Rechtbank Overijssel, 23-01-2015 / C/08/164912 / KG ZA 14-408


ECLI:NL:RBOVE:2015:369

Inhoudsindicatie
Een erotiekwinkel in Zwolle en de bijbehorende webshop moeten dicht. De kortgedingrechter van de rechtbank Overijssel oordeelt dat de eigenaresse in strijd handelt met het concurrentiebeding van haar voormalig werkgever Christine le Duc. Op straffe van een dwangsom van 5000 euro ineens en 500 euro per dag mag de vrouw tot en met 1 oktober 2015 geen erotiekwinkel of soortgelijke webshop starten. De vrouw nam in september 2014 ontslag bij Christine le Duc en begon een eigen erotiekwinkel en webshop in Zwolle. Haar oude werkgever spande een kort geding aan omdat zij hiermee het concurrentiebeding overtrad. In haar contract stond dat zij voor vier jaar geen vergelijkbaar werk zou mogen doen. Zo kon ze de kennis en bedrijfsinformatie die ze bij Christine le Duc had opgedaan niet als concurrent gebruiken tegen haar voormalige werkgever.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-01-23
Publicatiedatum
2015-01-23
Zaaknummer
C/08/164912 / KG ZA 14-408
Procedure
Kort geding
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • AR 2015/116
  • AR-Updates.nl 2015-0077
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht


Zittingsplaats Zwolle


zaaknummer / rolnummer: C/08/164912 / KG ZA 14-408


Vonnis in kort geding van 23 januari 2015


in de zaak van


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CHRISTINE LE DUC B.V.,

gevestigd te Walsoorden,

eisende partij in conventie, verwerende partij in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. W. Spa-Brinkhuis te Terneuzen,


tegen


[gedaagde], (mede) handelend onder de naam Lefemme,

wonende te Zwolle,

gedaagde partij in conventie, eisende partij in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. F.M.C. Boesberg te Zwolle.


Partijen zullen hierna CLD en [gedaagde] genoemd worden.



1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - de dagvaarding van 30 december 2014
  • - de brief van 6 januari 2015 met aangehechte producties van [gedaagde]
  • - de brief van 8 januari 2015 houdende aankondiging voorwaardelijke eis in reconventie met aangehechte productie van [gedaagde],
  • - de mondelinge behandeling op 9 januari 2015
  • - de pleitnota van CLD
  • - de pleitnota van [gedaagde], tevens houdende een eis in voorwaardelijk reconventie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.


2De feiten

2.1.

CLD exploiteert winkelbedrijven in de erotiekbranche. In de betreffende winkels en op de webshops worden allerhande erotische artikelen te koop aangeboden.


2.2.

Met ingang van 6 november 2001 is [gedaagde] in dienst getreden van CLD, aanvankelijk voor bepaalde tijd en met ingang van 6 mei 2003 voor onbepaalde tijd. Zij is al die tijd werkzaam geweest in de winkel aan de Assendorperstraat 69 te Zwolle.


2.3.

In genoemde arbeidsovereenkomst zijn de volgende bedingen opgenomen.


“ARTIKEL 8 GEHEIMHOUDING / PUBLICATIE


1. Werknemer verplicht zich jegens werkgever om noch tijdens de dienstbetrekking, noch na beëindiging daarvan op enigerlei wijze aan derden mededeling te doen aangaande enige - op welke wijze dan ook - tot zijn kennis zijn gekomen gegevens betreffende of verband houdende met bedrijfsaangelegenheden, zowel van werkgever als van de met deze gelieerde ondernemingen, waarvan hij weet of behoort te weten, dat ze geheim zijn, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van werkgever of de betrokken gelieerde onderneming.


2. Het is de werknemer verboden om aan de werkgever of een met dezelfde gelieerde onderneming toebehorende boeken, correspondentie, tekeningen, berekeningen en andere bescheiden in de ruimste zin op bovenstaande bedrijfsaangelegenheden betrekking hebbend, alsmede daarvan gemaakte afschriften of aantekeningen zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de werkgever of de betrokken gelieerde onderneming in zijn particuliere bezit te houden, aan derden te tonen of ter beschikking te stellen.


(…)


4. De werknemer is verplicht hetgeen hem uit hoofde van zijn functie bij werkgever omtrent het bedrijf bekend wordt, ook na het einde van de dienstbetrekking strikt geheim te houden, zowel ten aanzien van buitenstaanders als ten aanzien van andere personen.


ARTIKEL 9 NEVENARBEID


1. Het is werknemer verboden zonder schriftelijke toestemming van werkgever tijdens de duur van deze overeenkomst tegen vergoeding om niet, direct of indirect, voor derden arbeid te verrichten of direct of indirect voor eigen rekening zaken te doen of op enigerlei wijze bij zodanige zaken betrokken te zijn. Overtreding van dit beding zal worden beschouwd als een dringende reden voor ontslag op staande voet.


(…)


ARTIKEL 10 CONCURRENTIEBEDING


1. Werknemer verbindt zich om noch gedurende zijn dienstbetrekking, noch gedurende 4 jaar daarna voor zichzelf of voor anderen op enigerlei wijze betrokken te zijn bij werkzaamheden die hetzelfde of een aanverwant terrein bestrijken als waarop werkgever of met deze gelieerde ondernemingen hun bedrijf uitoefenen, voor zover hierbij vaardigheden en/of kennis kunnen worden gebruikt die hij in zijn functie heeft verworven, of waarvan hij in zijn functie heeft kunnen kennisnemen.




ARTIKEL 11 BESCHEIDEN


1. Alle bescheiden en/of kopieën daarvan, van welke aard dan ook, die verkregen zijn van de onderneming van werkgever, zijn en blijven eigendoom van werkgever, ook indien bedoelde bescheiden door werknemer zijn vervaardigd of zijn gesteld op materiaal van werknemer of hem persoonlijk geadresseerd zijn. Het is aan de werknemer verboden, bedoelde bescheiden zonder schriftelijke toestemming van werkgever in zijn particuliere bezit te houden, te kopiëren of de bescheiden of kopieën daarvan, aan derden ter inzage te geven of ter beschikking te stellen, één en ander voor zover de werkzaamheden van werknemer in dienst van werkgever dit niet vereisen.


2. (…)


ARTIKEL 12 BOETEBEDING


1. Bij overtreding van het bepaalde in artikel 9, 10 en 11 verbeurt werknemer ten behoeve van werkgever een onmiddellijke opeisbare en niet voor rechterlijke matiging vatbare boete van 500,00 voor iedere dag dat deze overtreding voortduurt.”


2.4.

Op 2 juni 2014 heeft [gedaagde] haar eenmanszaak [naam], een detailhandel via postorder en internet van (kinder)kleding, bij de Kamer van Koophandel ingeschreven.


2.5.

Op 15 september 2014 heeft [gedaagde] de handelsnaam Lefemme en de domeinnaam www.lefemme.nl aan die inschrijving toegevoegd.


2.6.

Bij e-mail van 15 september 2014 heeft [gedaagde] de arbeidsovereenkomst met CLD opgezegd. In die e-mail staat voor zover van belang:


“Na jarenlang prettig te hebben samengewerkt bied ik nu mijn ontslag aan.

Het is tijd om mij verder te ontplooien.

Dus bij deze wil ik onze arbeidsovereenkomst beëindigen.”


2.7.

Bij brief van 22 september 2014 heeft CLD ingestemd met de opzegging van [gedaagde] en [gedaagde] te kennen gegeven dat het dienstverband met ingang van 1 oktober 2014 wordt beëindigd.


2.8.

Met ingang van 1 oktober 2014 exploiteert [gedaagde] onder de handelsnaam Lefemme een erotiekwinkel aan de Thomas a Kempisstraat 30 te Zwolle. Daarnaast exploiteert [gedaagde] een bijbehorende webshop, www.lefemme.nl, waarop allerhande erotische artikelen te koop worden aangeboden.


3Het geschil


3.1.

De vordering van CLD strekt ertoe, kort samengevat, dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] zal gebieden haar werkzaamheden ter zake de eenmanszaak Lefemme neer te leggen en haar winkel te staken en gestaakt te houden en de website www.lefemme.nl te verwijderen, alsmede geheimhouding te betrachten ten aanzien van alle bijzonderheden betreffende de bedrijfsvoering, de handel en het relatiebestand van CLD en haar gelieerde ondernemingen. Voorts vordert zij [gedaagde] te verbieden om gedurende een periode van vier jaar na 1 oktober 2014 betrokken te zijn bij activiteiten die gelijk of gelijksoortig zijn aan de activiteiten van CLD of aan haar gelieerde ondernemingen. Dit alles op straffe van verbeurte van een dwangsom. Verder vordert zij de veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een voorschot van € 80.000,00 ter zake van inmiddels verbeurde boetes. Tot slot vordert zij de veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding.


3.2.

[gedaagde] voert verweer en heeft in voorwaardelijke reconventie, namelijk bij toewijzing van de vordering in conventie, gevorderd de schorsing van het concurrentiebeding en de betaling van een vergoeding als bedoeld in artikel 7:653 lid 4 BW, onder veroordeling van CLD in de proceskosten.


3.3

CLD heeft de afwijzing van de voorwaardelijke vordering in reconventie bepleit.


3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.


4De beoordeling

In conventie
4.1.

Uit de aard van de vorderingen en het door CLD gestelde belang daarbij vloeit het spoedeisende belang van CLD voort.


4.2.

In dit kort geding dient beoordeeld te worden of de vorderingen van CLD een zodanige kans van slagen hebben in een eventuele bodemprocedure dat vooruitlopend daarop toewijzing van de door haar gevorderde voorlopige voorzieningen bij voorraad gerechtvaardigd zijn.


Concurrentiebeding


4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat het exploiteren van een webshop en winkel in erotische artikelen door [gedaagde] strijdig is met het concurrentiebeding. De vraag die partijen verdeeld houdt is of [gedaagde] aan het concurrentiebeding gebonden is, zoals CLD stelt en [gedaagde] betwist.


4.4.

[gedaagde] stelt zich in dit verband allereerst op het standpunt dat het concurrentiebeding zijn werking heeft verloren, omdat partijen zijn overeengekomen dit beding te laten vervallen. Zij voert in dit verband aan dat naar aanleiding van de overeenstemming die partijen op 21 augustus 2014 hebben bereikt om de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden te beëindigen een vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen, waarin het beding vervallen is verklaard. Volgens [gedaagde] heeft CLD haar deze overeenkomst toegezonden, maar heeft zij deze nog diezelfde dag op verzoek en onder toezegging van CLD dat zij een aanvullende overeenkomst zou ontvangen, weggegooid. Een aanvullende overeenkomst heeft zij evenwel niet mogen ontvangen, aldus [gedaagde]. CLD heeft de stellingen van [gedaagde] ter zitting gemotiveerd weersproken. Volgens haar stellingen hebben partijen weliswaar over een vaststellingsovereenkomst ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst ge-sproken, maar is deze vanwege onenigheid over de door [gedaagde] in acht te nemen opzegtermijn niet tot stand gekomen. Voorts stelt CLD zich uitdrukkelijk op het standpunt dat het laten vervallen van het concurrentiebeding nimmer ter sprake is gekomen. Nu deze visie haaks staat op de visie zoals die van de zijde van [gedaagde] is gegeven, vereist de vraag of de stelling van [gedaagde] dat partijen overeenstemming hebben bereikt om het concurrentiebeding te laten vervallen juist is, een nader onderzoek naar de feiten. Daarvoor leent de kort geding procedure zich evenwel niet. Van de juistheid van de stellingen van [gedaagde] op dit punt kan derhalve in dit kort geding niet worden uitgegaan.


4.5.

[gedaagde] heeft voorts aangevoerd dat CLD conform artikel 7:653 lid 3 BW geen rechten kan ontlenen aan het concurrentiebeding, omdat zij wegens de wijze waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd schadeplichtig is.


4.5.1.

[gedaagde] stelt zich in dit verband op het standpunt dat CLD haar een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Ter onderbouwing van haar standpunt voert zij aan dat CLD niet alleen de strubbelingen die vanwege een wijziging van de vaste werkdagen van [gedaagde] op de werkvloer zijn ontstaan heeft gebagatelliseerd, maar ook dat CLD haar, nadat zij haar eerst een vaststellingsovereenkomst heeft voorgehouden waarbij [gedaagde] met ingang van 22 augustus 2014 was vrijgesteld van werk, op 12 september 2014 heeft opgeroepen om haar werkzaamheden terstond te hervatten. CLD heeft ter zitting een heel andere lezing gegeven van de feiten. Volgens haar is [gedaagde] vrijgesteld van werk om de spanningen op de werkvloer niet verder te laten oplopen en niet omdat zij dit bij vaststellingsovereenkomst waren overeengekomen. Omdat ondanks de verschillende bemiddelingsgesprekken die tussen partijen hebben plaatsgevonden geen oplossing kon worden bereikt, heeft zij [gedaagde] opgeroepen om weer te komen werken, aldus CLD.


4.5.2.

De voorzieningenrechter acht de stelling van [gedaagde] dat de opzegging door de door haar gestelde gang van zaken is ingegeven voorshands onvoldoende aannemelijk. Deze stelling valt immers, zoals CLD ook stelt, moeilijk te rijmen met de door CLD ingebrachte opzeggingsbrief van 15 september 2014, waarin [gedaagde] te kennen geeft dat zij “na jarenlang prettig te hebben samengewerkt” het dienstverband wenst te beëindigen, omdat voor haar het moment is aangebroken om zich verder te ontplooien. [gedaagde] heeft de inhoud van deze brief ter zitting weliswaar gebagatelliseerd, maar zij heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom zij, indien de wens om zich verder te ontwikkelen niet de werkelijke opzeggingsgrond was, dit wel als zodanig heeft vermeld. De omstandigheden dat [gedaagde], zoals uit de stellingen van partijen blijkt, tijdens haar dienstverband de wens om een kinderkledingwinkel te beginnen ter sprake heeft gebracht en op 2 juni 2014 haar eenmanszaak [naam] is gestart, alsmede de omstandigheid dat [gedaagde] kort na haar opzegging met de exploitatie van een erotiekwinkel en een bijbehorende webshop is begonnen, wijzen er bovendien op dat [gedaagde] een andere invulling aan haar loopbaan heeft willen geven. Het bovenstaande in aanmerking nemende is vooralsnog onvoldoende aannemelijk geworden dat er voor [gedaagde] dringende redenen bestonden om op staande voet ontslag te nemen.


4.5.3.

Voorts stelt [gedaagde] dat CLD schadeplichtig is, omdat zij de tussen partijen geldende opzegtermijn niet in acht heeft genomen. Niet alleen miskent [gedaagde] met haar stelling dat de in artikel 7:677 lid 2 BW geregelde situatie zich hier niet voordoet, nu het niet CLD maar zij zelf is geweest die de dienstbetrekking heeft opgezegd, ook heeft CLD op dit punt een andere lezing gegeven van de feiten. Volgens haar stellingen is het [gedaagde] geweest die geen rekening heeft gehouden met een opzegtermijn, nu zij na haar opzegging niet meer op de werkvloer is verschenen.


4.5.4

Gezien het bovenstaande is voorshands niet aannemelijk dat CLD schadeplichtig jegens [gedaagde] heeft gehandeld, waardoor het beroep van [gedaagde] op artikel 7:653, derde lid, BW niet slaagt. Aan het verweer van [gedaagde] dat CLD naar analogie van artikel 7:653 lid 3 BW, althans naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen beroep op het concurrentiebeding toekomt, omdat zij door haar gedrag en bejegening van [gedaagde] heeft gehandeld in strijd met de eisen van goed werkgeverschap, wordt voorbijgegaan, al was het maar omdat onvoldoende aannemelijk is dat sprake is van een onvrijwillig opzegging.


4.6.

De slotsom is dat het er vooralsnog voor moet worden gehouden dat het concurrentiebeding haar geldigheid heeft behouden. Daaruit volgt dat met voldoende mate van waarschijnlijkheid kan worden aangenomen dat in een eventuele bodemprocedure het ter zake van het concurrentiebeding gevorderde zal worden toegewezen. De verlangde voorlopige voorzieningen zijn dan ook voor toewijzing vatbaar, met dien verstande dat het concurrentiebeding mede gelet op de stelling van CLD ter zitting dat zij, evenals de voorzieningenrechter ter zitting reeds heeft aangegeven, een beperking tot één jaar redelijk acht, naar die tijd wordt beperkt. De vordering tot betaling van een dwangsom van € 10.000,00 ineens indien [gedaagde] in overtreding is en € 1.000,00 per dag of dagdeel dat die overtreding voortduurt zal daarnaast worden gematigd tot € 5.000,00 respectievelijk € 500,00 en gemaximeerd op € 50.000,00.


Geheimhoudingsbeding en beding betreffende bescheiden


4.8.

Verder stelt CLD zich op het standpunt dat [gedaagde] het geheimhoudingsbeding en het beding betreffende de bescheiden heeft overtreden, nu zij voor het oprichten van haar winkel en webshop gebruik heeft gemaakt van bedrijfsinformatie van CLD. Ter onderbouwing van haar standpunt voert zij aan dat de website www.lefemme.nl zeer sterke gelijkenissen vertoont met de website van CLD en aan haar gelieerde ondernemingen. [gedaagde] heeft dit standpunt ter zitting gemotiveerd betwist. Nu CLD die betwisting onweersproken heeft gelaten is voorshands niet aannemelijk dat [gedaagde] genoemde bedingen heeft geschonden. Het op dit punt gevorderde is daarom niet toewijsbaar.


Gevorderde nakoming van het boetebeding


4.9.

CLD heeft aan haar gevorderde betaling van een voorschot ter zake van verbeurde boetes ten grondslag gelegd dat [gedaagde] het concurrentiebeding, het beding betreffen de bescheiden en het verbod op nevenarbeid heeft overschreden.


4.10.

Voor de vraag of in kort geding plaats is voor toewijzing van de vordering tot betaling van een voorschot ter zake van verbeurde boetes, aldus zijnde een geldvordering, moet worden bezien of het bestaan van de vordering voldoende aannemelijk is en of sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl ook het restitutierisico in de afweging van de belangen van partijen moet worden betrokken.


4.11.

Nu voorshands niet aannemelijk is dat het beding betreffende de bescheiden is overschreden, is het op dit punt gevorderde reeds daarom niet toewijsbaar.


4.12.

Voorts is evenmin het gevorderde voorschot aan verbeurde boetes ter zake de overschrijding van het verbod op het verrichten van nevenwerkzaamheden toewijsbaar, nu vooralsnog niet aannemelijk is het standpunt van CLD dat van die overschrijding sprake is geweest. [gedaagde] heeft de stelling van CLD dat zij zonder schriftelijke toestemming tijdens het dienstverband haar eenmanszaak [naam] is gestart immers gemotiveerd betwist. Volgens de stellingen van [gedaagde] heeft zij in overleg en met goedkeuring van CLD [naam] opgericht.


4.13.

Ten aanzien van de gevorderde betaling van een voorschot aan verbeurde boetes wat betreft de overschrijding van het concurrentiebeding geldt tot slot dat [gedaagde] zich ter zitting op het standpunt heeft gesteld dat het spoedeisend belang bij die vordering ontbreekt. Nu CLD niet op die betwisting is ingegaan, is het spoedeisend belang niet voldoende aannemelijk geworden. Reeds daarom komt het ter zake gevorderde niet voor toewijzing in aanmerking.


4.14.

[gedaagde] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van CLD worden begroot op:

- griffierecht € 1.909,00

- overige kosten 77,52

- salaris advocaat 876,00

Totaal € 2.862,52


In reconventie


4.15.

De vordering in reconventie behoeft geen behandeling, nu [gedaagde] deze tijdens de mondelinge behandeling heeft ingetrokken en CLD tegen die intrekking geen bezwaar heeft gemaakt.


5De beslissing

De voorzieningenrechter:


In conventie


5.1.

gebiedt [gedaagde] om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis haar werkzaamheden neer te leggen ter zake de in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel ingeschreven eenmanszaak (mede) handelend onder de naam Lefemme (kvk-nummer: 60779160), alsmede haar winkel aan de Thomas a Kempistraat 30 te Zwolle te staken en gestaakt te houden en de website en webshop www.lefemme te verwijderen en verbiedt [gedaagde] om gedurende een periode van één jaar na 1 oktober 2014, op welke wijze en in welke vorm dan ook, betrokken te zijn bij activiteiten die gelijk of gelijksoortig zijn aan de activiteiten van CLD of aan haar gelieerde ondernemingen, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 ineens indien [gedaagde] nalaat aan deze veroordeling te voldoen en € 500,00 per dag of dagdeel dat die niet-nakoming voortduurt, zulks met een maximum van € 50.000,00;


5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van CLD tot op heden begroot op € 2.862,52.


5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;


5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af;


In reconventie


5.5.

verstaat dat deze vordering geen behandeling behoeft;


Dit vonnis is gewezen door mr. J. van der Hulst en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2015.(MvH)