Rechtbank Overijssel, 01-07-2015 / Awb 15/532


ECLI:NL:RBOVE:2015:3128

Inhoudsindicatie
Verlaging WWB-uitkering één maand met 100%; niet onredelijk dat eiser, nadat hij had gehoord in plaats van 32 uur per week 45,5 uur te moeten werken, gevraagd heeft naar uurloon; maatregel onvoldoende gemotiveerd; beroep gegrond.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-07-01
Publicatiedatum
2015-07-01
Zaaknummer
Awb 15/532
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle


Bestuursrecht


zaaknummer: AWB 15/532


uitspraak van de enkelvoudige kamer in het geschil tussen

[eiser], te Ommen, eiser,


en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ommen, verweerder

(gemachtigde: H.J. Leferink en M.A.W. Klein).



Procesverloop


Bij besluit van 27 november 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en de Afstemmingsverordening WWB gemeente Ommen gedurende één maand met 100% verlaagd.


Bij besluit van 13 februari 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.


Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2015. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.



Overwegingen


1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


Eiser ontvangt vanaf 1 september 2014 een WWB-uitkering naar de norm van gehuwden.


Voor eiser is – in het kader van de re-integratie – een plan van aanpak opgesteld op

14 oktober 2014. Op 11 november 2014 heeft eiser een gesprek gehad met de heer Knol (Dienstenbedrijf) en de heer [naam] (werkgever) over het traject werken met behoud van uitkering. Dit traject is niet gestart.


Vervolgens heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals vermeld in de vorige rubriek.



2. Verweerder heeft eisers uitkering gedurende één maand met 100% verlaagd omdat

hij niet voldoende de verplichting is nagekomen om gebruik te maken van een aangeboden

re-integratievoorziening.


3. Eiser voert aan dat dat zijn WWB-uitkering ten onrechte is verlaagd. Volgens eiser was de afspraak dat hij 32 uur per week zou gaan werken maar dat hij daadwerkelijk 45,5 uur per week zou moeten gaan werken. Gelet hierop wilde eiser graag weten wat het uurloon was en heeft hij daar (herhaaldelijk) om gevraagd.


4. De rechtbank overweegt als volgt.


4.1

Met ingang van 1 januari 2015 is de Participatiewet in werking getreden en is de

WWB komen te vervallen. Op grond van het overgangsrecht WWB, geregeld in artikel 78z,

vierde lid, van de Participatiewet wordt in het geval een bezwaar- of beroepschrift vóór of op

de datum van de inwerkingtreding van de Participatiewet is ingediend beslist met toepassing

van de WWB. In dit geval is het bezwaarschrift ingediend vóór 1 januari 2015 en is derhalve

de WWB van toepassing.


4.2

Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB, voor zover van

belang, is de belanghebbende verplicht gebruik te maken van een door het college

aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op

arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot

arbeidsinschakeling.


4.3

Artikel 18, tweede lid, van de WWB bepaalt, voor zover van belang, dat indien de

belanghebbende de uit de wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, het

college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid,

onderdeel b, van de WWB. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van

verwijtbaarheid ontbreekt. De genoemde verordening is in dit geval de

Afstemmingsverordening WWB gemeente Ommen.


4.4

Artikel 9 van de Afstemmingsverordening WWB gemeente Ommen vermeldt als

vierde categorie van gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond

van de WWB niet of onvoldoende is nagekomen onder c: het niet of onvoldoende nakomen

van de verplichting tot gebruik maken van geboden reïntegratievoorzieningen, waaronder

begrepen het niet of onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot

arbeidsinschakeling, scholing of zelfstandige maatschappelijke participatie, als dit heeft

geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van een reïntegratietraject.


4.5

Artikel 10, eerste lid en onder d, van de Afstemmingsverordening WWB gemeente

Ommen vermeldt dat de verlaging van de bijstand is vastgesteld op 100% van de norm bij

gedragingen van de vierde categorie.


Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat het college kan besluiten af te zien van het opleggen van een maatregel, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.


4.6

De rechtbank stelt voorop dat het in deze procedure gaat om een voor eiser belastend besluit. Dit betekent dat op verweerder de bewijslast rust over de vraag of is voldaan aan de voorwaarden om tot het nemen van de maatregel over te gaan (zie onder andere de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 29 mei 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA7629.

4.7

Ter beoordeling staat of verweerder op juiste gronden is overgegaan tot verlaging van de bijstandsuitkering van eiser met 100% gedurende één maand. De rechtbank ziet zich in dat verband eerst voor de vraag gesteld of eiser de op hem rustende verplichting van artikel 9, eerste lid, van de WWB heeft geschonden.


4.8

De rechtbank stelt vast dat eiser op 11 november 2014 een gesprek heeft gevoerd en dat dit gesprek een onderdeel was van het re-integratietraject Dienstverlening. Voorts heeft eiser in bezwaar en beroep – hetgeen hij ter zitting bevestigd heeft – verklaard tijdens het gesprek te hebben gevraagd wat het uurloon was ondanks dat tegen hem (vlak voor het gesprek) is gezegd dat hij zou gaan werken met behoud van zijn uitkering. De rechtbank stelt echter voorts vast dat tijdens datzelfde gesprek tevens tegen eiser is gezegd dat hij circa 32 uur per week zou gaan werken. Tijdens het gesprek met de heer [naam], de werkgever, bleek dit uiteindelijk veel meer te zijn, namelijk 45,5 uur per week. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder dit gegeven ook niet ontkend maar juist benadrukt dat het melkveebedrijf – waar eiser zou gaan werken – zeven dagen per week in bedrijf is.


Onder die omstandigheden acht de rechtbank het niet onredelijk dat eiser, nadat hij gehoord had dat hij in plaats van 32 uur per week 45,5 per week zou moeten gaan werken, vervolgens (meerdere malen) gevraagd heeft wat zijn uurloon dan zou zijn. Immers, het zodanig substantiële verschil in het aantal te werken uren – te meer daar eiser meer dan de normale arbeidstijd van 36 uur zou moeten gaan werken –, zou een rechtvaardiging kunnen zijn voor een andere afspraak aangaande de beloning voor het aantal te werken uren. De rechtbank is dan ook van oordeel dat door de bovengenoemde handelwijze van eiser niet zondermeer gezegd kan worden dat er van zijn zijde sprake was van een verkeerde houding.


Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder nog naar voren gebracht dat de verkeerde houding van eiser niet enkel het vragen naar het uurloon omvatte maar tevens zag op andere uitlatingen die eiser tijdens het gesprek met de heer [naam] zou hebben gedaan. Zo stelt verweerder dat hij zou hebben gezegd dat ‘hij geen ezel is’ en dat hij ‘zulke boeren niet hoeft’. Eiser heeft ter zitting gesteld zich niet te herkennen in het gesprek en heeft vervolgens nogmaals benadrukt dat de heer [naam], nadat hij had gevraagd naar het uurloon, direct heeft gezegd dat verweerder maar met iemand anders moest komen.


De rechtbank ziet in de gedingstukken geen bevestiging van de door verweerder ter zitting gegeven toelichting. In het verslag van 14 november 2014, dat de heer Knol (van het Dienstenbedrijf) heeft opgesteld naar aanleiding van het gesprek tussen eiser en de heer [naam], zijn de door verweerder gestelde uitlatingen van eiser niet terug te vinden. Nu sprake is van een belastend besluit, had het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van verweerder gelegen om nader onderzoek te verrichten ter vaststelling van de feiten.


4.9

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank tot het oordeel dat het onder deze omstandigheden in het geheel niet verwijtbaar is dat eiser tijdens het gesprek gevraagd heeft naar het uurloon en dat verweerder zodoende de bij het bestreden besluit gehandhaafde maatregel van 100% voor de duur van één maand onvoldoende heeft gemotiveerd. Het bestreden besluit dient om die reden te worden vernietigd. Gelet op deze overwegingen ziet de rechtbank ook geen mogelijkheden voor verweerder om het geconstateerde gebrek te herstellen. De rechtbank zal daarom met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak voorzien in die zin dat zij zal bepalen deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Dit brengt mee dat verweerder een nabetaling van de bijstand aan eiser zal moeten doen.


5. Het beroep is gegrond.


6. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed.


7. Ten aanzien van de door eiser gevraagde reiskosten overweegt de rechtbank dat op grond van artikel 1, onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) enkel voor vergoeding in aanmerking komen de reiskosten om de zitting bij te wonen. Voor vergoeding komen in aanmerking de reiskosten voor openbaar vervoer, laagste klasse. De kosten van een retour Ommen –Zwolle per trein bedragen € 9,36. Verweerder dient dit te vergoeden. De overige door eiser opgevoerde reiskosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.


8. Met betrekking tot de verschotten (kosten voor telefoon en post) wijst de rechtbank erop dat deze ingevolge vaste rechtspraak, onder meer in de uitspraak van 28 december 2004 van de Centrale Raad van Beroep, ECLI:NL:CRVB:2004:AR8818, gelet op het limitatieve karakter van de regeling van de proceskostenvergoeding, die is neergelegd in artikel 8:75 van de Awb en het daarop gebaseerde Bpb, niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de door eiser gevraagde wettelijke rente is de rechtbank van oordeel dat verweerder enkel over één maand wettelijke rente verschuldigd is. De wettelijke rente bedraagt in het geval van eiser minder dan € 10,-. Op grond van artikel 4:98, tweede lid, van de Awb is geen wettelijke rente verschuldigd als het bedrag ervan niet meer bedraagt dan

€ 10,-. Het verzoek om wettelijke rente dient dan ook te worden afgewezen.


























Beslissing


De rechtbank:


  • - verklaart het beroep gegrond;
  • - vernietigt het bestreden besluit;
  • - herroept het primaire besluit;
  • - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
  • - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan eiser te vergoeden;
  • - veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 9,36 te betalen aan eiser.


Deze uitspraak is gedaan door mr. W.F. Bijloo, rechter, in aanwezigheid van

mr. S.A. Westerbeek-Nette, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op





griffier rechter






Afschrift verzonden aan partijen op:


Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.