Rechtbank Overijssel, 17-06-2015 / C/08161109/ha za 14-419


ECLI:NL:RBOVE:2015:3122

Inhoudsindicatie
Betaling naheffingsaanslag en heffingsrente. Niet in geschil is dat gedaagden in reconventie zijn betaald voor de door hun verrichte werkzaamheden, alsmede dat die werkzaamheden zijn verricht in het kader van een dienstbetrekking. Eisers in reconventie hadden derhalve over de betaalde vergoedingen loonheffing moeten inhouden en aan de belastingdienst moeten afdragen. Nu zij dat niet hebben gedaan en derhalve in feite bruto betalingen zonder inhoudingen hebben gedaan, hebben zij de loonheffing die zij hadden moeten inhouden dus onverschuldigd aan gedaagden in reconventie betaald. De naheffingsaanslagen zullen dan ook alsnog door gedaagden in reconventie moeten worden gedragen. Naast de vordering uit hoofde van de naheffingsaanslag vorderen eisers in reconventie tevens de (terug)betaling van de verschuldigde heffingsrente. Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat gedaagden in reconventie feitelijk leiding hebben gegeven aan het door eisers in reconventie niet (tijdig) afdragen van loonheffing. Dat niet tijdig afdragen moet derhalve aan gedaagden in reconventie worden toegerekend. Dat als gevolg daarvan door de belastingdienst heffingsrente is berekend, is dan ook tevens een factor die voor rekening van gedaagden in reconventie komt. Doordat eisers in reconventie die heffingsrente betaalbaar hebben moeten stellen, zijn gedaagden in reconventie ongerechtvaardigd verrijkt. Zij hadden immers de heffingsrente moeten dragen. De vorderingen in reconventie zijn dan ook voor toewijzing vatbaar.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-06-17
Publicatiedatum
2015-06-30
Zaaknummer
C/08161109/ha za 14-419
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht


Zittingsplaats Almelo


zaaknummer: C/08161109/ha za 14-419

datum vonnis: 17 juni 2015

Vonnis van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:


1 [X],wonende te [woonplaats 1],

hierna te noemen [X], 2. [Y],wonende te [woonplaats 2], verder te noemen [Y],eisers in conventie, gedaagden in reconventie,advocaat mr. B. Maat te Breda,


tegen


1het rechtspersoonlijkheid bezittende openbaar lichaamWerkvoorzieningschap Oost-Twente,

gevestigd te Oldenzaal,

hierna te noemen WOT,

advocaat mr. J.D. Veltman te Enschede2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheidTopcraft B.V.,gevestigd te Oldenzaal,

hierna te noemen Topcraft,

advocaat: mr. J.D. Veltman te Enschede,

3. de naamloze vennootschap Twynstra Gudde Management Consultants N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

niet verschenen.


1Het procesverloop in conventie en in reconventie

1.1

Voor het procesverloop wordt verwezen naar de weergave daarvan in de eerdere tussenvonnissen, waaronder met name het (tussen)vonnis van 4 februari 2009. Bij laatstgenoemd vonnis is ten gronde geoordeeld in conventie, terwijl de beslissing in reconventie is aangehouden, waarbij aan de meest gerede partij is opgedragen om de procedure in reconventie weer voor voortproceduren op de rol te doen plaatsen.


1.2

Bij nadere conclusie in reconventie, genomen ter rolle van 10 september 2014, hebben WOT/Topcraft de procedure in reconventie weer opgebracht en, akte verzoekende van wijziging van eis, gevorderd de veroordeling van [X] tot betaling van een som van € 85.955, vermeerderd met rente en kosten waaronder beslagkosten, en van [Y] tot betaling van een som van € 13.844,- vermeerderd met de wettelijke rente en beslagkosten.


1.3

Ter rolle van 5 november 2014 hebben [X] en [Y] nader geconcludeerd in reconventie. Bij deze conclusie zijn eveneens producties in het geding gebracht. Ter zitting van 9 februari 2015 hebben partijen hun standpunten doen bepleiten. Daaraan voorafgaand heeft WOT/Topcraft bij brief van 2 februari 2015 opnieuw producties in het geding gebracht. Beide partijen hebben zich tijdens de pleidooien voorzien van een pleitnota die aan de processtukken is toegevoegd.


1.4

Zoals al blijkt uit de door partijen genomen nadere conclusies en hun pleitnota, beperkt het geschil in reconventie zich tot partijen WOT/Topcraft enerzijds en [X] en [Y] anderzijds. Andere partijen die bij het geschil in conventie betrokken waren, worden dan ook in dit vonnis in reconventie niet meer opgevoerd.


1.5

Na de pleidooien is bepaald dat opnieuw vonnis zal worden gewezen in reconventie.


2Vaststaande feiten en standpunten van partijen

2.1

Voor de vaststaande feiten en standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de weergave daarvan in het (tussen)vonnis van 4 februari 2009.


3De beoordeling In reconventie:

3.1

De rechtbank neemt in reconventie over hetgeen zij heeft overwogen en beslist in het (tussen)vonnis van 4 februari 2009 in met name de overwegingen 12.1 tot en met 12.7.

3.2

De basis voor de reconventionele vorderingen van WOT/Topcraft is haar stelling dat de belastingdienst heeft geoordeeld dat de werkzaamheden van [X] voor WOT/Topcraft via zijn personal holding ALGO Interimmanagement en Consultancy B.V. over de jaren 2000 tot en met 2003 moesten worden aangemerkt als een dienstbetrekking tussen hem en WOT/Topcraft zodat loonheffing had moeten worden ingehouden. Tot datzelfde oordeel is de belastingdienst gekomen waar het gaat om de werkzaamheden die [Y] door tussenkomst van zijn personal holding Baron B.V. als commissaris/adviseur heeft verricht. WOT/Topcraft heeft dan ook alsnog naheffingsaanslagen en daarover gevorderde wettelijke heffingsrente moeten betalen. WOT/Topcraft is van oordeel dat [X] en [Y] die bedragen alsnog zullen moeten dragen, omdat die destijds immers ten onrechte en dus onverschuldigd aan hen zijn uitbetaald. Subsidiair zou sprake zijn van onrechtmatige verrijking doordat [X] en [Y] het in te houden belastingbedrag zonder rechtsgrond rechtstreeks hebben ontvangen.


3.3

Door WOT/Topcraft is in het geding gebracht als productie 7 de uitspraak van de rechtbank Arnhem, sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer van 28 december 2010. Partijen zijn het erover eens dat deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. Bij voornoemd vonnis is vastgesteld dat in de relevante periode daadwerkelijk sprake is geweest van dienstbetrekkingen tussen WOT/Topcraft en [X] respectievelijk [Y]. De rechtbank Arnhem heeft in haar vonnis de omvang van de naheffingsaanslagen berekend als in dat vonnis omschreven.



3.4

Tijdens voornoemde procedure en de periode daarna heeft nader overleg met de belastingdienst plaatsgevonden waarbij de belastingdienst zich bereid heeft verklaard bij de definitieve berekening van de naheffingen rekening te houden met door [X] en [Y] van hun werkmaatschappijen ontvangen en in hun aangifte IB/PVV als loon aangegeven bedragen. Bovendien hebben fiscale correcties plaatsgevonden ter voorkoming van dubbele heffing. In het geval van [X] heeft dat, in overleg met hem, geleid tot een teruggave van belasting die rechtstreeks aan WOT/Topcraft is uitbetaald, nu immers WOT/Topcraft de naheffingsaanslagen reeds aan de belastingdienst had uitbetaald.


3.5

Na voornoemde verrekeningen resteerde, aldus WOT/Topcraft, van de oorspronkelijke naheffingsaanslag met betrekking tot [X] een bedrag van € 35.637,- en met betrekking tot [Y] van € 11.523,-. WOT/Topcraft vordert deze bedragen thans van [X] respectievelijk van [Y] terug. Hetzelfde geldt voor de door WOT/Topcraft betaalde heffingsrente die in het geval van [X] omvat een bedrag van € 50.318,- en in het geval van [Y] een bedrag van € 2.321,-. De omvang van de genoemde bedragen als zodanig staat tussen partijen niet ter discussie.


3.6

Niet in geschil is dat zowel [X] als [Y], voor zover in het kader van deze procedure relevant, door WOT/Topcraft zijn betaald voor de door hun verrichte werkzaamheden, alsmede dat die werkzaamheden, zoals de rechtbank Arnhem ten gronde heeft beslist, zijn verricht in het kader van een dienstbetrekking. WOT/Topcraft had derhalve over de betaalde vergoedingen loonheffing moeten inhouden en aan de belastingdienst moeten afdragen. Nu WOT/Topcraft dat niet heeft gedaan en derhalve in feite bruto betalingen zonder inhouding aan [X] en [Y] heeft gedaan, heeft zij de loonheffing die zij had moeten inhouden dus onverschuldigd, via hun personal holdings, aan [X] en [Y] betaald. Zij had immers aan de belastingdienst moeten betalen. De door WOT/Topcraft betaalde naheffingsaanslagen zullen uit dien hoofde dan ook alsnog door [X] respectievelijk [Y] moeten worden gedragen. Het gaat daarbij om de bedragen van € 35.637,-- ([X]) en € 11.523,-- ([Y]). [X] en [Y] hebben betoogd dat zij de betreffende belastingsom niet alsnog zouden behoeven te dragen omdat de destijds gekozen en later door de belastingrechter afgekeurde constructie door hen is gevolgd, omdat WOT/Topcraft die constructie wilde. WOT/Topcraft had destijds, naar zij stelt, fiscale deskundigheid in huis zodat [X] en [Y] er op mochten vertrouwen dat de gekozen constructie juist was.


3.7

Wat er ook moge zijn van de al dan niet juistheid van die stellingname, dat doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan het objectief vast te stellen feit dat door die constructie ten onrechte geen belasting ten laste van [X] en [Y] werd ingehouden en afgedragen en die niet ingehouden bedragen onverschuldigd aan [X] en [Y] zijn uitbetaald. Bovendien miskent voornoemd standpunt de feitelijke positie die [X] en [Y] binnen WOT/Topcraft innamen, zoals hierna in dit vonnis zal worden verduidelijkt.


3.8

Naast de vordering uit hoofde van de naheffingsaanslag, vordert WOT/Topcraft tevens de (terug)betaling door [X] en [Y] van de verschuldigde en, naar WOT/Topcraft stelt reeds afgedragen, heffingsrente. Inzake [X] gaat het daarbij om een bedrag van € 50.318,- en in het geval van [Y] om een bedrag van € 2.321,-. [X] en [Y] zouden ongerechtvaardigd zijn verrijkt, doordat niet zij maar WOT/Topcraft die heffingsrente aan de belastingdienst heeft afgedragen.


3.9

Ten verwere voeren [X] en [Y] aan dat zij in het geheel geen heffingsrente verschuldigd zijn omdat die door de belastingdienst niet in rekening zou zijn gebracht. Bovendien bestaat geen grondslag voor betaling van de heffingsrente aan WOT/Topcraft omdat er noch sprake zou zijn van onverschuldigde betaling, noch van ongerechtvaardigde verrijking. De heffingsrente is opgelegd omdat WOT/Topcraft de loonheffing op de vergoedingen aan [X] en [Y] te laat heeft betaald. Dat ligt, zo begrijpt de rechtbank de stellingen van [X] en [Y], in de risicosfeer van WOT/Topcraft omdat zij immers op grond van de gekozen constructie van oordeel was dat er geen loonheffing behoefde te worden betaald.


3.10

De rechtbank verwerpt de stelling van [X] en [Y] dat er in het geheel geen heffingsrente verschuldigd zou zijn. Uit de uitspraak van de belastingrechter van 28 december 2010 volgt dat de belastingdienst zowel naheffingsaanslagen als heffingsrente heeft opgelegd en dat zowel tegen die naheffingsaanslagen als tegen de heffingsrente bezwaar is gemaakt. In de belastingprocedure heeft, zoals in dit vonnis al gememoreerd, een inhoudelijk dispuut plaatsgevonden over de via de personal holdings betaalde belastingsommen en de verrekening ter voorkoming van dubbele belasting. Dat heeft ertoe geleid dat de belastingrechter de naheffingsaanslagen heeft verminderd, hetgeen ook tot vermindering van de heffingsrente heeft geleid. Onder overweging 4.30 in het vonnis van de belastingrechter van 28 december 2010 wordt dat als volgt omschreven: “omdat de naheffingsaanslagen worden verminderd dienen de beschikkingen heffingsrente eveneens dien overeenkomstig te worden verminderd”. Niet is derhalve overwogen dat in het geheel geen heffingsrente verschuldigd is. Nog tijdens de pleidooien waren partijen het erover eens dat die conclusie ook niet kan worden getrokken uit de, waar het [X] betreft, als productie 99 in het geding gebrachte brief van Koole Belastingadvies B.V. van 23 december 2011. De rechtbank neemt derhalve als uitgangspunt dat uiteindelijk wel heffingsrente is berekend, die bij WOT/Topcraft is geïncasseerd. Daarbij stelt de rechtbank vast dat de omvang van de bedragen als zodanig, door [X] en [Y] niet is betwist.


3.11

Vervolgens moet worden beantwoord de vraag of [X] en [Y] geen heffingsrente verschuldigd zijn omdat de verschuldigdheid daarvan geheel in de risicosfeer ligt van WOT/Topcraft. [X] en [Y] beroepen zich daarbij onder meer op het door hen als productie 100 in het geding gebrachte vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 13 november 2013 in de procedure tussen WOT/Topcraft als eisers en de heer [S] als gedaagde. Met name overweegt de rechtbank Oost-Brabant in dat vonnis dat WOT/Topcraft de loonheffing te laat heeft betaald, omdat zij meende op grond van de mede door haar bedachte constructie die niet te hoeven betalen. Als achteraf blijkt, aldus de rechtbank Oost-Brabant, dat het standpunt van WOT/Topcraft onjuist is geweest, dan komt de heffingsrente op de door haar te laat betaalde loonheffing voor haar eigen rekening.


3.12

De rechtbank volgt de genoemde overweging van de rechtbank Oost-Brabant in de onderhavige procedure echter niet. In afwijking van de positie van genoemde heer [S], moeten immers [X] en [Y] juist worden aangemerkt als degenen die opdracht tot toepassing van de betreffende constructie hebben gegeven en/of daar feitelijk leiding aan hebben gegeven. In ieder geval staat vast dat zowel [X] als [Y] bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Almelo van 28 november 2011 zijn veroordeeld, onder meer ter zake het: “opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl dit feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, gepleegd door een rechtspersoon (lees: WOT/Topcraft) terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.”


3.13

De beide vonnissen van de meervoudige strafkamer zijn door WOT/Topcraft in de onderhavige procedure in het geding gebracht als producties 24 en 25. Uit hoofde van het bepaalde in artikel 61 Rv. levert een in een kracht van gewijsde gegaan, op tegenspraak gewezen vonnis waarbij de Nederlandse strafrechter bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan, dwingend bewijs op van dat feit. Aldus staat voor de rechtbank in deze procedure vast dat [X] en [Y] feitelijk leiding hebben gegeven aan het door WOT/Topcraft niet (tijdig) afdragen van loonheffing. Dat niet tijdig afdragen moet derhalve aan [X] en [Y] worden toegerekend. Dat als gevolg daarvan door de belastingdienst heffingsrente is berekend, is dan ook tevens een factor die voor rekening van [X] en [Y] komt. Doordat WOT/Topcraft die heffingsrente betaalbaar heeft moeten stellen, zijn [X] en [Y] ongerechtvaardigd verrijkt. Zij hadden immers die heffingsrente moeten dragen. De onderhavige vorderingen van WOT/Topcraft zijn dan ook voor toewijzing vatbaar.


3.14

Vervolgens moet de rechtbank beslissen over de door WOT/Topcraft gevorderde wettelijke rente over de bedragen in hoofdsom. WOT/Topcraft vorderen die rente vanaf 2 april 2008 omdat dit de dag is waarop bij conclusie van repliek in reconventie aanspraak op de wettelijke rente over de in februari daaraan voorafgaand betaalde belastingaanslagen is gemaakt. De rechtbank volgt WOT/Topcraft in die ingangsdatum. De rechtbank oordeelt dat de vordering tot vergoeding van de naheffingsaanslagen bij conclusie van eis in reconventie van 4 juli 2007, conform de stelling van WOT/Topcraft , daadwerkelijk als ingebreke stelling kan worden aangemerkt. De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente dan ook toe vanaf 2 april 2008.


3.15

Het oordeel van de rechtbank is derhalve dat [X] en [Y] zowel de gevorderde naheffingsaanslag als de gevorderde heffingsrente verschuldigd zijn en zulks vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 april 2008. De gevorderde beslagkosten ten laste van [X] zijn als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar. De gevorderde beslagkosten ten laste van [Y] zijn niet voor toewijzing vatbaar nu uit de overgelegde stukken niet kan worden afgeleid dat rechtsgeldig te zijnen laste daadwerkelijk beslag is gelegd. Als in het ongelijk gestelde partijen worden [X] en [Y] hoofdelijk veroordeeld in de kosten van de procedure in reconventie.


4De beslissing


de rechtbank:


in reconventie :

Veroordeelt [X] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan WOT enTopcraft tezamen de som van € 85.955,- te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 2 april 2008 tot aan de dag van algehele voldoening.

Veroordeelt [Y] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan WOT en Topcraft tezamen te betalen de som van €13.844,- te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 2 april 2008 tot aan de dag van algehele voldoening.




III. Veroordeelt [X] tot betaling van de kosten van het te zijnen laste gelegde conservatoir beslag welke kosten uit hoofde van een dienaangaande door WOT/Topcraft ingediend verzoekschrift en de gemaakte deurwaarderskosten worden bepaald op een bedrag van € 1.692,77.


IV. Veroordeelt [X] en [Y] hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van de procedure in reconventie, tot op deze uitspraak aan de zijde van WOT en Topcraft begroot op € 7.815,50 aan salaris van de advocaat. (5,5 punten maal € 1.421,-).

V. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

VI. Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.


Dit vonnis is gewezen door de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, door mrs. Vermeulen, Lorist en Hangelbroek en op 17 juni 2015 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.