Rechtbank Overijssel, 07-05-2015 / C/08/146577 / FA RK 13-2248


ECLI:NL:RBOVE:2015:3704

Inhoudsindicatie
Moeder krijgt het gezag over de kinderen en ontheft de vader het recht op omgang. Ondanks hulpverlening is het partijen niet gelukt om op constructieve wijze samen te werken en te communiceren. De man wil zich niet naar kinderen toe verontschuldigen voor een voorval in het verleden.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-05-07
Publicatiedatum
2015-08-10
Zaaknummer
C/08/146577 / FA RK 13-2248
Procedure
Beschikking
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familierecht en Jeugdrecht


Zittingsplaats Almelo


zaaknummer: C/08/146577 / FA RK 13-2248


beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel d.d. 7 mei 2015

inzake


[verzoekster] ,

verder ook de vrouw of de moeder te noemen,

wonende te [woonplaats 1] , [adres 1] ,

verzoekster,

advocaat: mr. B. Bentem,


en


[belanghebbende] ,

verder ook de man of de vader te noemen,

wonende te [woonplaats 2] , [adres 2] ,

belanghebbende.


Het procesverloop


Bij op 31 oktober 2013 ter griffie ingekomen verzoekschrift met bijlagen heeft de vrouw verzocht de omgangsregeling te beëindigen.


De zaak is behandeld ter zitting van 25 november 2013. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.


Op 12 februari 2014 is een brief van de Raad voor de Kinderbescherming ter griffie ingekomen.


Op 25 november 2013 is aan de Raad voor de Kinderbescherming te Almelo verzocht om een onderzoek te verrichten en daarover te rapporteren en te adviseren. Op 15 april 2014 is een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming ter griffie ingekomen.


De zaak is wederom behandeld ter zitting van 28 april 2014. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.


De minderjarige [minderjarige 1] is op 19 november 2014 door de kinderrechter gehoord. Van dit verhoor is een apart proces-verbaal opgemaakt.


De zaak is wederom behandeld ter zitting van 8 november 2014. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.


Op 5 januari 2015 is een brief van de man ter griffie ingekomen.


Op 10 april 2015 heeft de vrouw aanvullende stukken in het geding gebracht, tevens houdende een akte vermeerdering verzoek.


De zaak is wederom behandeld ter zitting van 21 april 2015. Ter zitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door mr. Bentem;

- de man;

- de heer C. van Liere, namens de Raad voor de Kinderbescherming;

- de heer R. Nijboer, namens Jeugdbescherming Overijssel. De standpunten zijn toegelicht. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.


De vaststaande feiten


De ouders zijn gehuwd geweest. Uit dit huwelijk zijn geboren:

[minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [2002] ,

[minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [2006] .


Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.


Bij beschikking van de rechtbank Almelo van 27 mei 2009 is de echtscheiding uitgesproken. In het ouderschapsplan waarvan de inhoud onderdeel uitmaakt van die beschikking is de navolgende regeling over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld: de vader zal in de even weken van vrijdag 18.00 uur tot maandag 08.30 uur omgang hebben met de minderjarigen. Voor contacten tussendoor of een regeling ten aanzien van de vakanties zullen de ouders in onderling overleg een regeling treffen, waarvan thans beëindiging wordt verzocht.


De minderjarigen hebben tot 28 april 2015 onder toezicht gestaan van Jeugdbescherming Overijssel (verder ook: de GI).


De standpunten van partijen


Door de vrouw is verzocht om de omgang tussen de man en de minderjarigen te beëindigen. De vrouw stelt dat de situatie de afgelopen jaren alleen maar is verslechterd en dat het ook de GI niet gelukt is om het contact te herstellen. Vanwege de slechte communicatie tussen partijen heeft de vrouw daarnaast verzocht om haar te belasten met het eenhoofdig ouderlijk gezag.


De man wil graag dat het contact tussen hem en de minderjarigen weer wordt opgestart. Hij is van mening dat het te lang duurt en dat de GI te weinig onderneemt. De man wil geen excuses maken aan de minderjarigen voor hetgeen er naar hun beleving is gebeurd op

11 oktober 2013, en zal dit ook in de toekomst niet gaan doen. Hij stelt dat er niet geslagen is.


De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing


ten aanzien van het ouderlijk gezag

De kinderrechter stelt voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen. Voor gezamenlijk gezag is in het algemeen vereist dat ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans ten minste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen, zodanig dat het kind niet klem of verloren raakt tussen de ouders. Het gaat dan onder meer om beslissingen over medische behandelingen, schoolkeuze en het aanvragen van een paspoort, maar niet om beslissingen over de dagelijkse opvoeding. Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt evenwel niet zonder meer mee dat in het belang van het kind het ouderlijk gezag aan een van de ouders moet worden toegekend. Dit kan anders zijn indien de bestaande communicatieproblemen zodanig ernstig zijn dat er een onaanvaardbaar risico is dat de minderjarigen klem of verloren raken tussen de ouders wanneer zij het ouderlijk gezag gezamenlijk blijven uitoefenen, zonder dat te verwachten is dat in die problemen binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. In dat geval kan de conclusie gerechtvaardigd zijn dat aan één van de ouders alleen het ouderlijk gezag over de kinderen toekomt.


De kinderrechter acht zich op grond van de stukken en de mondelinge behandelingen die hebben plaatsgevonden voldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen, zodat geen noodzaak bestaat om een (nader) onderzoek door de Raad te gelasten.


De kinderrechter overweegt als volgt. Het afgelopen jaar is gebleken dat ook door de inzet van een jeugdbeschermer de communicatie tussen de ouders niet is verbeterd. Ouders zijn niet in staat om afspraken te maken over de verzorging en opvoeding van de minderjarigen. Daarnaast bleek de man niet in staat om een constructieve samenwerkingsrelatie met de jeugdbeschermer aan te gaan en om te handelen vanuit het belang van de minderjarigen. De kinderrechter constateert dat ouders sinds oktober 2013 niet in staat zijn geweest om uitvoering te geven aan het gezamenlijk gezag. De escalatie die tijdens het weekend van 11 oktober 2013 heeft plaatsgevonden staat verdere stappen in de weg. De kinderrechter acht het niet in het belang van de minderjarigen dat deze situatie nog langer voortduurt. Wanneer de vrouw voor het nemen van beslissingen over de minderjarigen afhankelijk blijft van de toestemming van de man voorziet de kinderrechter allerlei toekomstige problemen. Nu de ondertoezichtstelling niet is verlengd kan ook de jeugdbeschermer niet meer bemiddelend optreden. De kinderrechter acht het dan ook het meest in het belang van de minderjarigen om de vrouw met het eenhoofdig ouderlijk gezag te belasten en zal het verzoek van de vrouw toewijzen.


ten aanzien van de omgang

In beginsel heeft ook de niet met het gezag belaste ouder het recht op en de verplichting tot omgang met zijn minderjarige kinderen. De kinderrechter ontzegt de omgang slecht wanneer er sprake is van één of meerdere van de in artikel 1:377a lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) genoemde gronden.


Sinds het weekend van 11 oktober 2013 heeft er, op een door de GI gearrangeerd contact na, geen omgang meer plaats gevonden tussen de man en de minderjarigen. Een structureel contact tussen de man en de minderjarigen is niet van de grond gekomen, mede omdat de man afspraken met de GI niet is nagekomen. Vast is komen te staan dat het voor de minderjarigen nodig is dat de man zijn excuses maakt voor wat er naar hun beleving, en dan met name naar de beleving van [minderjarige 1] , op 11 oktober 2013 heeft plaatsgevonden. Dit is niet alleen de opvatting van moeder, maar ook die van de Raad en de GI. Nu de man weigerachtig is om hier aan mee te werken en dit ook in de toekomst niet wil acht de kinderrechter het onwaarschijnlijk dat het contact tussen de man en de minderjarigen op korte termijn hersteld wordt.


Gebleken is aldus dat de man de minderjarigen datgene dat zij nodig hebben om weer contact met hem te hebben niet kan bieden. De omgang is daarmee in strijd met de zwaarwegende belangen van de minderjarigen (art. 1:377a lid 3 sub d BW). Het op dit moment opstarten van de omgang zal een zodanige spanning voor de minderjarigen met zich meebrengen, dat zij hiervan nadelige weerslag zullen ondervinden. [minderjarige 1] heeft daarnaast te kennen gegeven geen omgang met de man te willen, aangezien de situatie niet is veranderd. Ook de kinderrechter heeft helaas moeten concluderen dat, ondanks de inzet van de nodige hulpverlening, er de afgelopen anderhalf jaar niets veranderd is. De standpunten van partijen zijn nog altijd hetzelfde en deze zullen naar alle waarschijnlijkheid ook niet wijzigen. Er rest de kinderrechter dan ook niets anders dan de man de omgang met de minderjarigen voor onbepaalde tijd te ontzeggen. Voornoemde beslissing acht de kinderrechter op dit moment het meest in het belang van de minderjarigen.


De kinderrechter zal bepalen dat moeder vader voortaan periodiek behoort te informeren over de ontwikkeling van de kinderen en dat zij hem af en toe een foto van de kinderen stuurt. Voor deze verplichting is te meer reden omdat de ondertoezichtstelling inmiddels is beëindigd. Vader kan nu niet meer bij de jeugdbeschermer terecht voor informatie over de kinderen.


De beslissing


De kinderrechter:


1. Belast de vrouw met ingang van heden, met uitzondering van de man, met het eenhoofdig ouderlijk gezag over:

[minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [2002] ,

[minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [2006] .


2. Wijzigt het ouderschapsplan waarvan de inhoud onderdeel uitmaakt van de beschikking van de rechtbank Almelo van 27 mei 2009 met ingang van heden in die zin dat aan vader het recht op omgang met de minderjarigen wordt ontzegd.


3. Legt aan moeder de verplichting op om vader ten minste vier keer per jaar in de maanden januari, april, juli en oktober en voorts bij belangrijke gebeurtenissen schriftelijk te informeren over de ontwikkelingen van de kinderen op het gebied van onder meer school, gezondheid en sociale contacten en om hem met regelmaat foto’s van de kinderen te sturen.


4. Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.


Deze beschikking is gegeven door mr. J.H. Olthof, in tegenwoordigheid van M.R. Asveld als griffier en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2015.