Enschede, naar voren is gebracht.


2De tenlastelegging


De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:


inzake parketnummer 08/730552-14:

[slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door haar met kracht tegen het gezicht of hoofd te stompen/slaan, dan wel [slachtoffer 1] heeft mishandeld, welke mishandeling zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad;


inzake parketnummer 08/710397-12

feit 1: politieagent [slachtoffer 2] heeft bedreigd met de dood dan wel met zware mishandeling;

feit 2: een overhemd van [slachtoffer 2] heeft vernield;

feit 3: zich bij zijn aanhouding met geweld heeft verzet tegen politieagenten;


inzake parketnummer 08/138536-13

feit 1: een deur heeft vernield;

feit 2: [slachtoffer 3] met de dood heeft bedreigd;

feit 3: zich bij zijn aanhouding met geweld heeft verzet tegen politieagenten;



Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:


inzake parketnummer 08/730552-14:


hij op of omstreeks 12 oktober 2014 te Enschede

aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een of

meerdere schedelfractu(u)r(en) en/of een of meerdere schedelbasis

fractu(u)r(en) en/of een of meerdere (drie) gebroken nekwervels en/of een

gebroken (rechter)schouderblad en/of gehoorverlies aan één oor, heeft

toegebracht door (met kracht) in en/of tegen het gezicht en/of het hoofd van

die [slachtoffer 1] te stompen en/of te slaan tengevolge waarvan die [slachtoffer 1]

(achterover) ten val is gekomen;


ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat


hij op of omstreeks 12 oktober 2014 te Enschede [slachtoffer 1] heeft

mishandeld door (met kracht) in en/of tegen het gezicht en/of het hoofd van

die [slachtoffer 1] te stompen en/of te slaan tengevolge waarvan die [slachtoffer 1]

(achterover) ten val is gekomen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te

weten een of meerdere schedelfractu(u)r(en) en/of een of meerdere

schedelbasisfractu(u)r(en) en/of een of meerdere (drie) gebroken nekwervels

en/of een gebroken (rechter)schouderblad en/of gehoorverlies aan één oor,

althans pijn en/of letsel voor die [slachtoffer 1] tengevolge heeft gehad;


inzake parketnummer 08/710397-12:


1.


hij op of omstreeks 4 juli 2012,

in de gemeente Enschede, althans (elders) in Nederland,

[slachtoffer 2], in/tijdens zijn functie van/als agent van/bij de politie Twente,

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware

mishandeling, althans met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene

veiligheid van personen ontstaat,

immers is verdachte opzettelijk dreigend (meermalen):

- ( al) schreeuwend en met versnelde pas op die [slachtoffer 2] afgelopen en/of

- heeft hij, verdachte, (daarbij) (telkens) een agressieve houding aangenomen

en/of

- heeft hij, verdachte, die [slachtoffer 2] (telkens) (met kracht) bij zijn kleding

(overhemd) vastgepakt en/of

- die [slachtoffer 2] (telkens) (met (veel) kracht) naar achteren geduwd

en/of

- ( vervolgens) heeft hij, verdachte (terwijl hij, verdachte, (reeds) in het

dienstvoertuig had plaatsgenomen), die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd:

"Ik zoek je wel op vuile witte aap, wacht maar af. Jij bent nog niet af van

mij. Als ik wil maak ik je zo dood jongen. Je komt er nog wel achter",

althans feitelijkhe(i)d(en) en/of woorden van gelijke dreigende aard of

strekking;


2.


hij op of omstreeks 4 juli 2012,

in de gemeente Enschede,

opzettelijk en wederrechtelijk een overhemd, in elk geval enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan Politie Twente en/of [slachtoffer 2],

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt,

door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk dat overhemd kapot te trekken;


3.


hij op of omstreeks 4 juli 2012,

in de gemeente Enschede,

toen aldaar in uniform geklede dienstdoende politieambtenaren verdachte,

als verdacht van het gepleegd hebben van één of meer op heterdaad ontdekt(e)

strafba(a)r(e) feit(en), hadden aangehouden en hadden vastgegrepen,

althans vast hadden teneinde verdachte, ter geleiding voor een hulpofficier

van justitie, over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld tegen

die eerstgenoemde opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening

van hun bediening, heeft verzet door te rukken en te trekken in een richting

tegengesteld aan die, waarin die ambtenaren verdachte trachten te geleiden;


inzake parketnummer 08/138536-13:


1.


hij op of omstreeks 26 juli 2013 in de gemeente Enschede

opzettelijk en wederrechtelijk een deur, in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan Woningbouwcoöperatie Domein, in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of

onbruikbaar gemaakt;


2.


hij op of omstreeks 26 juli 2013 in de gemeente Enschede [slachtoffer 3] heeft

bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware

mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 3] dreigend de

woorden toegevoegd :"Ik maak je dood" en/of "Ik maak je kapot", althans

woorden van gelijke dreigende aard of strekking;


3.


hij op of omstreeks 27 juli 2013 in de gemeente Enschede, toen (een) aldaar in

uniform geklede dienstdoende politieambtena(a)r(en) verdachte, als verdacht

van het gepleegd hebben van één of meer op heterdaad ontdekt(e) strafba(a)r(e)

feit(en) had(den) aangehouden en had(den) vastgegrepen, althans vast had(den)

teneinde verdachte, ter geleiding voor een hulpofficier van justitie, over te

brengen naar een politiebureau, zich met geweld tegen die eerstgenoemde

opsporingsambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun/zijn

bediening, heeft verzet door te rukken en te trekken en/of te zwaaien in een

richting tegengesteld aan die, waarin die ambtena(a)r(en) verdachte

trachtte(n) te geleiden.


3De vordering van de officier van justitie


De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake het subsidiair tenlastgelegde met parketnummer 08/730552-14, de feiten 1 en 3 met parketnummer 08/710397-12 en de feiten 1, 2 en 3 met parketnummer 08/138536-13 wordt veroordeeld tot 10 maanden gevangenisstraf, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden op te leggen. Aan de terbeschikkingstelling dienen de voorwaarden te worden verbonden zoals opgenomen in het maatregelrapport van 10 juni 2015. De officier van justitie heeft voorts geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen met dien verstande dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor wat betreft de immateriële schade wordt toegewezen tot een bedrag van € 5.000,--. Tevens heeft de officier van justitie de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd. Ten slotte heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering tenuitvoerlegging onder parketnummer 08/710378-10 wordt toegewezen.


4De voorvragen


De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.


5De beoordeling van het bewijs


Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de ten laste gelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.


5.1

Inzake parketnummer 08/730552-14.


De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde, nu niet kan worden bewezen dat verdachte met het enkele uitdelen van een vuistslag opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Het subsidiair tenlastegelegde, te weten mishandeling, zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbende, kan wel wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.


De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het primair tenlastegelegde wegens het ontbreken van opzet op zwaar lichamelijk letsel. Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat dit feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, met uitzondering van het onderdeel van gebroken nekwervels nu uit de medische rapportages niet is gebleken dat [slachtoffer 1] gebroken nekwervels heeft opgelopen. De verdediging heeft voorts een beroep gedaan op noodweer.


De rechtbank overweegt als volgt.

Op basis van de bewijsmiddelen staat vast dat [slachtoffer 1], op 12 oktober 2014 samen met haar vriend, dochter en schoonzoon in het centrum van Enschede was. Er vond een opstootje plaats waarbij verdachte aanwezig was. [slachtoffer 1] riep ”Hey jongens doe eens normaal” om het opstootje te sussen en kreeg vervolgens een vuistslag op haar gezicht van de verdachte. Diverse getuigen verklaren dat verdachte met zijn vuist uithaalde richting het slachtoffer en dat hij haar in het gezicht raakte. Vervolgens viel het slachtoffer op de grond en bleef op de grond liggen. Blijkens de verklaringen van het slachtoffer en van diverse getuigen was het slachtoffer buiten bewustzijn geraakt op het moment dat verdachte haar met zijn vuist sloeg. Ten gevolge van die vuistslag en de daarop volgende val heeft het slachtoffer ernstig letsel opgelopen: schedel(basis)fracturen, gehoorverlies aan één oor en een gebroken schouderblad, zo blijkt uit een geneeskundige verklaring die zich in het dossier bevindt. Op grond van het vorenstaande staat vast dat verdachte tegen het gezicht van het slachtoffer heeft geslagen en dat ten gevolge van de daarop gevolgde val, zij zwaar lichamelijk letsel heeft gelopen. Zonder deze vuistslag was zij niet knockout geraakt, niet gevallen en had zij het letsel niet opgelopen. Het letsel kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel. Er is sprake van een causaal verband tussen het toegepaste geweld en het uiteindelijke letsel. Het zwaar lichamelijk letsel kan daarom ook worden toegerekend aan verdachte.


De verdediging heeft aangevoerd dat uit de verklaring van de getuige [getuige 1] d.d. 12 oktober 2014 blijkt dat verdachte heeft geslagen in reactie op een tik die [slachtoffer 1] hem heeft gegeven. De verdediging heeft gesteld dat sprake was van een wederrechtelijke aanranding van het lijf van verdachte, waartegen verdachte zich mocht verweren, met andere woorden dat sprake was van een noodweersituatie.


Onder mishandeling moet worden verstaan het aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn (…), een en ander zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat (zie ook Hoge Raad, 12 mei 2015, ECLI:HR:NL:2015:1237). Dat betekent dat indien sprake zou zijn van noodweer, geen sprake is van mishandeling in de zin van artikel 300 Sr, en derhalve dat in dat geval vrijspraak zou moeten volgen. De rechtbank is echter van oordeel dat niet aannemelijk is dat er sprake is geweest van een noodweersituatie. De verklaring van [getuige 1] wordt op geen enkele wijze ondersteund door andere bewijsmiddelen. Concluderend acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling ten gevolge waarvan lichamelijk letsel is ontstaan.


5.2

Inzake parketnummer 08/710397-12


Evenals de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.


Op basis van de hierna opgenomen bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte al schreeuwend en met versnelde pas op verbalisant [slachtoffer 2] afliep. Hierop pakten verbalisanten de verdachte vervolgens bij zijn armen en drukten hem tegen de balustrade. Verdachte ging hevig in verzet. Hij probeerde zich krachtig los te rukken. Toen verbalisant [slachtoffer 2] verdachte wilde boeien staakte verdachte het verzet niet. Meerdere collega’s van [slachtoffer 2] kwamen ter plaatse om te helpen bij de aanhouding van verdachte. Onderweg naar het arrestantencomplex keek de verdachte op verschillende momenten in de richting van [slachtoffer 2] en zei: “Ik zoek je wel op vuile witte aap, wacht maar af. Jij bent nog niet af van mij. Als ik wil maak ik je zo dood jongen. Je komt er nog wel achter.” Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat beide feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

Ten aanzien van de onder 2 ten laste gelegde vernieling van het overhemd van verbalisant [slachtoffer 2] bevindt zich in het dossier enkel de aangifte van [slachtoffer 2]. Zodoende is sprake van onvoldoende wettig bewijs. De rechtbank zal verdachte daarom van dit feit vrijspreken.


5.3

Inzake parketnummer 08/138536-13


De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op het relaas van de moeder van [slachtoffer 3] en de foto’s, de onder 1 ten laste gelegde vernieling wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Op basis van de aangifte van [slachtoffer 3] en de verklaring van haar moeder kan het onder 2 ten laste gelegde feit eveneens wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. Uit het proces-verbaal van aanhouding blijkt dat sprake was van verzet bij aanhouding, zodat ook het onder 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.


De verdediging heeft integraal vrijspraak bepleit. Voor de bedreiging van mevrouw [slachtoffer 3] vindt de raadsman dat er wellicht wettig bewijs is, maar de overtuiging ontbreekt. De raadsman stelt verder dat uit niets blijkt dat cliënt de ruit heeft vernield, noch dat hij zich heeft verzet tegen de aanhouding.


In het dossier bevinden zich enkel de verklaring van de moeder van [slachtoffer 3] dat zij hoorde dat verdachte met stenen tegen de ruit gooide en een foto van een deur met een kapotte ruit. De rechtbank is van oordeel dat in het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is waaruit blijkt dat verdachte inderdaad de persoon is geweest die op 26 juli 2013 de ruit in de deur heeft vernield. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 1 tenlastegelegde.


Ten aanzien van feit 2 overweegt de rechtbank het navolgende. Op vrijdag 26 juli 2013, was [slachtoffer 3] te Enschede omdat zij (weer) problemen had met verdachte, haar vriend. Blijkens de verklaringen van [slachtoffer 3] en van haar moeder werd er aangebeld, en zagen [slachtoffer 3] en haar moeder dat verdachte voor de deur stond. De deur werd niet geopend omdat zij bang waren. Vervolgens hoorden zij dat verdachte schreeuwde: “Ik maak je dood! Je ziet wel wat er gebeurt”. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat dit feit wel wettig en overtuigend bewezen kan worden.


De rechtbank zal verdachte daarentegen vrijspreken van de onder 3 ten laste gelegde wederspannigheid, nu uit het dossier niet blijkt dat verdachte zich, zoals tenlastegelegd, “door te rukken en te trekken” heeft verzet tegen zijn aanhouding. In het proces-verbaal wordt enkel melding gemaakt van het “zwaaien met zijn armen”. Dat kan niet als wederspannigheid worden gekwalificeerd.


5.4

De conclusie


De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte is ten laste gelegd onder het primaire feit met parketnummer 08/730552-14, feit 2 met parketnummer 08/710397-12 en de feiten 1 en 3 met parketnummer 08/138536-13 zodat zij verdachte daarvan zal vrijspreken.


De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het subsidiaire feit met parketnummer 08/730552-14, de feiten 1 en 3 met parketnummer 08/710397-12 en feit 2 met parketnummer 08/138536-13 heeft begaan, met dien verstande dat:


parketnummer 08/730552-14 subsidiair:


hij op 12 oktober 2014 te Enschede [slachtoffer 1] heeft mishandeld door met kracht tegen het gezicht of het hoofd van die [slachtoffer 1] te stompen of te slaan ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] achterover ten val is gekomen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te

weten een schedelfractuur en een schedelbasisfractuur en een gebroken rechterschouderblad en gehoorverlies aan één oor voor die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad;


parketnummer 08/710397-12:


1.


hij op 4 juli 2012, in Nederland, [slachtoffer 2], in zijn functie van agent bij de politie Twente,

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers is verdachte opzettelijk dreigend (meermalen):

- ( al) schreeuwend en met versnelde pas op die [slachtoffer 2] afgelopen en

- heeft hij, verdachte, daarbij een agressieve houding aangenomen en

- heeft hij, verdachte, die [slachtoffer 2] telkens bij zijn kleding (overhemd) vastgepakt en

- die [slachtoffer 2] naar achteren geduwd en

- vervolgens heeft hij, verdachte (terwijl hij, verdachte, (reeds) in het

dienstvoertuig had plaatsgenomen), die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd:

"Ik zoek je wel op vuile witte aap, wacht maar af. Jij bent nog niet af van

mij. Als ik wil maak ik je zo dood jongen. Je komt er nog wel achter";


3.


hij op 4 juli 2012, in de gemeente Enschede, toen aldaar in uniform geklede dienstdoende politieambtenaren verdachte, als verdacht van het gepleegd hebben van één of meer op heterdaad ontdekt(e) strafba(a)r(e) feit(en), hadden aangehouden en hadden vastgegrepen,

teneinde verdachte, ter geleiding voor een hulpofficier van justitie, over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld tegen die eerstgenoemde opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, heeft verzet door te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die, waarin die ambtenaren verdachte trachten te geleiden;


parketnummer 08/138536-13:


2.


hij op 26 juli 2013 in de gemeente Enschede [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 3] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik maak je dood".


De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.


De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.


6De strafbaarheid van het bewezenverklaarde


Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 180, 285 en 300 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:


ten aanzien van parketnummer 08/730552-14 subsidiair:

het misdrijf: mishandeling terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;


ten aanzien van parketnummer 08/710397-12 onder 1 en parketnummer 08/138536-13 onder 2:

telkens het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;


ten aanzien van parketnummer 08/710397-12 onder 3:

het misdrijf: wederspannigheid.


7De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.


8De op te leggen straf of maatregel


Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.


Verdachte kwam in de nacht van 12 oktober 2014 in een schermutseling met de schoonzoon van [slachtoffer 1] terecht. [slachtoffer 1] probeerde de boel te sussen en kreeg plotsklaps van verdachte met kracht een vuistslag in haar gezicht, waardoor [slachtoffer 1] direct bewusteloos en rechtstandig naar achteren op de grond is gevallen. De vuistslag die verdachte heeft gegeven, heeft zeer ernstige en langdurige gevolgen gehad voor [slachtoffer 1] en haar gezin. [slachtoffer 1] heeft een schedelfractuur, een schedelbasisfractuur en een schouderbladfractuur opgelopen. Uit de medische informatie blijkt dat [slachtoffer 1] maanden na het incident nog kampt met doofheid aan haar rechteroor, hoofdpijn, een pijnlijke nek, concentratieproblemen en positieduizeligheid. Over het uitzicht op volledig herstel valt nog niets te zeggen. De rechtbank rekent verdachte zijn handelen zwaar aan. Zonder aanleiding heeft verdachte [slachtoffer 1] zo’n krachtige vuistslag gegeven dat zij knock-out is gegaan en achterover is gevallen, met alle gevolgen van dien.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht van zijn toenmalige partner [slachtoffer 3] en verbalisant [slachtoffer 2], en heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan wederspannigheid.


Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de bewezen verklaarde feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals deze onder meer tot uitdrukking komen in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. In de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht zijn voor “mishandeling, zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbende” en “wederspannigheid” geen oriëntatiepunten opgesteld. De rechtbank zoekt daarvoor aansluiting bij de straffen die in soortgelijke zaken voor dergelijke feiten worden opgelegd. Voor bedreiging zijn wel oriëntatiepunten straftoemeting opgesteld. Deze oriëntatiepunten noemen voor het delict “verbale bedreiging”, een geldboete van

€ 250,--.


Uit de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat hij diverse malen eerder in verband met geweldsdelicten met justitie in aanraking is geweest. De rechtbank weegt dit in het nadeel van verdachte mee.


De rechtbank heeft kennis genomen van de over verdachte opgemaakte deskundigenrapporten.


Psycholoog drs. G.J.W. Pol heeft in het rapport van 31 december 2014 geconcludeerd dat verdachte lijdt aan een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit (ADHD, gecombineerde type) en een persoonlijkheidsstoornis niet nader omschreven (NAO) met narcistische, borderline en antisociale trekken. Voorts is sprake van misbruik van alcohol en cannabis en lijdt verdachte aan een cognitieve functiestoornis NAO, bestaande uit een algeheel vertraagde cognitieve verwerkingssnelheid, een suboptimale aandachtsfunctie, een geheugenstoornis (in ieder geval betreffende het verbaal-declaratief geheugen en wellicht ook het autobiografisch geheugen) en stoornissen binnen het frontale functiedomein, zijnde een suboptimale cognitieve flexibiliteit, een beperkt vermogen om te plannen en een gebrekkig impulscontrole. Ook op het moment van het plegen van de bewezenverklaarde feiten was sprake van deze stoornissen.

Aannemelijk is dat verdachte mede tot de bewezenverklaarde feiten is gekomen omdat hij als gevolg van deze aandoeningen (met name de gebrekkige impulscontrole) niet goed in staat is geweest de bij hem door het conflict opgeroepen onlustgevoelens (gekrenktheid, frustratie en boosheid) en (agressieve) impulsen adequaat te hanteren en te controleren. Ook is aannemelijk dat het voorgaande alcoholgebruik een verder ontremmend dan wel drempelverlagend effect heeft gehad op verdachte. Psycholoog Pol heeft geadviseerd om verdachte als licht verminderd tot verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Het recidiverisico wordt als bovengemiddeld ingeschat. De kans op recidive is met name verhoogd als verdachte alcohol en drugs blijft gebruiken, terwijl de kans daarop weer groter is als het hem blijft ontbreken aan sociaal-maatschappelijke stabiliteit en er sprake blijft van een weinig zinvolle en gestructureerde daginvulling.

Gezien de ernst van de psychopathologie, de ernst van het feit, het verband tussen de psychopathologie en het feit, het hoog geachte recidiverisico, het gebrek aan zelfreflecterend vermogen bij verdachte en het gegeven dat meerdere voorgaande ambulante zorgtrajecten en een klinische opname in een vrijwillig of voorwaardelijk kader geen blijvend effect hebben gehad, heeft de deskundige geadviseerd om de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden op te leggen. Een klinische behandeling is geïndiceerd, maar als verdachte daarvoor niet gemotiveerd is, kan als voorwaarde worden opgenomen dat verdachte binnen zijn thuissituatie intensief wordt behandeld en begeleid door een Forensisch FACT-team.

Psychiaters A.M. de Jong en drs. F.P. Bisch hebben in het rapport van 8 december 2014 geconcludeerd dat bij verdachte, ook tijdens de mishandeling, sprake is van een ziekelijke stoornis in de vorm van ADHD, een cognitieve stoornis (ten gevolge van een hersentrauma), cannabis- en alcoholmisbruik, zwakbegaafdheid en een borderline persoonlijkheidsstoornis met narcistische en antisociale trekken.

Het zich snel aangesproken voelen, de beperkte frustratietolerantie en de problemen met het onder controle houden van zijn impulsen passen bij een borderlinepersoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische kenmerken. Het beperkte overzicht, het niet kunnen overzien van de gevolgen van zijn handelen en de impulsiviteit passen bij de ADHD. Door de cognitieve stoornis is hij minder goed in staat het overzicht te bewaren en is het probleemoplossend vermogen verminderd. Het verminderd normbesef en het zich niet kunnen inleven in de gevoelens en gevolgen voor het slachtoffer zijn antisociale kenmerken. Ook door de lage intelligentie kan verdachte minder goed het overzicht bewaren. Het alcoholgebruik verlaagt daarnaast de drempel tot handelen en zorgt voor een verhoogde prikkelbaarheid, waardoor verdachte eerder tot gewelddadig gedrag kan overgaan. Volgens de psychiaters dient verdachte als deels verminderd tot verminderd toerekeningsvatbaar te worden beschouwd. De kans op recidive wordt als hoog ingeschat.

Verdachte behoefte behandeling en begeleiding binnen een sterk gestructureerd kader. De psychiaters hebben geadviseerd een terbeschikkingstelling met voorwaarden op te leggen, waaraan als voorwaarden worden verbonden reclasseringstoezicht, eventueel het dragen van een enkelband en het meewerken aan thuisbegeleiding vanuit een FACT-team of behandeling vanuit een forensische polikliniek.


Tactus Reclassering heeft in het rapport van 10 juni 2015 geconcludeerd dat verdachte alleen onvoorspelbaar agressief gedrag lijkt te vertonen wanneer hij onder invloed van alcohol verkeert, waardoor het voor de hand ligt abstinentie na te streven. Verdachte is hiertoe niet gemotiveerd. De reclassering is van mening dat een klinische behandeling nodig is om het recidiverisico te beperken. Er is een indicatie afgegeven voor FPK Veldzicht, welke kliniek verdachte op basis van dossierinformatie heeft aangenomen. Verdachte is ambivalent in zijn houding naar Tactus Reclassering, hetgeen kenmerkend is voor verdachte. Ook over een klinische behandeling is verdachte ambivalent. De reclassering verwacht dat verdachte ook met een andere reclasseringswerker niet of nauwelijks zal willen, welke samenwerking een belangrijke basis is voor een terbeschikkingstelling met voorwaarden. De reclassering heeft ernstige twijfels of een terbeschikkingstelling met voorwaarden een kans van slagen heeft omdat de verwachting is dat verdachte zich niet kan/wil houden aan de opgestelde voorwaarden. De reclassering heeft daarom geadviseerd om geen terbeschikkingstelling met voorwaarden op te stellen. Voor het geval dat de rechtbank wel besluit om een terbeschikkingstelling met voorwaarden op te leggen, heeft de reclassering voorwaarden opgenomen in het maatregelrapport van 10 juni 2015.


Verdachte heeft zich ter terechtzitting van 16 juni 2015 bereid verklaard om zich aan de door de reclassering voorgestelde voorwaarden te houden.


De rechtbank is van oordeel dat uit de rapportages blijkt dat intensieve en langdurige behandeling van verdachte noodzakelijk is om het recidivegevaar tot aanvaardbare proporties terug te dringen. Zowel de persoonlijkheidsproblematiek van verdachte, als zijn middelenafhankelijkheid vereist de nodige behandeling en begeleiding. Verdachte heeft ter terechtzitting van 16 juni 2015 bereidheid getoond om mee te werken aan een behandeling bij FPK Veldzicht. De rechtbank is van oordeel dat aan verdachte een terbeschikkingstelling met voorwaarden dient te worden opgelegd.


De rechtbank overweegt dat aan de wettelijke voorwaarden voor de oplegging van een maatregel van terbeschikkingstelling is voldaan nu bij verdachte tijdens het begaan van de feiten sprake was van een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en gelet op het feit dat het bewezenverklaarde feit “mishandeling, zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbende” een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en een last tot terbeschikkingstelling ook kan worden gegeven voor de bewezenverklaarde bedreigingen, en de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel eist.

De rechtbank overweegt verder dat de maatregel zal worden opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zoals bedoeld in artikel 38e, lid 1 Sr.

De rechtbank zal op grond van artikel 38 lid 6 Sr bevelen dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.


De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten, in het bijzonder de mishandeling van mevrouw [slachtoffer 1], en het strafrechtelijk verleden van verdachte, tevens het opleggen van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf passend en geboden is. Alles in aanmerking nemende, acht ook de rechtbank een gevangenisstraf van 10 maanden passend, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.


9De schade van benadeelden


9.1

De vordering van de benadeelde partijen


[slachtoffer 1], wonende te [adres 1], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 21.653,79. Deze schade bestaat uit de volgende posten:


  • - Materiele kosten € 15,--;
  • - Herstelkosten ziekte € 5.628,79
  • - Kosten blijvende invaliditeit p.m.
  • - Arbeidsvermogensverlies p.m.
  • - Andere kosten € 1.010,--
  • - Smartengeld € 15.000,--.

Dit is gevorderd als “voorschot”. De rechtbank begrijpt dit als een vordering tot schadevergoeding van slechts een deel van de geleden schade. De benadeelde partij behoudt zich kennelijk het recht voor een ander deel van de schade buiten het strafgeding van verdachte te vorderen.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.


Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering tot vergoeding van materiële schade ontvankelijk en is de vordering voor wat betreft de materiële kosten, herstelkosten ziekte en andere kosten gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde subsidiaire feit onder parketnummer 08/730552-14 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan [slachtoffer 1]. De opgevoerde schadeposten zijn voldoende onderbouwd en aannemelijk.

Ten aanzien van de vordering tot vergoeding van immateriële schade is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij in haar vordering ontvankelijk is en dat de vordering deels gegrond is. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde subsidiaire feit onder parketnummer 08/730552-14 rechtstreeks immateriële schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat het bewezenverklaarde feit een sterk negatieve invloed kan hebben op het (psychisch) welbevinden van een slachtoffer. Gelet op de onderbouwing van de vordering komt de rechtbank vergoeding van immateriële schade billijk voor. Op grond van de thans beschikbare gegevens schat de rechtbank de immateriële schade op minimaal een bedrag van € 5.000,--. De rechtbank heeft bij de vaststelling van de hoogte van dit bedrag acht geslagen op de thans bekende gegevens en op toegekende vergoedingen in min of meer soortgelijke gevallen. De behandeling van het resterende gedeelte van de vordering tot vergoeding van immateriële schade levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal voor dat deel van haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan haar vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

[slachtoffer 2], wonende te [adres 2], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van € 300,-- ter zake immateriële schade.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.


Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering ontvankelijk en is de vordering gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit 1 met parketnummer 08/710397-12 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer [slachtoffer 2]. De opgevoerde schadepost is niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 300,--. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.


9.2

De schadevergoedingsmaatregel


De rechtbank zal hierbij in beide gevallen de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het subsidiaire met parketnummer 08/730552-14 en door feit 1 met parketnummer 08/710397-12 is toegebracht.


10De vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft op 10 oktober 2012 de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke gevangenisstraf van 90 dagen. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het niet meer opportuun is de vordering tot tenuitvoerlegging toe te wijzen.


De veroordeelde is bij onherroepelijk geworden vonnis van 18 mei 2011 van de politierechter in de rechtbank Almelo (parketnummer 08/710378-10) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 213 dagen met aftrek waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De proeftijd is ingegaan op 2 juni 2011.


De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden toegewezen. Het is immers gebleken dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een nieuw strafbaar feit heeft schuldig gemaakt (parketnummer 08/710397-12). Voor de geloofwaardigheid en effectiviteit van voorwaardelijke straffen is het van belang dat hiervan tenuitvoerlegging wordt bevolen, behoudens wanneer zeer bijzondere omstandigheden zich daartegen zouden verzetten. Van zodanige omstandigheden is in dit geval evenwel niet gebleken.


11De toegepaste wettelijke voorschriften


De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 27, 37a, 38, 38a, 38d en 57 Sr.

12De beslissing


De rechtbank:


vrijspraak/bewezenverklaring

  • - verklaart niet bewezen dat verdachte het primaire feit met parketnummer 08/730552-14, feit 2 met parketnummer 08/710397-12 en de feiten 1 en 3 met parketnummer 08/138536-13 heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
  • - verklaart bewezen, dat verdachte het subsidiaire feit met parketnummer 08/730552-14, de feiten 1 en 3 met parketnummer 08/710397-12 en feit 2 met parketnummer 08/138536-13 heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
  • - verklaart niet bewezen wat aan verdachte, onder het subsidiaire feit met parketnummer 08/730552-14, de feiten 1 en 3 met parketnummer 08/710397-12 en feit 2 met parketnummer 08/138536-13, meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan in zoverre vrij;

strafbaarheid

  • - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
  • - verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

- ten aanzien van parketnummer 08/730552-14 subsidiair

het misdrijf: mishandeling terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;


- ten aanzien van parketnummer 08/710397-12 onder 1 en parketnummer 08/138536-13 onder 2

telkens het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;


- ten aanzien van parketnummer 08/710397-12 onder 3

het misdrijf: wederspannigheid;


- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;


straf

  • - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van tien (10) maanden;
  • - bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

maatregel

  • - gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en stelt daarbij als voorwaarden:
  • - dat de terbeschikkinggestelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking dient te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage dient aan te bieden;
  • - dat de terbeschikkinggestelde zich laat opnemen bij FPK Veldzicht te Balkbrug of soortgelijke instelling. De terbeschikkinggestelde zal zich houden aan de regels, afspraken en aanwijzingen van FPK Veldzicht of soortgelijke instelling en zich actief opstellen ten aanzien van de voorgestelde behandeling. De terbeschikkinggestelde zal meewerken aan het later op te stellen resocialisatie- en nazorgplan;
  • - dat de terbeschikkinggestelde niet van adres mag veranderen zonder toestemming van de reclassering;
  • - dat de terbeschikkinggestelde zich na de klinische opname bij FPK Veldzicht of soortgelijke instelling zal houden aan de aanwijzingen te geven door de reclassering en daarbij een traject zal volgen dat de behandelaren nodig of wenselijk achten, ook als dit inhoudt een woonvorm met (een bepaalde mate aan) begeleiding zoals een RIBW. Aanwijzingen kunnen onder andere gegeven worden omtrent behandeling, dagbesteding, middelengebruik en huisvesting;
  • - dat de terbeschikkinggestelde zijn medewerking dient te verlenen aan eventuele medicamenteuze therapie, voorgeschreven door de behandelend arts/psychiater. Deze medicatie zal zo nodig onder controle ingenomen worden;
  • - dat de terbeschikkinggestelde mee zal werken aan urinecontroles of blaasproeven in verband met middelen/alcoholgebruik. Deze controles zullen onderdeel uitmaken van de (terugvalpreventie-) behandeling;
  • - dat de terbeschikkinggestelde geen alcohol, drugs of andere middelen zal gebruiken. De terbeschikkinggestelde dient een terugval in gebruik direct te melden bij Tactus Reclassering. Mocht de terbeschikkinggestelde een terugval hebben in gebruik dan zullen alle betrokken partijen overleggen wat de gevolgen zijn voor de voortzetting van het toezicht;
  • - dat de terbeschikkinggestelde inzicht dient te geven in zijn financiële huishouding. Indien Tactus Reclassering het noodzakelijk acht zal de terbeschikkinggestelde zijn medewerking verlenen aan budgetteringshulpverlening en/of financiële bewindvoering;
  • - dat de terbeschikkinggestelde zich houdt aan eventuele andere of aanvullende aanwijzingen in het belang van zijn traject te geven door Tactus Reclassering;
  • - dat de terbeschikkinggestelde openheid geeft indien hij een relatie aangaat. De terbeschikkinggestelde werkt mee aan relatiebegeleiding/-therapie indien Tactus Reclassering dit nodig acht;
  • - dat de terbeschikkinggestelde Tactus Reclassering toestemming geeft om overleg te hebben en gegevens uit te wisselen met alle personen en instellingen die betrokken zijn bij zijn behandeling en resocialisatie;
  • - dat de terbeschikkinggestelde frequent contact houdt met Tactus Reclassering, waarbij de frequentie door de reclassering wordt bepaald. De terbeschikkinggestelde geeft in deze gesprekken openheid van zaken over wat er speelt in zijn dagelijkse leven;
  • - indien noodzakelijk werkt de terbeschikkinggestelde mee aan een time-outplaatsing. Deze time-outplaatsing duurt in ieder geval zolang als nodig is om de terbeschikkinggestelde op verantwoorde en veilige wijze terug te laten keren naar de omstandigheden voorafgaand aan de time-out, maar maximaal 7 weken. Deze periode kan eenmaal met 7 weken verlengd worden;

- draagt Tactus Reclassering op de ter beschikking gestelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de voorwaarden;


- beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is;


schadevergoeding

  • - veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te [adres 1] van een bedrag van € 11.653,79,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 oktober 2014;
  • - veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
  • - legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen subsidiaire feit onder parketnummer 08/730552-14 tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 11.653,79 ten behoeve van de benadeelde [slachtoffer 1], met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 93 dagen zal worden toegepast;
  • - bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk is in haar vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;


  • - veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende te [adres 2] van een bedrag van € 300,--;
  • - veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
  • - legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit 1 onder parketnummer 08/710397-12 tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 300,-- ten behoeve van de benadeelde [slachtoffer 2], met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 6 dagen zal worden toegepast;
  • - bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

tenuitvoerlegging vonnis met parketnummer 08/710378-10

- gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank Almelo van 18 mei 2011, te weten van 90 dagen gevangenisstraf.



Dit vonnis is gewezen door mr. C.C.S. Koppes, voorzitter, mr. M. Melaard en mr. P.M.F. Schreurs, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Akfidan-Turan, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2015.




Bijlage bewijsmiddelen


Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.


Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.


Ten aanzien van het subsidiaire feit met parketnummer 08/730552-14


Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Twente met nummer PL0500 2014102669. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.


1.


Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 12 oktober 2014 pagina’s 4 en 5, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven als verklaring van aangeefster:


Op zondag 12 oktober 2014, omstreeks 04.00 uur liep ik samen met een paar vrienden en mijn dochter en haar vriend door de Stadgravenstraat te Enschede.

Ik weet niet meer precies wat er is gebeurd. Ik werd op een gegeven moment wakker

op de grond ter hoogte van café Goldrush en ik hoorde van omstanders dat ik zojuist

een klap in mijn gezicht had gekregen en daardoor op de grond gevallen was. Volgens omstanders ben ik ongeveer 4 a 5 minuten buiten bewustzijn geweest.

Ik heb vooral pijn aan mijn rechter schouder en ik kan mijn rechterarm niet meer optillen. Ik heb ook last van mijn oor, deze zit nu dicht.


2.

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] van 12 oktober 2014, pagina 8, inhoudende zakelijk weergegeven:


Op zondag 12 oktober 2014 omstreeks 02.30 uur ben ik samen met mijn kameraden

weggegaan hij discotheek Revelation in Enschede. We wilden naar huis gaan. Wij zijn vervolgens vanaf Revelation rechts richting Cafetaria de Muur gelopen. Ter hoogte van Aspen Valley, aan de achterzijde, zag ik een vrouw en een man staan. In eerste instantie dacht ik dat ze met elkaar aan het praten waren maar toen haalde de man met de vuist uit richting de vrouw. De man raakte daarbij de vrouw in het gezicht. Volgens mij haar linkerzijde van het gezicht. Ik zag vervolgens dat de vrouw op de grond viel en op de grond bleef liggen. De vrouw was bewusteloos.


3.

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] van 13 oktober 2014, pagina 13, inhoudende zakelijk weergegeven:


Ik ben getuige geweest van de mishandeling van [slachtoffer 1].

[slachtoffer 1] is mijn schoonmoeder. Deze mishandeling vond plaats op zondag

12 oktober 2014 in Enschede. Ik weet niet meer precies hoe laat het is gebeurd.

Ik was samen met mijn vriendin, [naam 1], en [naam 2] en [slachtoffer 1]

[slachtoffer 1]. Ik ben samen met [slachtoffer 1] en [naam 1] naar café de Buurvrouw gegaan. Dit was op zaterdag 11 oktober 2014 omstreeks 22.00 uur. Wij zijn hier zijn met zijn drieën naar binnen gegaan. Ik heb om 02.00 uur nog op mijn horloge gekeken en kort daarna zijn we weggegaan. Met we bedoel ik, [naam 2], [slachtoffer 1], [naam 1] en ik. Ik ben niet zo heel goed bekend in Enschede. Toen wij cafe de Buurvrouw uitliepen zijn wij linksaf gegaan. Op de hoek bij cafe de Buurvrouw zijn wij weer linksaf gegaan. Wij wilden in de richting van het theater lopen om aldaar een taxi te nemen naar huis. Toen wij halverwege de straat waren zagen wij dat er tussen, voor ons onbekende, mensen een opstootje gaande was. Ik zag een blanke man lang blond haar in een paardenstaart en gekleed in een witte blouse met lange mouwen bij het opstootje. Ik hoorde dat er luidruchtig gesproken werd door genoemde man en de andere partij. Ik kan van de andere partij weinig verklaren behalve dat het volgens mij een groep jongeren was.

Ik hoorde dat [slachtoffer 1] op een normale manier zei: “Hou het gezellig vanavond”. Dit

zei [slachtoffer 1] toen wij langs genoemde man en groep liepen. [slachtoffer 1] en [naam 2] liepen

voor mij en [naam 1]. Ik schat dat [slachtoffer 1] en [naam 2] ongeveer twee a drie meter

voor [naam 1] en mij liepen. Ik zag dat [slachtoffer 1] en [naam 2] verder liepen. [naam 1] en ik liepen hierna ook langs het opstootje. Ik hoorde dat [naam 1] in het algemeen zei: “ Hou het gezellig en geen ruzie maken”. Vervolgens hoorde ik dat genoemde man met de paardenstraat en witte blouse een opmerking maakte in de richting van [naam 1]. Ik weet niet meer precies wat de man heeft gezegd maar het was iets in de richting van hou je bek of woorden van gelijke strekking. Ik zei toen tegen de genoemde man: “Hey vriend doe eens rustig aan”. Ik zag toen dat genoemde man mij met zijn linkerhand in mijn gezicht greep. Ik voelde dat een van zijn vingers in mijn mond terecht kwam. Ik wilde mij verdedigen en kwam in een worsteling terecht met genoemde man. Tijdens de worsteling zag ik dat [slachtoffer 1] er aan kwam en ons uit elkaar wilde halen en de boel probeerde te sussen. Toen [slachtoffer 1] er aan kwam lopen hoorde ik dat ze zei: ”Hey jongens doe eens normaal”. Ik voelde dat genoemde man mij los liet en ik zag meerdere omstanders om ons heen staan. Ik zag toen dat genoemde man met de paardenstaart en de witte blouse met zijn vuist [slachtoffer 1] vol in liet gezicht sloeg. Ik zag dat [slachtoffer 1] gelijk achterover viel en op de straat terecht kwam. Ik weet niet meer precies waar [slachtoffer 1] in haar gezicht is geraakt en met welke hand genoemde man heeft geslagen. [slachtoffer 1] heeft voor zover ik heb kunnen zien niemand geslagen. Toen [slachtoffer 1] op de grond lag heb ik mij over haar ontfermd. Ik zag dat [slachtoffer 1] buiten bewustzijn was. Ik zag dat [slachtoffer 1] niet reageerde op aanspreken. Ik heb meerdere keren: “[slachtoffer 1], [slachtoffer 1]”. Uiteindelijk, na ongeveer vijf minuten, zag ik dat [slachtoffer 1] weer bij bewustzijn was. Wij wilden [slachtoffer 1] toen overeind helpen en haar ergens laten zitten. Tijdens het overeind helpen van [slachtoffer 1] hoorde ik [slachtoffer 1] schreeuwen dat ze een zere schouder had. Ik zag de politie inmiddels ook al.


4.

Het proces-verbaal van bevindingen [verbalisant], hoofdagent van politie Regiopolitie Twente, van 12 oktober 2014, pagina 18, inhoudende, zakelijk weergegeven als verklaring van verbalisant:


Op zondag 12 oktober 2014 kreeg bovengenoemd verbalisant het verzoek om een

mishandeling te onderzoeken. Deze mishandeling heeft plaats gevonden in de

Stadsgravenstraat te Enschede. Hierbij heeft het slachtoffer van verdachte: [verdachte] geboren op [geboortedatum 1] 1972 te [geboorteplaats 1] een slag in het gezicht gekregen.

Het slachtoffer: [slachtoffer 1], [slachtoffer 1] [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum 2] 1971 te [geboorteplaats 2]

is als gevolg van de slag met een ambulance overgebracht naar de eerste hulp van

het Medisch Spectrum Twente. Bovengenoemd verbalisant heeft hierop met het opgegeven telefoonnummer van het slachtoffer gebeld om te horen hoe haar toestand is. Hierop kreeg ik getuige [getuige 4]. geboren op [geboortedatum 3] 1973 te [geboorteplaats 3] aan de telefoon. Hij is de vriend van het slachtoffer. Op mijn vraag hoe het met het slachtoffer gaat hoorde ik getuige [getuige 4] verklaarde dat het niet zo goed ging.

Hij vertelde dat zij opgenomen was in het ziekenhuis. Nader onderzoek had uitgewezen dat zij een klein scheurtje heeft onder haar schedel. Van een oor is het gehoor weg en hoort zij op dit moment alleen geruis. Vandaag gaat de KNO arts hierna nader onderzoek doen.


5.

Een door drs. R.C.A. Santing, Forensisch arts, opgemaakte geneeskundige verklaring van 12 oktober 2014 betreffende [slachtoffer 1] houdt, zakelijk weergegeven, het volgende in:


Letsels

Informatie van het ziekenhuis leert dat sprake is van twee schedelfracturen. De eerste is een fractuur van het achterhoofdbeen links die doorloopt tot in het achterhoofdgat en door het gewichtsvlak wat op de atlas (1e halswervel) rust. De tweede is een schedelbasisfractuur rechts die loopt door het wiggebeen en het rotsbeen en daarbij tevens raakt de inwendige gehoorgang en het kanaal waar de halsslagader doorheen loopt. Het gehoor is rechts verminderd.

Het slachtoffer heeft een meervoudige fractuur van het rechterschouderblad. De behandeling is door middel van een mitella, pijnstilling en een spoedige start met oefeningen. De prognose is volgens de chirurg dat na 6 maanden de schouder weer geheel functioneel zou zijn. De letsel past bij een rechtstandige val achterover plat op de rug en op het schouderblad.


Ten aanzien van feit 2 met parketnummer 08/138536-13


Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Twente met nummer PL05KL 2013075389. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.


1.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] van 27 juli 2013, pagina’s 3 en 4, inhoudende zakelijk weergegeven als verklaring van aangeefster:


Op vrijdag 26 juli 2013 was ik bij mijn moeder aan de [adres 3] te

Enschede. Ik was daar omdat ik weer problemen had met [verdachte]. Op een gegeven moment werd er aangebeld. Wij zagen op de intercom dat [verdachte] voor de deur stond. Wij hebben de deur niet geopend. Daarop hoorden wij veel geschreeuw en een bult kabaal. Wij zagen dat [verdachte] nu aan de achterzijde van de flat stond. Wij hoorden dat hij schreeuwde: “Ik maak je dood! Je ziet wel wat er gebeurt”. Ik ben bang dat [verdachte] zijn dreigement gaat uitvoeren. Ik durf dan ook niet naar huis en blijf bij mijn moeder. Ik woon bij [verdachte] in aan de [adres 4] te Enschede, maar ik sta daar niet ingeschreven.


2.

Het proces-verbaal van bevindingen van 27 juli 2013 als verklaring van [naam 3] (moeder van [slachtoffer 3]) die als getuige is gehoord, pagina’s 7 en 8, inhoudende zakelijk weergegeven:


Ik bewoon het appartement [adres 3] te Enschede.

Mijn dochter [slachtoffer 3] heeft vorige week samen met haar vriend [verdachte] een

bromfietsongeluk gehad, waarbij ze haar been verwondde. Het gaat nog niet goed met het been en daarom heeft ze bij mij geslapen. Ze is vandaag, vrijdag, 26 juli 2013 naar het ziekenhuis / de dokter geweest. [slachtoffer 3] had woorden met [verdachte]. Op vrijdagavond, 27 juli 2013 omstreeks half elf ging de huisbel. Via de intercom hoorde en zag ik dat [verdachte] beneden aan de bel was. [verdachte] schreeuwde en gedroeg zich agressief. [slachtoffer 3] wilde niet dat de deur werd geopend. Ze was bang voor hem. Ik denk dat ze wel eens door hem mishandeld is.

Kort daarop hoorde ik [verdachte] achter het appartement schreeuwen. Ik herkende zijn stem. [verdachte] weet dat daar geen bewakingscamera’s zijn. [slachtoffer 3] is het balkon opgegaan. Ik hoorde dat hij riep naar [slachtoffer 3]: ‘Vieze trut. Je komt er wel achter. Ik pak je, je familie en [naam 4]. Ik maak je dood’.


Ten aanzien van de feiten 1 en 3 met parketnummer 08/710397-12


Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Twente met nummer PL05YB 2012066995. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.


1.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2], hoofdagent werkzaam bij de Regiopolitie Twente, van 5 juli 2012 pagina’s 3 en 4, zakelijk weergegeven als verklaring van aangever:


Op woensdag 4 juli 2012 was ik met mijn collega [verbalisant], belast met de

noodhulpdienst. Wij waren in volledig herkenbaar politie-uniform gekleed en bewogen ons voort in een opvallend politie dienstvoertuig met het roepnummer de 44.01. Op voornoemde datum, omstreeks 23.21 uur ontvingen mijn collega en ik van de meldkamer van de regiopolitie Twente de melding om te gaan naar de [adres 4] te Enschede. De bewoner van dat adres zou door draaien. Hij zou op de galerij staan. De meldster zou als de dood zijn voor deze man. Verdachte is bij mij, [slachtoffer 2], ambtshalve bekend als zijnde geweldpleger. Ik zag dat de verdachte in onze richting keek. Ik hoorde dat verdachte vrijwel meteen mondeling agressief werd naar ons toe. Ik hoorde dat de verdachte naar ons riep: “Oprotten vuile kakkerlakken jullie.”

Ik zag dat de verdachte vervolgens een agressieve houding aan nam. Ik rook op dat moment een enorme alcohollucht. Ik zag dat de verdachte zijn schouders naar achteren haalde en zijn borst naar voren bracht. Ik zag vervolgens dat de verdachte al schreeuwend en met versnelde pas op mij af liep. Ik stond voor de verdachte. Aan de gezichtsuitdrukking van de verdachte zag ik dat hij woedend was. Ik hoorde dat de verdachte naar ons schreeuwde:’ oprotten vuile kanker kakkerlakken.” Ik zag dat de verdachte wederom met versnelde pas op ons af liep. Ik zag en voelde dat de verdachte mij met beide handen wederom bij mijn overhemd ter hoogte van borst vastpakte. Ik riep tot drie keer toe naar de verdachte dat hij mij los moest laten en dat hij was aangehouden voor belediging. Ik voelde en zag dat de verdachte mij niet los liet. Ik rukte mij los van de verdachte. Wij, verbalisanten pakten de verdachte vervolgens bij zijn armen en drukten hem tegen de balustrade. Ik voelde dat de verdachte hevig in verzet ging. Ik voelde en zag dat verdachte zich krachtig los probeerde te rukken van mij. Ik hoorde dat de verdachte naar ons riep: ”Pak me maar vuile kanker kakkerlakken, jullie zijn helemaal niets voor mij.” Of woorden van gelijke strekking. Ik pakte mijn transportboeien en wilde de verdachte boeien. Ik zag en voelde dat de verdachte het verzet niet staakte. Ik zag vervolgens dat er meerdere collega’s ter plaatse kwamen en ons hielpen bij de aanhouding waarop wij de verdachte konden afboeien. Ik hield de boeien vast en bracht de verdachte richting het

dienst voertuig. Onderweg naar liet dienstvoertuig hoorde ik dat de verdachte tegen mij zei: ”Ik kom je nog wel een keer tegen als je alleen bent kakkerlak.” Ik heb de verdachte geplaatst in het dienstvoertuig, de 44.01. Mijn collega en ik brachten de verdachte over naar het arrestantencomplex te Borne. Onderweg naar het arrestantencomplex zag ik dat de verdachte op verschillende momenten in mijn richting keek en hoorde ik dat hij tegen mij zei:” Ik zoek je wel op vuile witte aap, wacht maar af. Jij bent nog niet af van mij. Als ik wil maak ik je zo dood jongen. Je komt er nog wel achter.” Of woorden van gelijke strekking. Door deze woorden voelde ik mij ernstig bedreigd. Dit gezien liet feit dat bij mij ambtshalve bekend is dat de verdachte zich veelvuldig schuldig heeft gemaakt aan geweldsmisdrijven.


2.

Het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant], hoofdagent van de Regiopolitie Twente en [verbalisant], hoofdagent van de Regiopolitie Twente van 5 juli 2012, pagina 11, zakelijk weergegeven als verklaring van verbalisanten:


Op woensdag 4 juli 2012 waren wij, verbalisanten, [verbalisant] en [verbalisant], in

herkenbaar politie-uniform gekleed. Tevens waren wij, verbalisanten, belast met de

centrale-incidenten-behandeling en wij, verbalisanten, reden in een opvallend

dienstvoertuig. Wij, verbalisanten, kregen omstreeks 23:20 uur, van de centralist van de meldkamer Twente, de melding om te gaan naar de [adres 4] te Enschede. Hier zou een man op de galerij schreeuwen en dingen kapot maken. Collega’s gaven door, via de mobilofoon, dat de man vermoedelijk [verdachte] zou kunnen zijn. Ambtshalve is het ons, verbalisanten, bekend, dat genoemde [verdachte] meerdere malen veel verzet heeft gepleegd tijdens diverse aanhoudingen.

Ter plekke zagen wij, verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant], dat twee collegae, genaamd [slachtoffer 2] en [verbalisant] via de hoofdingang het flatgebouw betraden. Ik, verbalisant [verbalisant], hoorde van buiten gestommel binnen. We zijn hierop ook het flatgebouw binnen gegaan. Op de galerij troffen wij, verbalisanten, genoemde collega’s. Wij, verbalisanten, zagen dat de collega’s de voor ons, verbalisanten, ambtshalve bekende [verdachte] wilden aanhouden. Wij, verbalisanten, zagen dat collega [slachtoffer 2] aan de linkerarm van [verdachte] een transportboei had aangelegd. Wij, verbalisanten, zagen dat [verdachte] geen gehoor gaf aan de aanwijzingen welke hij van genoemde collega’s kreeg. Wij, verbalisanten, zagen dat [verdachte], zich in een andere richting bewoog als waar de collega’s hem trachten te bewegen. Hierop is door een andere collega, genaamd [verbalisant], een, volgens IBT aangeleerde nekklem aangelegd. Tijdens het aanleggen van de transportboeien hoorden wij, verbalisanten, dat [verdachte] zei “jongen, als ik je had willen vermoorden had ik dat al lang gedaan”, of woorden van gelijke strekking. Wij, verbalisanten, begrepen hieruit dat [verdachte] dit riep in de richting van collega [slachtoffer 2]. Dit omdat [verdachte] telkens in de richting van collega [slachtoffer 2] sprak. Tijdens het begeleiden van [verdachte] richting het dienstvoertuig hoorde ik, verbalisant [verbalisant], dat [verdachte] riep “ik kom je nog wel een keer tegen

als je alleen bent” of woorden van gelijke strekking. Ik, verbalisant [verbalisant], hoorde en zag dat [verdachte] dit zei in de richting van collega [slachtoffer 2].