Rechtbank Overijssel, 20-04-2015 / C/08/168073 / FA RK 15-378


ECLI:NL:RBOVE:2015:3258

Inhoudsindicatie
De rechtbank houdt geen rekening met een fictief bedrag aan KGB/AOK, maar gaat uit van de feitelijke situatie. De rechtbank volgt de man niet in zijn stelling dat ‘family life’ tussen de partner van de moeder en haar kinderen zorgt voor een onderhoudsverplichting. Op de met vrouw samenwonende partner rust geen wettelijke onderhoudsverplichting. Wettelijke onderhoudsplicht gaat voor morele verplichting
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-04-20
Publicatiedatum
2015-07-08
Zaaknummer
C/08/168073 / FA RK 15-378
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • PFR-Updates.nl 2015-0239
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familierecht en Jeugdrecht


Zittingsplaats Almelo


zaaknummer: C/08/168073 / FA RK 15-378


beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel d.d. 20 april 2015


inzake


[verzoekster] [… 1] ,

verder te noemen: de vrouw,

wonende te [woonplaats 1],

verzoekster

advocaat mr. K.A. Schreurs te Goor,


en


[verweerder] [… 2] ,

verder te noemen: de man,

wonende te [woonplaats 2],

verweerder,

advocaat mr. S.A. Wortmann te Groningen.



1Het procesverloop


1.1.

De rechtbank heeft kennis genomen van de navolgende bescheiden:

- het verzoek met bijlagen, binnengekomen op 16 februari 2015;

- het verweer, tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen, binnengekomen op 20 maart 2015; en

- een op 20 maart 2015 binnengekomen brief van mr. Schreurs van 20 maart 2015 met bijlagen;


1.2.

De minderjarigen, [A] en [B], hebben op 10 maart 2015 een gesprek met de kinderrechter gehad.


1.3.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 23 maart 2015. Ter zitting zijn verschenen en gehoord: de vrouw, bijgestaan door mr. Schreurs, en de man, bijgestaan door mr. M. Weissink optredend voor mr. Wortmann. Namens de Raad voor de Kinderbescherming, verder te noemen de Raad, is verschenen de heer [C].


2De feiten


2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest, uit welk huwelijk zijn geboren de navolgende minderjarige kinderen:

[A] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1],

[B] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2].


2.2.

Partijen hebben de gevolgen van hun echtscheiding geregeld en neergelegd in het door beiden op 29 juli 2009 ondertekende echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan. In dit convenant en ouderschapsplan zijn partijen, voor zover thans van belang, als volgt overeengekomen:

-dat de kinderen hun hoofdverblijf bij de moeder hebben en op haar adres in het bevolkingsregister van de gemeente ingeschreven zullen staan,

en

- een zorg/contactregeling, zoals vermeld in een bijlage bij genoemd ouderschapsplan, kort weergegeven inhoudende dat de man, naast (een deel van) de vakanties en feestdagen, een weekend per veertien dagen, van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur, contact zal hebben met de minderjarigen.


2.3.

Bij beschikking van 8 september 2009 heeft de rechtbank Groningen de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, welke echtscheidingsbeschikking op

22 september 2009 is ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand.


2.4.

Bij voormelde echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, bepaald dat:- de inhoud van hiervoor bedoeld echtscheidingsconvenant en onderhoudsplan deel uitmaakt van die beschikking; en- de verplichting van partijen naar rato bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding geldt vanaf de datum waarop elk van hen beschikt over zelfstandige woonruimte, en dat partijen zich in dit verband verplichten een aanvullende vaststellingsovereenkomst op te stellen.


2.5.

Partijen hebben nadien op 18 mei 2010 een vaststellingsovereenkomst gesloten. Daarin zijn de kosten van de kinderen door de ouders conform de gangbare tabellen begroot op € 655,- in totaal. Partijen zijn daarin nader overeengekomen dat de man met ingang van 1 april 2010 zal voldoen aan kinderalimentatie € 160,- per kind per maand, bij vooruitbetaling te voldoen aan de vrouw en jaarlijks te vermeerderen met het wettelijk indexeringspercentage.


2.6.

Ingevolge de wettelijke indexering beloopt voormelde bijdrage met ingang van 1 januari 2015 € 169,16 per kind per maand.


3Het verzoek


De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bij ouderschapsplan van 29 juli 2009 overeengekomen zorgregeling tussen de man en de kinderen te wijzigen, in die zin dat de kinderen op vrijdag na 18.30 uur met de trein naar [woonplaats 2] afreizen, subsidiair te bepalen dat de omgangsregeling in stand blijft, maar dat de kosten van het reizen per trein op de vrijdag voor rekening van de man komen en de kosten van de zondagreis voor rekening van de vrouw, en meer subsidiair te bepalen dat de omgangsregeling in stand blijft, maar dat de kosten behorende bij de omgangsregeling bij helfte worden verdeeld over partijen.

Voorts verzoekt de vrouw vast te stellen dat de behoefte van de kinderen € 385,- per kind per maand bedraagt, rekening houdend met een kindgebonden budget van € 75,- per maand, en te bepalen dat de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen dient te betalen ad € 254,- per kind per maand, met ingang van de datum van dit verzoekschrift, een en ander bij vooruitbetaling te voldoen, althans een zodanig bedrag per kind per maand, als de rechtbank juist acht.


4Het verweer


De man verzoekt de rechtbank de vrouw in haar verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren dan wel deze af te wijzen, kosten rechtens.


5De beoordeling


Ten aanzien van de zorgregeling


5.1.

De vrouw stelt dat tussen partijen een geschil is ontstaan over de invulling van de zorgregeling. Doordat de vrouw van Drenthe is verhuisd naar [woonplaats 3] is er een toename van de tijd en de kosten die zijn verbonden aan het halen en brengen van de kinderen van de vrouw naar de man en vice versa. Als de kinderen op vrijdag na 18.30 uur naar [woonplaats 2] reizen, bedragen de kosten € 49,- per maand in plaats van € 132,20 of € 174,40 per maand. Volgens haar vinden de kinderen het prima om later in [woonplaats 2] aan te komen, wat, gezien de schoolverplichtingen, ook vaak beter uitkomt. Ook acht zij de kinderen prima in staat om met z’n tweeën zonder begeleiding per trein naar [woonplaats 2] te reizen.


5.2.

De man vindt dat de vrouw de negatieve gevolgen van haar besluit om te gaan samenwonen met haar nieuwe partner niet volledig op hem mag afwentelen. Hoewel hij bereid is mee te werken aan een aanpassing van de begin- en eindtijden, vindt hij dat zoveel mogelijk moet worden vastgehouden aan de eerder overeengekomen tijden. Hij stelt voor dat de kinderen gedurende het omgangsweekend op vrijdagavond omstreeks 18.01 uur in [woonplaats 2] met de trein aankomen, en dat de man ervoor zal zorgen dat de kinderen op zondag omstreeks 18.30 uur (na het avondeten) in [woonplaats 2] of in [M] weer op de trein worden gezet. De kinderen dienen volgens hem dan door de vrouw te worden begeleid of de treinreis van de kinderen moet worden beperkt tot het reizen tussen [woonplaats 2] en [N] of een ander station, zodanig dat zij niet hoeven over te stappen zonder begeleiding. Voorts is hij van mening dat de kosten voor het reizen per trein voor rekening van de vrouw dienen te komen, met dien verstande dat hij bereid is aan de vrouw € 15,- per maand te vergoeden als tegemoetkoming in de reiskosten, zijnde het bedrag dat de man voordien aan reiskosten had als hij de kinderen terugbracht naar de vrouw op het einde van het omgangsweekend.


5.3.

De Raad stelt zich op het standpunt dat de kinderen in het gesprek met de kinderrechter vrij zelfstandig overkomen en in staat lijken om de treinreis zonder begeleiding te maken. Uit het gesprek blijkt volgens de Raad voorts dat de kinderen graag naar vader gaan en het geen probleem vinden als zij later op de avond in [woonplaats 2] aankomen. De Raad heeft echter begrip voor het standpunt van vader, omdat hij door de verhuizing van moeder noodzakelijkerwijs tijd met de kinderen moet inleveren.


5.4.

De kinderrechter stelt voorop dat de moeder in beginsel recht heeft om haar leven in vrijheid te kunnen inrichten. Zij heeft echter, door met de kinderen van [O] naar haar nieuwe partner in [woonplaats 1] te verhuizen, de afstand tussen vader en de kinderen vergroot. Van de moeder kan dan ook worden verwacht dat zij (de kosten van) het halen en brengen voor haar rekening neemt. De kinderrechter acht het dan ook niet redelijk die kosten aan de man door te berekenen. Daarentegen heeft de man zich bereid verklaard om de vrouw € 15,- per maand te vergoeden als tegemoetkoming in de reiskosten, zodat de kosten van de vrouw iets lager zullen uitvallen.

Om genoemde reden acht de kinderrechter het evenmin redelijk dat de man, omwille van een beperking in de reiskosten, geconfronteerd wordt met een kortere omgangstijd met zijn dochters, wat er ook zij van het feit dat zij hebben verklaard er geen problemen mee te hebben dat zij later bij vader in [woonplaats 2] zullen arriveren. De kinderrechter is van oordeel dat het zowel in het belang van de minderjarigen is als in het belang van de man dat zij tijdig bij vader in [woonplaats 2] zijn om zoveel mogelijk tijd met elkaar te kunnen doorbrengen. De kinderrechter neemt daarbij eveneens in aanmerking dat de minderjarigen als gevolg van de toegenomen afstand in het geheel niet in de gelegenheid zijn om vader tussendoor te bezoeken.

De kinderrechter is voorts van oordeel dat de kinderen voldoende zelfstandig zijn om samen, zonder noodzakelijke begeleiding van moeder, met de trein naar [woonplaats 2] te reizen en weer terug naar [woonplaats 1]. De bezwaren van vader zijn in dat opzicht niet dan wel niet voldoende aannemelijk gemaakt, reden waarom de rechtbank daaraan voorbij gaat. Als de kinderen alleen reizen zal dat tevens een besparing in de reiskosten van de vrouw opleveren. Naar het oordeel van de kinderrechter kan de huidige regeling dan ook in stand blijven, nu de kinderen alleen met de trein naar [woonplaats 2] en terug naar [woonplaats 1] kunnen reizen, op een zodanig tijdstip dat zij rond 18.00 uur, 18.30 uur, in [woonplaats 2] zijn, zolang dat inpasbaar is in de schoolroosters van de minderjarigen. Partijen alsook de minderjarigen moeten er echter rekening mee houden dat dit in de nabije toekomst mogelijk anders kan worden. Bovenstaande is voor de kinderrechter aanleiding het verzoek van de vrouw tot wijziging van de zorgregeling af te wijzen.


Ten aanzien van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding


De ontvankelijkheid


5.5.

Nu de man erkent dat sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die een hernieuwd onderzoek naar de behoefte en de draagkracht noodzakelijk en gerechtvaardigd maakt, kan de vrouw in haar verzoek worden ontvangen.


De behoefte


5.6.

Partijen hebben in de vaststellingsovereenkomst van 18 mei 2010 de kosten van de kinderen bepaald op een bedrag van totaal € 655,- per maand. Volgens de vrouw zijn die kosten niet middels de wettelijke normen en maatstaven bepaald. Zij meent dat uitgegaan moet worden van een bedrag van € 781,- aan kosten kinderen uitgaande van een netto gezinsinkomen van partijen van € 3.408,- per maand ten tijde van hun huwelijk. Rekening houdend met een door haar te ontvangen kindgebonden budget van € 75,- per maand en de wettelijke indexering bedraagt deze behoefte thans € 769,- per maand of wel € 385,- per kind per maand, aldus de vrouw.

De man stelt dat uit de vaststellingsovereenkomst blijkt dat de ouders de kosten van de kinderen conform de gangbare tabellen hebben begroot op € 655,- in totaal.


5.7.

Behoefte is een voorwaarde voor vaststelling van alimentatie. Volgens vaste jurisprudentie kan niet worden uitgegaan van een absoluut behoeftebegrip en houdt behoefte niet op bij het bestaansminimum. Het bestaan en de omvang van de behoefte hangen af van de individuele omstandigheden en moeten van geval tot geval worden bepaald. De Expertgroep Alimentatienormen geeft ten aanzien van de kosten van minderjarigen kinderen echter concrete richtlijnen, de zogenaamde Tremanormen en -tabellen. Uit het feit dat in de vaststellingsovereenkomst is opgenomen dat de ouders de kosten van de kinderen hebben begroot conform de gangbare tabellen, leidt de kinderrechter af dat de kosten van de kinderen in samenspraak met hun toenmalige advocaat zijn begroot volgens de eerder genoemde en ook gebruikelijke Tremanormen en tabellen. De vrouw heeft in ieder geval niet althans niet voldoende aannemelijk gemaakt dat die kosten anderszins en in strijd met de wettelijke normen en maatstaven zijn begroot. Voor zover de vrouw heeft bedoeld te stellen dat die overeenkomst is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven, heeft zij deze stelling evenmin voldoende aannemelijk gemaakt. De kinderrechter gaat dan ook voorbij aan haar stelling.


5.8.

De destijds vastgestelde behoefte van de kinderen aan een bijdrage van € 655,- per maand bedraagt thans per 1 januari 2015 geïndexeerd € 692,50 per maand. Hierop dient het door de vrouw te ontvangen kindgebonden budget in mindering te strekken. Voor heel 2015 ontvangt de vrouw een bedrag van € 903,-, hetgeen neerkomt op een gemiddeld bedrag van € 75,25 per maand. Aldus bedraagt de totale behoefte afgerond € 617,- per maand ofwel € 308,50 per kind per maand.


5.9.

De man stelt nog dat de vrouw, als zij niet was gaan samenwonen met een nieuwe partner, aanspraak had kunnen maken op een hoger kindgebonden budget alsook de alleenstaande ouderkop. In dat geval zou de behoefte van de kinderen op een lager bedrag uitkomen. De man is dan ook van mening dat deze keuze niet te zijnen laste kan worden gebracht, reden waarom de vrouw als alleenstaande moet worden aangemerkt bij de vaststelling van de behoefte van de kinderen. Indien de vrouw niet als alleenstaande wordt aangemerkt, pleit de man ervoor dat de nieuwe partner van de vrouw met wie zij niet is gehuwd, gehouden is bij te dragen in de kosten van de kinderen. Hij verwijst daarvoor naar recente jurisprudentie waarin sprake is van een doorbreking van het in de wet neergelegde stelsel (enkel de formele stiefouder is onderhoudsplichtig) in die zin dat ook in het geval dat sprake is van family life in de zin van artikel 8 EVRM tussen de nieuwe partner van de verzorgende ouder en zijn of haar minderjarige kinderen er een onderhoudsverplichting kan bestaan. De man stelt dat, naast het feit dat family life financiële verplichtingen met zich brengt, het onderscheid tussen een formeel en niet formeel stiefouderschap niet gerechtvaardigd is, aangezien dit in de berekening van alimentatie een ongewenste ongelijkheid tussen twee categorieën van stiefkinderen met zich zou brengen.

De vrouw verzet zich hiertegen en stelt dat het haar vrij staat om samen te wonen. Volgens haar worden de kinderen er bovendien de dupe van indien van een fictief bedrag aan kindgebonden budget wordt uitgegaan. Zij verwijst op haar beurt naar jurisprudentie waarbij wordt uitgegaan van de feitelijke situatie. Voorts stelt zij dat haar partner niet onderhoudsplichtig is jegens de onderhavige minderjarigen.


5.10.

Ook de kinderrechter is van oordeel dat uitgegaan moet worden van de feitelijke situatie en dat dus geen rekening moet worden gehouden met een fictief bedrag aan kindgebonden budget en alleenstaande ouderkop. De vrouw moet immers de vrijheid hebben om verder te kunnen gaan met haar leven en te gaan samenwonen. Het is dan ook niet redelijk te achten dat de kinderen door een dergelijke keuze enig financieel nadeel zouden kunnen ondervinden. Bovendien zou dit met zich meebrengen dat de partner van de vrouw in een deel van de kosten van de kinderen zou voorzien. Daarvoor ziet de kinderrechter, zoals hierna wordt overwogen, evenmin aanleiding. De kinderrechter zal de man dan ook niet volgen in zijn stelling dat de gevolgen van de persoonlijke keuze van de vrouw om te gaan samenwonen met een verdienende partner voor haar rekening en risico dienen te komen.


5.11.

De wet geeft een limitatieve opsomming van degenen die onderhoudsplichtig zijn jegens minderjarige kinderen. Ingevolge artikel 1:395 Burgerlijk Wetboek bestaat er thans alleen een wettelijke onderhoudsplicht voor de stiefouder, dat wil zeggen: de met de ouder gehuwde partner, jegens de kinderen van die ouder. Die wettelijke onderhoudsplicht kent de wet niet voor de niet met de ouder gehuwde partner, ook niet als sprake is van 'family life' tussen de samenlevende partner en de betreffende kinderen (HR 8 april 1994, NJ 1994, 439). Recent heeft de HR geoordeeld dat de wettelijke onderhoudsplicht van de man prioriteit heeft boven een eventuele morele verplichting van de partner van de vrouw om levensonderhoud te verstrekken (jegens de minderjarige kinderen van partijen, met wie hij in gezinsverband samenleeft, zie ECLI:NL:HR:2014:1066). Beantwoording van de vraag of sprake is van een onrechtvaardigheid nu in de wet onderscheid wordt gemaakt tussen een formeel en niet formeel stiefouderschap voortvloeiend uit een samenleving, hetgeen een ongewenste ongelijkheid in de wijze van het berekenen van alimentatie met zich zou brengen, gaat naar het oordeel van de kinderrechter de rechtsvormende taak van de rechter te buiten.


5.12.

De kinderrechter volgt dan ook vervolgens de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen, inhoudende dat het eigen aandeel kosten van kinderen tussen de onderhoudsplichtigen, in casu dus de beide ouders, wordt verdeeld naar rato van hun draagkracht. Daartoe dient eerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen te worden bepaald.


De draagkracht van de man


5.13.

De rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht van de man voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen uit van de navolgende gegevens. De man is alleenstaand. Blijkens de jaaropgaaf 2014 bedraagt het belastbare loon van de man in dat jaar € 41.725,-. Bij de berekening van het besteedbaar inkomen van de man houdt de rechtbank rekening met de inkomstenbelasting. De man heeft recht op de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Op grond van voormelde gegevens becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man op

€ 2.434,- per maand.


5.14.

De rechtbank berekent de draagkracht van de man aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 875)]. Voor zover recht bestaat op fiscaal voordeel in verband met de persoonsgebonden aftrekpost levensonderhoud kinderen, zal de rechtbank de draagkracht van de man tot 1 januari 2015 met dit bedrag verhogen. Op basis van voormelde formule berekent de rechtbank de draagkracht van de man op € 580,- per maand.


De draagkracht van de vrouw


5.15.

De rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht van de vrouw voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen uit van de navolgende gegevens.

De vrouw woont samen met de heer [P], die in eigen levensonderhoud voorziet.

Uit de door haar overgelegde betaalspecificaties van het UWV blijkt dat de vrouw een WW-uitkering ontvangt van thans € 800,84 bruto per vier weken, hetgeen neerkomt op € 11.244,- bruto per jaar inclusief vakantiegeld. In haar draagkrachtberekening gaat de vrouw echter uit van een bruto uitkering van totaal € 15.780,- per jaar, terwijl uit de door haar overgelegde voorschotbeschikking uitgegaan wordt van een geschat inkomen van € 16.279,- inclusief vakantiegeld. De kinderrechter zal van dat laatste inkomen uitgaan, nu hem geen andere gegevens ter beschikking staan. Bij de berekening van het besteedbaar inkomen van de vrouw houdt de rechtbank rekening met de inkomstenbelasting. De vrouw heeft recht op de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Op grond van voormelde gegevens becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vrouw op € 1.178,- per maand.


5.16.

Bij dit NBI heeft de vrouw op basis van de draagkrachttabel 2015 een draagkracht van € 50,- per maand.


De draagkrachtvergelijking


5.17.

Nu de totale draagkracht van de man en de vrouw tezamen € 630,- (€ 580,- + € 50,-) per maand bedraagt en deze hoger is dan de behoefte, die is vastgesteld op € 617,- per maand, dient het aandeel van de man en de vrouw in de kosten van de kinderen te worden berekend. Dit aandeel wordt berekend met behulp van de formule:


[eigen draagkracht : totale draagkracht] x totale behoefte


5.18.

Aan de hand van de hiervoor overwogen formule wordt het aandeel van de man vastgesteld op een (afgerond) bedrag van € 568,- per maand (€ 580,- : € 630,- x € 617,-). Het aandeel van de vrouw stelt de rechtbank vast op (afgerond) € 49,- per maand (€ 50,- : € 630,- x € 617,-).


De zorgkorting


5.19.

Zoals hiervoor is overwogen heeft de man eenmaal per veertien dagen contact met de minderjarige kinderen van partijen, alsmede gedurende (een deel van) de vakanties en feestdagen. De man heeft dan ook aanspraak op een zorgkorting. Volgens de vrouw dient, uitgaande van ca. vijf weken vakantie, een percentage van 20 te worden gehanteerd. De man stelt echter dat een percentage van 25 in deze reëel is.

De rechtbank volgt wat betreft de hoogte van die zorgkorting de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen, inhoudende dat het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid omgang of zorg. Uitgaande van de regeling, als bijlage 1 bij het Ouderschapsplan gevoegd, geldt naar het oordeel van de kinderrechter een zorgkortingspercentage van 25. Nu het aandeel van de ouders in de kosten van hun minderjarige kinderen € 617,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting € 154,- per maand.


5.20.

Aldus gerekend resteert een door de man aan de vrouw te leveren bijdrage in de kosten voor de kinderen van € 414,- (€ 568,- minus de zorgkorting van € 154,-) per maand, ofwel € 207,- per kind per maand. Voormelde bijdrage acht de rechtbank in overeenstemming met de wettelijke maatstaven en zal zij toewijzen.


De ingangsdatum


5.21.

De man heeft de door de vrouw verzochte ingangsdatum van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding niet weersproken, zodat de rechtbank overeenkomstig het verzoek van de vrouw zal beslissen.


De proceskosten


5.22.

Nu partijen gewezen echtelieden zijn, zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen zijn eigen kosten draagt.


6De beslissing


De kinderrechter:


I. wijzigt de tussen partijen in de vaststellingsovereenkomst d.d. 18 mei 2010 overeengekomen bijdrage van de man aan de vrouw in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen:

[A] , geboren te [woonplaats 2] op [geboortedatum 1],

[B] , geboren te [woonplaats 2] op [geboortedatum 2],

en stelt die bijdrage met ingang van 16 februari 2015 op € 207,- (tweehonderd en zeven EURO) per kind per maand, voor de toekomst telkens bij vooruitbetaling te voldoen;


II. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;


III. compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;


IV. wijst af het meer of anders verzochte.



Deze beschikking is gegeven te Almelo door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2015 in tegenwoordigheid van M.T. Hovius-Huisman, griffier.