Rechtbank Overijssel, 08-09-2015 / Awb 15/565


ECLI:NL:RBOVE:2015:4163

Inhoudsindicatie
Door inschrijving van een (tweede) persoon op een adres louter te baseren op de (digitale) aangifte van verhuizing heeft verweerder onzorgvuldig onderzoek verricht; beroep gegrond.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-09-08
Publicatiedatum
2015-09-08
Zaaknummer
Awb 15/565
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo


Bestuursrecht


zaaknummer: AWB 15/565


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te Enschede, eiser,

(gemachtigde: mr. S. Faber),


en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Enschede, verweerder

(gemachtigde: J.M.P. Duininck).




Procesverloop


Bij besluit van 7 januari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat zijn uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) met ingang van 4 september 2014 wordt herzien in verband met wijziging van de op hem van toepassing zijnde toeslag.


Bij besluit van 19 februari 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.


Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.



Overwegingen


1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.


Eiser is sinds 1 mei 2014 woonachtig aan de [adres] te Enschede. Hij ontving een WWB-uitkering naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20%, omdat hij geen kosten kan delen.


Verweerder heeft na onderzoek vastgesteld dat eiser met ingang van 4 september 2014 een medebewoner heeft, op grond waarvan hij recht had op een toeslag van 5% in plaats van 20%. Vervolgens heeft de besluitvorming plaatsgevonden zoals die hierboven onder ‘Procesverloop’ is uiteengezet.


2. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij nooit toestemming aan anderen heeft gegeven om zich op zijn adres in te schrijven en heeft nimmer medebewoners op zijn adres gehad. Daarbij verwijst eiser naar de website van de gemeente Enschede waaruit blijkt dat het doorgeven van een verhuizing in of naar de gemeente Enschede digitaal mogelijk is. Het is niet nodig een bewijs van bewoning over te leggen. De gemeente Enschede controleert volgens eiser op geen enkele wijze of de hoofdbewoner van het adres waarop een persoon zich wenst in te schrijven ook daadwerkelijk toestemming heeft verleend voor die inschrijving. Het doorgeven van een burgerservicenummer, de geboortedatum en het legitimatienummer van de hoofdbewoner wordt door de gemeente Enschede ten onrechte gelijkgesteld met een toestemmingsverklaring van de hoofdbewoner. Ook heeft de gemeente Enschede eiser niet geïnformeerd over de inschrijvingen op zijn adres. Als dat wel was gebeurd, had eiser meteen kunnen berichten dat hij geen toestemming heeft gegeven voor de inschrijving. Volgens eiser hebben de personen die zich op zijn adres hebben ingeschreven de gegevens van zijn identiteitsbewijs gekopieerd, zodat zij zich zonder zijn medeweten hebben kunnen inschrijven. Verweerder heeft geen zorgvuldig onderzoek naar de feiten en belangen verricht, zodat het besluit strijdig is met het zorgvuldigheidsbeginsel, aldus eiser.


3. De rechtbank overweegt als volgt.


3.1

De WWB is met ingang van 1 januari 2015 gewijzigd en heet sindsdien de Participatiewet. Met het oog op het overgangsrecht van artikel XVIII van de Wet maatregelen Wet werk en bijstand en enkele andere wetten wordt op dit beroep beslist met toepassing van de WWB, zoals die luidde vóór 1 januari 2015.


3.2

Op grond van artikel 25, eerste lid, van de WWB, verhoogt het college de norm, bedoeld in artikel 21, onderdelen a en b, met een toeslag voorzover de belanghebbende hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander. Deze kosten kunnen in ieder geval niet geheel of gedeeltelijk gedeeld worden met thuisinwonende kinderen van 18 jaar of ouder die een in aanmerking te nemen inkomen hebben van ten hoogste het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000.


Op grond van artikel 5.1, eerste lid, van de Verordening Werk en Bijstand (de Verordening) van de gemeente Enschede bedraagt de toeslag bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet voor de alleenstaande en alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft, 20% van de gehuwdennorm.


Op grond van artikel 5.1, tweede lid, van de Verordening bedraagt de toeslag bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet bedraagt voor de alleenstaande en alleenstaande ouder in wiens woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, 5% van de gehuwdennorm.


3.3

Uit de bevolkingsadministratie van de gemeente Enschede blijkt dat op 4 september 2014 een tweede persoon op het adres [adres] te Enschede is ingeschreven. Op de bijbehorende aangifte van verhuizing is eiser weergegeven als degene die toestemming tot inwoning geeft, voorzien van burgerservicenummer en legitimatienummer. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deze enkele aangifte van verhuizing, die op ogenschijnlijk eenvoudige wijze met het burgerservicenummer en legitimatienummer digitaal is te verkrijgen, ten onrechte aangenomen als voldoende bewijs dat eiser toestemming heeft verleend tot inwoning. Weliswaar ligt het op de weg van eiser om zorgvuldig met zijn persoonsgegevens om te gaan en te voorkomen dat dit in handen van derden komt, maar dit laat onverlet dat het de rechtbank niet ondenkbaar voorkomt dat de wijze waarop verweerder het digitaal doen van aangifte van verhuizing heeft ingericht, gevoelig is voor misbruik. Het komt de rechtbank dan ook vreemd voor dat de hoofdbewoner niet door verweerder geïnformeerd wordt over de verhuizing. Door de inschrijving van een tweede persoon op het adres [adres] te Enschede louter te baseren op het (digitaal) aangifte van verhuizing, heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat in geval van eiser per 4 september 2014 sprake was van medebewoning.


4. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen ontbeert het bestreden besluit een zorgvuldige voorbereiding en een deugdelijke motivering in de zin van de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


5. Het beroep is gelet op het vorenstaande gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.


6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.


7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van

€ 490,-- en een wegingsfactor 1).

























Beslissing


De rechtbank

  • - verklaart het beroep gegrond;
  • - vernietigt het bestreden besluit;
  • - draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
  • - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,-- aan eiser te vergoeden;
  • - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 980,--.


Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M.J. Vijftigschild, rechter, in aanwezigheid van

A. van den Ham, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op







griffier rechter


















Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.