Rechtbank Overijssel, 08-09-2015 / 08.955075-15 (P)


ECLI:NL:RBOVE:2015:4127

Inhoudsindicatie
Verdachte heeft als vrachtwagenchauffeur op 31 oktober 2014 gevaar op de weg veroorzaakt. Verdachte heeft een van links naderende fietser niet gezien en hem geen voorrang verleend. Hierdoor heeft een aanrijding plaatsgevonden ten gevolge waarvan deze fietser is overleden. Het leed van de nabestaanden van het slachtoffer kan niet tot uitdrukking worden gebracht in de hoogte van de op te leggen straf. De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat sprake is van een verkeersfout die wordt aangemerkt als een overtreding en daarmee dat verdachte in juridische zin geen verwijtbare schuld heeft aan het ongeval. Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een geldboete ter hoogte van € 500,- en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van een jaar passend is. De rijontzegging zal zij voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van twee jaar.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-09-08
Publicatiedatum
2015-09-08
Zaaknummer
08.955075-15 (P)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht


Zittingsplaats Zwolle


Parketnummer: 08.955075-15 (P)

Datum vonnis: 8 september 2015


Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:


[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1985 in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats], [adres].



1Het onderzoek op de terechtzitting


Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 25 augustus 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie, mr. C.Y. Huang, en van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw, mr. drs. W.A. Koers, advocaat te Leusden, naar voren is gebracht.


2De tenlastelegging


De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich op 31 oktober 2014 in de gemeente Raalte als bestuurder van een vrachtauto zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden althans dat door verdachtes gedragingen gevaar op de weg is veroorzaakt waardoor er een verkeersongeval heeft plaatsgevonden.


Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:


hij op of omstreeks 31 oktober 2014, omstreeks 19.30 uur (donker), te Raalte, in de gemeente Raalte, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtauto), daarmede rijdende over de weg, de Overkampsweg, ter hoogte van de kruising/splitsing van deze weg met de (als voorrangsweg aangeduide) Heesweg, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,


terwijl het zicht ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt en/of werd gehinderd (de openbare straatverlichting brandde), en/of


terwijl op de Overkampsweg voor genoemde kruising/splitsing een, in verdachtes rijrichting gekeerd, bord model B6 van de bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 was geplaatst en op het wegdek aldaar haaientanden, als bedoeld in artikel 80 van genoemd reglement waren aangebracht, en/of


(daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem gelegen weggedeelte van die weg en/of die kruising/splitsing en/of het naderende verkeer over de Heesweg heeft gelet en/of is blijven letten, en/of


(daarbij) een op de (fiets)suggestiestrook van de Heesweg, gezien zijn verdachtes rijrichting, hem van links dicht genaderd zijnde bestuurder van een fiets die niet (tijdig) heeft waargenomen, en/of


(daarbij) die kruising/splitsing met een snelheid van ongeveer 30 km/h is genaderd en zijn snelheid niet, althans in onvoldoende mate heeft verminderd (aangepast aan de plaatselijke omstandigheden), en/of


(vervolgens) vanaf de Overkampsweg zonder te stoppen die kruising/splitsing is opgereden en linksaf de Heesweg is opgereden, zonder daarbij voorrang te verlenen aan die op de (fiets)suggestiestrook van de Heesweg rijdende fietser, en/of


(vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die bestuurder van die fiets en/of die fiets, tengevolge waarvan die bestuurder van die fiets ten val is gekomen,


en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ([slachtoffer]) werd gedood, terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte, geen voorrang heeft verleend aan die fietser,


ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat


hij op of omstreeks 31 oktober 2014, omstreeks 19.30 (donker), te Raalte, in de gemeente Raalte, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtauto), daarmede rijdende over de weg, de Overkampsweg, ter hoogte van de kruising/splitsing van deze weg met de (als voorrangsweg aangeduide) Heesweg,


terwijl het zicht ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt en/of werd gehinderd (de openbare straatverlichting brandde), en/of


terwijl op de Overkampsweg voor genoemde kruising/splitsing een, in verdachtes rijrichting gekeerd, bord model B6 van de bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 was geplaatst en op het wegdek aldaar haaientanden, als bedoeld in artikel 80 van genoemd reglement waren aangebracht, en/of


(daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem gelegen weggedeelte van die weg en/of die kruising/splitsing en/of het naderende verkeer over de Heesweg heeft gelet en/of is blijven letten, en/of


(daarbij) een op de (fiets)suggestiestrook van de Heesweg rijdende, gezien zijn verdachtes rijrichting, hem van links dicht genaderd zijnde bestuurder van een fiets niet (tijdig) heeft waargenomen, en/of


(daarbij) die kruising/splitsing met een snelheid van ongeveer 30 km/h is genaderd en zijn snelheid niet, althans in onvoldoende mate heeft verminderd (aangepast aan de plaatselijke omstandigheden), en/of


(vervolgens) vanaf de Overkampsweg zonder te stoppen die kruising/splitsing is opgereden en linksaf de Heesweg is opgereden, zonder daarbij voorrang te verlenen aan die op de (fiets)suggestiestrook van de Heesweg rijdende fietser, en/of


(vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die bestuurder van die fiets en/of die fiets, tengevolge waarvan die bestuurder van die fiets ten val is gekomen,


door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.


3De vordering van de officier van justitie


De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld ter zake het primair ten laste gelegde tot een werkstraf van tweehonderdenveertig uren en tot een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van één jaar, met een proeftijd van twee jaar. De officier heeft zich daarbij kortgezegd op het standpunt gesteld dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden, te weten door het aanmerkelijk onvoorzichtig oprijden van een kruising, zonder voorrang te verlenen aan de van links naderende fietser [slachtoffer], ten gevolge waarvan deze fietser is overleden.


4De voorvragen


De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.


5De beoordeling van het bewijs


Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of het tenlastegelegde feit bewezenverklaard kan worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte het feit heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.


5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging


De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen is, in die zin dat sprake is van aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag.


De raadsvrouw van verdachte heeft vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde. Zij heeft betoogd dat niet is komen vast te staan dat er sprake is geweest van aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag door verdachte. Ten aanzien van hetgeen subsidiair ten laste is gelegd heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

5.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank


Ten aanzien van het primair ten laste gelegde.

Voor een bewezenverklaring van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) moet worden vastgesteld dat de verdachte zich in het verkeer zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld is te wijten dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden met als gevolg dat iemand is gedood, zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Het juridische begrip ‘schuld’ in het kader van de WVW 1994 houdt in dat voor strafbaarheid minimaal sprake moet zijn van aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend handelen.

Bij die beoordeling gaat het om het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de omstandigheden van het geval. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.


Uit de hierna te noemen bewijsmiddelen blijkt dat verdachte als bestuurder van een vrachtauto te Raalte over de Overkampsweg reed en de T-kruising met de Heesweg naderde. Op beide wegen gold een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur. Bestuurders op de Heesweg hebben voorrang op bestuurders op de Overkampsweg. Dit is op de Overkampsweg kenbaar gemaakt door middel van bord B6, bijlage I RVV 1990 en haaientanden als bedoeld in artikel 1, onder p, RVV. Verdachte was ter hoogte van de T-kruising voornemens linksaf te slaan, om zijn weg in westelijke richting over de Heesweg te vervolgen. Op dat moment reed het slachtoffer over de fietssuggestiestrook van de Heesweg in oostelijke richting. Het slachtoffer was de T-kruising met de Overkampsweg al genaderd. Op het moment dat verdachte de T-kruising opreed, reed het slachtoffer al aan de voorzijde van de vrachtauto. Hierdoor ontstond een aanrijding waarbij de voorzijde van de vrachtauto in botsing kwam met de rechterzijde van de fiets van het slachtoffer. Het slachtoffer werd door de voorzijde van de vrachtauto geraakt. Het slachtoffer kwam circa 5 meter voor de vrachtauto op de weg terecht. Vast staat dat verdachte geen voorrang heeft verleend aan het slachtoffer.


Verdachte heeft verklaard dat hij bij het naderen van de Heesweg naar links en naar rechts heeft gekeken. Hij zag niets aankomen en is rollend, dat wil zeggen zonder te stoppen, naar de kruising gereden. Bij het insturen van de bocht heeft hij weer naar links gekeken. Toen hij vervolgens gas bijgaf om de bocht te nemen, zag hij plotseling een vage schim door de voorruit van de vrachtauto, en heeft hij uit alle macht geremd. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij met een snelheid van ongeveer 30 kilometer per uur linksaf is geslagen, de Heesweg op. Ter zitting heeft hij verklaard dat de snelheid lager geweest moet zijn, omdat hij met een dergelijke snelheid de bocht niet had kunnen maken. Verdachte denkt dat hij met een snelheid van ongeveer 15 à 20 kilometer per uur heeft gereden. De fietser heeft hij helemaal niet gezien, verdachte denkt dat deze ergens in een dode hoek zat. Bij het naar links kijken kijk je tegen de spiegel van de vrachtauto aan, aldus verdachte. Verder heeft verdachte verklaard dat ter hoogte van de kruising verkeersborden staan, die mogelijk het zicht op het slachtoffer hebben belemmerd. Uit de verkeersongevallenanalyse (VOA) blijkt dat de snelheid van de vrachtauto vlak voor de botsing zeker niet hoger is geweest dan 20 kilometer per uur.

De verkeersfout die verdachte heeft begaan, bestaat hieruit dat hij geen voorrang aan het slachtoffer heeft verleend. De rechtbank dient ten aanzien van deze verkeersfout van verdachte – los van de ernst van de gevolgen – te beoordelen of er overige factoren zijn die maken dat deze fout zo ernstig is dat dit aanmerkelijke onvoorzichtigheid of onoplettendheid in de zin van artikel 6 van de WVW 1994 oplevert.

Naar het oordeel van de rechtbank is de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder verdachte de overtreding heeft begaan niet van dien aard en ernst dat daaruit kan worden afgeleid dat de verdachte met de voor artikel 6 WVW 1994 relevant te achten aanmerkelijke onoplettendheid en onvoorzichtigheid heeft gereden. Op basis van de foto’s die zich in het dossier bevinden van de verkeerssituatie ter plaatse is naar het oordeel van de rechtbank naar objectieve maatstaven sprake van een overzichtelijke kruising, waarbij geen andere verkeersmaatregelen noodzakelijk zijn geacht dan het aanbrengen van haaientanden en het plaatsen van een voorrangsbord. Van verdachte hoefde dus – behalve de gebruikelijke voorzichtigheid die een verkeersdeelnemer in acht dient te nemen bij het naderen van een voorrangskruising - niet te worden verwacht dat hij extra voorzorgsmaatregelen moest nemen, zoals wanneer men een gevaarlijke kruising nadert. Niet is vastgesteld dat verdachte ter plaatse met een te hoge snelheid heeft gereden. Het door verdachte, de voorrangskruising met een lage snelheid naderend, naar links en rechts kijken, en – langzaam doorrollend – vervolgens de bocht naar links inzetten moet onder de gegeven omstandigheden in beginsel als voldoende verkeersveilig gedrag worden beschouwd. Dat verdachte hierbij de van links naderende fietser niet heeft gezien dient als een noodlottige omstandigheid beschouwd te worden. Er is evenwel onvoldoende grond om de conclusie te trekken dat verdachte aanmerkelijk onoplettend of onvoorzichtig in de zin van artikel 6 WVW 1994 heeft gereden. Daarbij acht de rechtbank verder nog van belang dat het dossier geen informatie bevat waaruit kan worden afgeleid hoe het zicht van verdachte - met in achtneming van de positie van de verkeersborden naast de rijstrook waar hij op reed - op de kruising is geweest en of er momenten zijn geweest waarop hij het slachtoffer had kunnen zien. Het is daarom niet uit te sluiten dat het slachtoffer zich in een dode hoek van verdachte heeft bevonden en (gedeeltelijk) in deze dode hoek van verdachte de kruising is genaderd. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het primair ten laste gelegde.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde

De rechtbank overweegt dat voor een bewezenverklaring van artikel 5 WVW 1994 het voldoende is dat komt vast te staan dat sprake is van gevaarzetting door een verkeersfout van verdachte. Zoals hiervoor genoemd blijkt uit de bewijsmiddelen dat verdachte bij het naar links afslaan een van links komende fietser geen voorrang heeft verleend terwijl dat wel had gemoeten. Hierbij is hij in botsing gekomen met de fietser, ten gevolge waarvan de fietser is overleden. Het verwijt dat verdachte kan worden gemaakt is dat hij bij deze manoeuvre een inschattingsfout heeft gemaakt, waardoor hij gevaar op die weg heeft veroorzaakt.

De rechtbank zal daarom de subsidiair ten laste gelegde overtreding van artikel 5 WVW 1994 bewezen verklaren.

5.3

De conclusie


De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte primair is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.


De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij op 31 oktober 2014, omstreeks 19.30 uur (donker), te Raalte, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtauto), daarmede rijdende over de weg, de Overkampsweg, ter hoogte van de kruising/splitsing van deze weg met de (als voorrangsweg aangeduide) Heesweg,


terwijl het zicht ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt en/of werd gehinderd (de openbare straatverlichting brandde), en


terwijl op de Overkampsweg voor genoemde kruising/splitsing een, in verdachtes rijrichting gekeerd, bord model B6 van de bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 was geplaatst en op het wegdek aldaar haaientanden, als bedoeld in artikel 80 van genoemd reglement waren aangebracht, in onvoldoende mate op het voor hem gelegen weggedeelte van die weg en die kruising/splitsing en het naderende verkeer over de Heesweg heeft gelet en is blijven letten, en


(daarbij) een op de (fiets)suggestiestrook van de Heesweg rijdende, gezien zijn verdachtes rijrichting, hem van links dicht genaderd zijnde bestuurder van een fiets niet (tijdig) heeft waargenomen, en


(vervolgens) vanaf de Overkampsweg zonder te stoppen die kruising/splitsing is opgereden en linksaf de Heesweg is opgereden, zonder daarbij voorrang te verlenen aan die op de (fiets)suggestiestrook van de Heesweg rijdende fietser, en


(vervolgens) is gebotst tegen die bestuurder van die fiets, ten gevolge waarvan die bestuurder van die fiets ten val is gekomen,


door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.


De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.


De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.


6De strafbaarheid van het bewezenverklaarde


Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 177 van de Wegenverkeerswet 1994. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:


Subsidiair

de overtreding: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.


7De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.





8De op te leggen straf of maatregel


8.1

De gronden voor een straf of maatregel


Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.


Verdachte heeft als vrachtwagenchauffeur op 31 oktober 2014 gevaar op de weg veroorzaakt. Verdachte heeft de van links naderende fietser [slachtoffer] niet gezien en hem geen voorrang verleend. Hierdoor heeft een aanrijding plaatsgevonden ten gevolge waarvan deze [slachtoffer] is overleden. Het was een noodlottig ongeval dat blijkens de ter zitting voorgelezen slachtofferverklaringen diepe indruk heeft gemaakt op de nabestaanden van het slachtoffer. De nabestaanden zullen moeten leren leven met het gegeven dat hun dierbare er niet meer is, en tegelijkertijd accepteren dat vragen over de exacte toedracht van de trieste gebeurtenis onbeantwoord zullen blijven. Ook verdachte zal moeten verder leven met de gedachte dat hij, onbedoeld en ongewild, betrokken is geraakt bij de dood van een andere, kwetsbare verkeersdeelnemer.

Het leed van de nabestaanden van het slachtoffer kan niet tot uitdrukking worden gebracht in de hoogte van de op te leggen straf. De officier van justitie is bij haar eis uitgegaan van bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde. De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat sprake is van een verkeersfout die wordt aangemerkt als een overtreding en daarmee dat verdachte in juridische zin geen verwijtbare schuld heeft aan het ongeval, in de zin dat hij een onoplettende of onvoorzichtige verkeersdeelnemer is geweest. De rechtbank zal daarom een lagere straf opleggen dan is geëist.


De rechtbank heeft aansluiting gezocht bij straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Verder heeft zij gelet op het uittreksel Justitiële Documentatie waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld. Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een geldboete ter hoogte van € 500,- en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van een jaar passend is. De rijontzegging zal zij voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van twee jaar. Hiermee wordt beoogd de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking te brengen en daarnaast een signaal af te geven dat alertheid in het verkeer te allen tijde geboden is.


10De toegepaste wettelijke voorschriften


De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 91 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 179 van de WVW 1994.


11De beslissing


De rechtbank:


vrijspraak/bewezenverklaring

  • - verklaart niet bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
  • - verklaart bewezen, dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
  • - verklaart niet bewezen wat aan verdachte subsidiair meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
  • - verklaart dat het bewezenverklaarde oplevert:subsidiair: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;
  • - verklaart verdachte strafbaar voor het subsidiair bewezenverklaarde;

straf

  • - legt aan verdachte op een geldboete ten bedrage van € 500,- (zegge: vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door tien dagen hechtenis;
  • - ontzegt verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de tijd van één jaar;
  • - bepaalt dat de ontzegging van de rijbevoegdheid niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. van der Maden, voorzitter, mr. L.J.C. Hangx en mr. M. van Bruggen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.R.J. Aink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 8 september 2015.





























Bijlage bewijsmiddelen


Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.


Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie IJsselland met nummer PL04SA 2014091316-1. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.


Het proces-verbaal Aanrijding overtreding d.d. 27 november 2014, inhoudende:

(…) Datum: 31 oktober 2014. Omstreeks: 19:30 uur. Adres: Heesweg. Plaats: Raalte (…) [slachtoffer] fietste over de Heesweg in de richting van de Schoonheetensweg. Westerhof reed als chauffeur van een vrachtauto (…) over de Overkampsweg, in de richting van genoemde kruising. [slachtoffer] kreeg op de genoemde kruising geen voorrang van Westerhof. (…) De plaats van het ongeval is afgezet teneinde een sporenonderzoek te kunnen laten verrichten. (…) Bij of kort na het ongeval is onderstaand persoon overleden. (…) [slachtoffer] (…) [voornamen slachtoffer]. (…)


Het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse d.d. 21 maart 2015, inhoudende:

(…) De bestuurder van de Iveco reed over de Overkampsweg in noordelijke richting en naderde voorrangskruising met de Heesweg, dit is een T-kruising. Ter hoogte van de T-Kruising met de Heesweg was de bestuurder van de Iveco voornemens om linksaf te slaan, om zijn weg in westelijke richting over de Heesweg te vervolgen. Op dat moment reed de bestuurder van de Sparta over de fietssuggestiestrook van de Heesweg in oostelijke richting. De Heesweg is een voorrangsweg. De bestuurder van de Sparta was de T-kruising met de Overkampsweg al genaderd. Op het moment dat de bestuurder van de Iveco de T-kruising opreed, reed de bestuurder van de Sparta al aan de voorzijde van de Iveco. Kennelijk heeft de bestuurder van de Iveco de naderende fietser niet gezien. Hierdoor ontstond er een aanrijding waarbij de voorzijde van de Iveco in botsing kwam met de rechterzijde van de Spart. De bestuurder van de Sparta werd ook door de voorzijde van de Iveco geraakt. De bestuurder van de Sparta kwam op circa 5 meter voor de Iveco op de weg terecht. (…)

De Heesweg was middels bord B1, bijlage 1 RVV 1990 aangeduid als voorrangsweg. Het verkeer op de Overkampsweg moest voorrang verlenen aan bestuurders van de kruisende weg, de Heesweg, dit werd middels bord B6, bijlage 1 RVV 1990 en haaietanden als bedoeld in artikel 1 onder P RVV 1990 kenbaar gemaakt. (…)


Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 31 oktober 2014, inhoudende:

(…) Ik reed, op 31 oktober 2014 omstreeks 19:30 uur, over de Overkampsweg te Raalte komende uit de richting van de Nieuwe Deventerweg. Ik naderde de kruising met de Heesweg en wilde linksaf slaan. Ik kijk de Heesweg op, ik keek naar links en rechts, maar zag niets aankomen. Ik ben niet gestopt voor de haaientanden op het wegdek. (…) Plots zag ik een vage schim voor mijn auto en ben toen uit alle macht geremd, maar kon een aanrijding niet meer voorkomen. Ik heb de fietser helemaal niet gezien, ik denk dat hij ergens in een dode hoek van mij zat of zo. (…) Ik voel mij wel schuldig dat ik de fietser heb aangereden, ik had nog beter moeten uitkijken, maar ik heb hem echt niet gezien. (…)


Het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 25 augustus 2015, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:

(…) Toen ik de kruising naderde heb ik de vrachtwagen door laten rollen. Ik ben niet gestopt. Ik keek naar links, naar rechts en vervolgens weer naar links, maar ik heb niets gezien. Vervolgens heb ik weer gas gegeven om de bocht te nemen. Op het moment dat ik iets voor de auto zag ben ik vol op de rem gaan staan, maar toen was het al te laat. (…) Ik heb het vermoeden dat de fietser in mijn spiegel heeft gezeten en gelijktijdig met mij is opgetrokken toen ik met 15 tot 20 km/u doorrolde. Ik wilde gas gaan geven, maar toen was hij er al. Vervolgens ben ik vol in de rem gegaan, maar hij zat al voor het midden van de vrachtauto en het was te laat. (…) Die spiegel is een gigantisch groot ding en je kijkt daar ook tegen verkeersborden aan. (…)



1 Proces-verbaal aanrijding overtreding d.d. 27 november 2014, pag. 2 t/m 5.
2 Proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse d.d. 21 maart 2015, pag. 14 t/m 30.
3 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 31 oktober 2014, pag. 12 en 13.