Rechtbank Overijssel, 09-09-2015 / AWB 15/15530; 15/16260; 15/16257; 15/16259; 15/16258; 15/16265; 15/16266; 15/16267; 15/16289; 15/16330; 15/16292; 15/16295; 15/16335; 15/16336; en 15/16339.


ECLI:NL:RBOVE:2015:4176

Inhoudsindicatie
De voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel oordeelt dat de Staat van een groep gezinnen van uitgeprocedeerde asielzoekers uit Almelo kan verlangen dat zij verhuizen naar een andere gezinslocatie. Het verzoek van de asielzoekers dat de rechter de Staat moet verbieden om hen over te plaatsen is afgewezen.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-09-09
Publicatiedatum
2015-09-09
Zaaknummer
AWB 15/15530; 15/16260; 15/16257; 15/16259; 15/16258; 15/16265; 15/16266; 15/16267; 15/16289; 15/16330; 15/16292; 15/16295; 15/16335; 15/16336; en 15/16339.
Procedure
Voorlopige voorziening
Rechtsgebied
Bestuursrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JV 2015/304 met annotatie van dr. C.H. Slingenberg
Uitspraak RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht


zaaknummers: AWB 15/15530; 15/16260; 15/16257; 15/16259; 15/16258; 15/16265; 15/16266; 15/16267; 15/16289; 15/16330; 15/16292; 15/16295; 15/16335; 15/16336; en 15/16339.



uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen



[verzoeker 1] , [verzoeker 2] en [verzoeker 3] ,[verzoeker 4] en [verzoeker 5] ,

[verzoeker 6] , [verzoeker 7] en [verzoeker 8] ,

[verzoeker 9] ,

[verzoeker 10] ,

[verzoeker 11] en [verzoeker 12] ,

[verzoeker 13] , [verzoeker 14] ,

[verzoeker 15] ,

[verzoeker 16] ,

[verzoeker 17] ,

[verzoeker 18] ,

[verzoeker 19] , [verzoeker 20] ,

[verzoeker 21] ,

[verzoeker 22] ,

[verzoeker 23] ,

[verzoeker 24] ,[verzoeker 25] , [verzoeker 26] ,[verzoeker 27] ,[verzoeker 28] ,

mede ten behoeve van hun minderjarige kinderen,verzoekers, (gemachtigde: mr. C.U. Ullersma),en


de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder, (gemachtigde: mr. M.M. van Asperen).




Procesverloop

Bij brieven van 6 juli 2015 heeft verweerder verzoekers geïnformeerd over de voorgenomen sluiting van de gezinslocatie Almelo en aangegeven dat verzoekers daarom zullen moeten verhuizen naar een andere gezinslocatie. Bij brieven van 22 juli 2015 heeft verweerder verzoekers individueel gemeld dat zij vanwege de sluiting van de gezinslocatie Almelo opvang krijgen aangeboden in een andere, specifiek genoemde gezinslocatie.


Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het sluiten van de gezinslocatie Almelo en hun daaruit voortvloeiende overplaatsing naar andere gezinslocaties. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2015. Vele verzoekers en gezinsleden zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde en haar kantoorgenote mr. Ch. Samkalden, of –bij niet verschijnen- door de gemachtigde en haar kantoorgenote vertegenwoordigd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en haar kantoorgenote mr. J.A. Nijland. Voorts zijn ter zitting aanwezig de heer [naam 1] , locatiemanager van azc Almelo en mevrouw [naam 2] , directeur van de basisschool Het Palet in Almelo.


Overwegingen


Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Verzoekers hebben tegen de sluiting van gezinslocatie Almelo als gezinslocatie een kort geding aangespannen bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag. De mondelinge behandeling daarvan heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2015 en de voorzieningenrechter heeft in die procedure uitspraak gedaan op 4 september 2015. Deze uitspraak is gepubliceerd onder nummer ECLI:NL:RBDHA:2015:10447. Ter zitting is tussen partijen komen vast te staan dat de sluiting van de gezinslocatie, dan wel de omvorming van de gezinslocatie in een asielzoekerscentrum (azc), geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb, zodat dit geen deel kan uitmaken van de voorlopige beoordeling door de bestuursrechter.


3. Verzoekers voeren aan dat de sluiting van de gezinslocatie Almelo en (vooral) hun daaruit voortvloeiende overplaatsing naar een andere gezinslocatie een ongerechtvaardigde inbreuk vormt op hun door artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) beschermde rechten en op de (andere) rechten van hun minderjarige kinderen zoals die met name worden beschermd door het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK). Zij stellen dat niet of onvoldoende (kenbaar) de (individuele) belangen van de kinderen zijn betrokken bij de beslissing om de gezinnen van verzoekers over te plaatsen naar een andere gezinslocatie.

4. Verweerder wijst er op dat de voorzieningenrechter in de uitspraak van 4 september 2015, heeft geoordeeld dat de beslissing tot omvorming van de gezinslocatie in een regulier azc gerechtvaardigd is. Daarmee is de sluiting van gezinslocatie Almelo als gezinslocatie een gegeven, aldus verweerder. Van dat gegeven dient in de onderhavige procedure te worden uitgegaan. Dit betekent ook dat verzoekers niet langer in de gezinslocatie Almelo kunnen verblijven, een enkele (tijdelijke) uitzondering daargelaten. Dat heeft (nadelige) gevolgen voor verzoekers, maar verweerder heeft allerlei maatregelen genomen om deze nadelige gevolgen zoveel mogelijk te beperken.

5. Zoals in de kort gedingprocedure van verzoekers reeds is vastgesteld, staat vast dat verzoekers en hun minderjarige kinderen, als zogenoemde uitgeprocedeerde asielzoekers, niet rechtmatig in Nederland verblijven en dat op hen de rechtsplicht rust om Nederland te verlaten. Tussen partijen is voorts niet in geschil dat de Staat, ondanks deze status, gehouden is tot het bieden van een noodopvang aan eisers met een niveau dat nodig is ter voorkoming van een humanitaire noodsituatie voor de minderjarigen. Daarbij is verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad (HR) van 21 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5328.

6. In deze uitspraak heeft de HR geoordeeld over de vraag of, en zo ja op welke wijze, de Staat dient te voorzien in de opvang van uitgeprocedeerde minderjarigen in afwachting van hun terugkeer naar het land van herkomst. Bij de beantwoording van die vraag heeft de HR vooropgesteld dat de Nederlandse overheid op grond van het bepaalde in Richtlijn 2003/9/EG van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten (de Opvangrichtlijn) is gehouden opvang te bieden aan asielzoekers en hun gezinsleden gedurende de periode dat zij in afwachting zijn van een definitief besluit op hun asielverzoek. De in die richtlijn bedoelde minimumnormen zien onder meer op onderwijs aan minderjarigen, materiële opvangvoorzieningen en medische zorg. De lidstaten behoren op grond van deze richtlijn eveneens passende maatregelen te nemen om in de mate van het mogelijke de eenheid van het gezin zoals aanwezig op zijn grondgebied te bewaren indien deze lidstaat zorg draagt voor de huisvesting van de asielzoekers. Voorts strekt Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over de gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (de Terugkeerrichtlijn) blijkens de considerans ertoe op basis van gemeenschappelijke normen een doeltreffend terugkeerbeleid te ontwikkelen, zodat mensen op een humane manier, met volledige eerbiediging van hun grondrechten en waardigheid teruggezonden kunnen worden. De lidstaten dienen te voorzien in de elementaire levensbehoeften van onderdanen van derde landen die illegaal in die staat verblijven maar nog niet kunnen worden uitgezet. Deze richtlijn laat het aan de lidstaten dit in hun nationale wetgeving uit te werken. In de considerans is voorts bepaald dat de lidstaten, overeenkomstig het IVRK en het EVRM, bij de uitvoering van de richtlijn het belang van het kind en de eerbiediging van het gezinsleven voorop dienen te stellen. Gedurende de termijn die is toegestaan voor vrijwillig vertrek en gedurende de termijn waarvoor overeenkomstig artikel 9 de verwijdering is uitgesteld, dienen de lidstaten onder meer ervoor te zorgen dat zoveel mogelijk de eenheid van het gezin wordt gehandhaafd, dringende medische zorg wordt verstrekt en minderjarigen toegang krijgen tot het basisonderwijs.De HR heeft er op gewezen dat wat de positie van de lidstaten betreft, van belang is dat aan hen "as a matter of well-established international law" het recht toekomt om de instroom en het verblijf van vreemdelingen in hun land te beheersen (vgl. EHRM 12 oktober 2006, hiervoor aangehaald in 3.5.3, onder 81). Vreemdelingen zonder geldige verblijfstitel die de lidstaten met hun aanwezigheid voor een "fait accompli" plaatsen, kunnen niet erop rekenen dat hun een recht op verblijf wordt gegund (vgl. EHRM 31 januari 2006, no. 50435/99, LJN AV3568, onder 43). Ten aanzien van uitzetbare vreemdelingen geldt voorts dat zij in beginsel geen aanspraak op voortgezet verblijf kunnen maken om medische, sociale of andere hulp of diensten van de uitzettende staat te ontvangen (vgl. EHRM 27 mei 2008, no. 26565/05, LJN BD6647, onder 23). Ten slotte dient, aldus de HR, in aanmerking te worden genomen dat de lidstaten die partij zijn bij het (herziene) ESH naar het oordeel van het ECSR op grond van art. 31, aanhef en onder 2, ESH verplicht zijn "to provide adequate shelter to children unlawfully present in their territory for as long as they are in their jurisdiction. Any other solution would run counter to the respect for their human dignity and would not take due account of the particularly vulnerable situation of the children" Het oordeel van de HR is dan ook dat op grond van genoemde internationale regelgeving en jurisprudentie op de Staat de verplichting rust te waken voor de rechten en belangen van minderjarigen die zich op zijn grondgebied bevinden, ook waar het gaat om minderjarige vreemdelingen zonder geldige verblijfstitel, mede omdat zij niet verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor gedragingen van hun familieleden. De HR oordeelt tevens dat het Hof met juistheid ervan is uitgegaan dat de Staat bij de inrichting van de opvang en verzorging van de kinderen, hun familie- en gezinsleven met (in dit geval) de moeder zoveel mogelijk dient te eerbiedigen. Voor de beantwoording van de vraag in hoeverre dit familie- en gezinsleven door de Staat dient te worden geëerbiedigd, heeft het Hof van belang geacht dat de opvang van de kinderen enkel gecontinueerd dient te worden in afwachting van hun uitzetting.

7. Het in het oordeel van de HR genoemde samenstel van internationale regelgeving en jurisprudentie vormt de grondslag voor de verplichting van de Staat om de opvang van uitgeprocedeerde minderjarigen en hun ouders te continueren (enkel) in afwachting van hun uitzetting (of alsnog hun vrijwillige vertrek). Verweerder heeft deze verplichting nader uitgewerkt in zijn brief aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 21 december 2011, nr. 2011-2000584256. Daarin wijst verweerder er op dat hij de keuze heeft gemaakt om gezinnen met minderjarige kinderen waarbij het verleende onderdak niet kan worden beëindigd zolang het vertrek uit Nederland nog niet heeft plaatsgevonden, te plaatsen in op het vertrek gerichte gezinslocaties van het COA met een sober voorzieningenniveau. Het uitgangspunt daarbij is dat de vreemdelingen een eigen verantwoordelijkheid hebben om te voldoen aan hun vertrekplicht. In deze brief schrijft verweerder tevens dat hij het COA de opdracht heeft gegeven om de gezinslocaties in te richten waarin het voorzieningenniveau voor de kinderen hetzelfde is als in een AZC. Voor de ouders van die kinderen geldt een regime dat primair gericht is op vertrek. Het karakter van de gezinslocaties is gerelateerd aan de doelgroep ervan, namelijk vreemdelingen die niet in aanmerking komen voor bescherming in Nederland en die als voormalig asielzoekers niet meer onder het toepassingsgebied van de Opvangrichtlijn vallen. Voor kinderen verschilt de medische zorg in een gezinslocatie niet van de medische zorg in een regulier AZC, volwassenen hebben recht op medisch noodzakelijke zorg. Minderjarige kinderen hebben recht op onderwijs. Om te voorkomen dat kinderen na hun overplaatsing lang moeten wachten tot ze op een school terecht kunnen op of in de buurt van de gezinslocatie, wordt als uitgangspunt gehanteerd dat overplaatsingen pas plaatsvinden indien is geborgd dat kinderen binnen twee weken na hun overplaatsing naar de gezinslocatie toegang tot een school hebben. Er bestaat geen juridische verplichting tot het geven van leefgeld omdat de doelgroep niet valt onder de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen (Rva 2005). Niettemin krijgen deze gezinnen een financiële bijdrage.

8. In de uitspraak van 4 september 2015 in het kort geding dat verzoekers hebben aangespannen, is geoordeeld dat de Staat met de beslissing tot omvorming van de gezinslocatie in Almelo een ‘fair balance’ heeft gevonden tussen het belang van verzoekers en hun familie enerzijds en het algemeen belang en de belangen van betrokken derden (nieuwe asielzoekers) anderzijds. Daartoe is van belang geacht de (verblijfsrechtelijke) rechtspositie van verzoekers, de beschikbaarheid van een in het licht van de uitspraak van de Hoge Raad aanvaardbaar alternatief en de bevoegdheid van de Staat om de instroom en het verblijf van vreemdelingen te beheersen.

9. Niet in geschil is dat met de overplaatsing sprake is van inmenging in de rechten van (de kinderen van) verzoekers als bedoeld in artikel 8 van het EVRM in samenhang met artikel 3 van het IVRK. Het geschil ziet nu vooral nog op de vraag of verweerder door te beslissen dat verzoekers worden overgeplaatst naar een andere gezinslocatie, gezien de daaruit voor verzoekers voortvloeiende gevolgen, al dan niet een ontoelaatbare inbreuk maakt op de rechten van (de kinderen van) verzoekers zoals gewaarborgd in artikel 8 van het EVRM in samenhang met artikel 3 van het IVRK.

10. Verweerder stelt zich op het standpunt dat die inmenging gerechtvaardigd is en voortvloeit uit het (gerechtvaardigde) besluit tot sluiting van gezinslocatie Almelo als zodanig. Verweerder wijst in dit verband onder meer op de grote opgave waarvoor hij staat om de vele asielzoekers die de laatste maanden en nog steeds in Nederland binnen komen, op te vangen. Verweerder heeft besloten om de gezinslocatie om te vormen opdat hij deze locatie geheel als AZC in gebruik kan nemen, waarmee een deel van die grote instroom kan worden opgevangen. Verweerder wijst op de nadelige gevolgen van het bestaan van twee functies voor opvang van vreemdelingen naast elkaar, waarbij sprake is van verschillende vooruitzichten op verblijf in Nederland, als ook verschillend voorzieningenniveau en verschillen in de toepassing van en daarmee controle op vrijheidsbeperkende maatregelen. Met de belangen van verzoekers is rekening gehouden door de maatregelen die zijn getroffen om de negatieve gevolgen van de overplaatsing zoveel mogelijk te beperken. Verzoekers is een aanvaardbaar alternatief geboden waarin de voorzieningen vergelijkbaar zijn met die in Almelo.

11. Verzoekers stellen dat niet is beoordeeld in hoeverre de concrete voorzieningen op de specifieke locaties inderdaad zijn gegarandeerd. Een gebrek aan voorzieningen op het gebied van scholing en medische zorg leidt tot een inbreuk op de fundamentele rechten van verzoekers individueel. Verzoekers zijn van mening dat het besluit tot overplaatsing niet zorgvuldig is genomen en niet draagkrachtig is gemotiveerd nu hun belangen, en met name die van hun kinderen, daarbij onvoldoende zijn betrokken. In dit verband wijzen verzoekers vooral ook op de nadelige gevolgen van de (zoveelste) gedwongen verhuizing voor veel van de kinderen zoals die ook blijken uit onderzoek van mevrouw [naam 3] in opdracht van verweerder. De beslissing voldoet niet aan het subsidiariteitsvereiste gezien de mogelijke maar niet onderzochte alternatieven, en evenmin aan het proportionaliteitsvereiste.

12. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder met de beslissing tot overplaatsing van verzoekers geen ontoelaatbare inbreuk gemaakt op de fundamentele rechten van verzoekers en hun kinderen. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

13. Allereerst blijkt uit de stukken dat verweerder, in tegenstelling tot hetgeen verzoekers stellen, een kenbare en toetsbare belangenafweging heeft gemaakt bij het besluit tot overplaatsing. Die kenbaarheid blijkt uit de brieven die verweerder aan verzoekers heeft gezonden, de informatie die verzoekers is verstrekt en eveneens uit hetgeen in de verschillende procedures in deze kwestie door verweerder naar voren is gebracht. In dit verband wijst de voorzieningenrechter voorts nog op de antwoorden van verweerder van 26 augustus 2015 op vragen gesteld door leden van de Tweede Kamer (TK 2014-2015, aanhangsel 3149).

14. Gesteld noch gebleken is dat de overplaatsing naar een andere gezinslocatie de eenheid van het gezin aantast.


15. De voorzieningenrechter is evenals de rechter in het kort geding van verzoekers van oordeel dat de verblijfsrechtelijke status van verzoekers een rol speelt in het kader van de te maken belangenafweging. Uit het arrest van het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM) van 18 januari 2001 in de zaak Chapman blijkt, zoals reeds in de uitspraak van 4 september 2015 in kort geding van verzoekers is vermeld, dat ‘the legal and social context’ waarin de beslissing wordt genomen een ‘relevant factor’ is. De voorzieningenrechter wijst in dit kader op het feit dat verzoekers opvang wordt geboden enkel in afwachting van hun vertrek dan wel hun uitzetting. Uit het arrest Chapman blijkt tevens dat bij de beoordeling of sprake is van een ontoelaatbare inbreuk op artikel 8 van het EVRM van belang is of al dan niet een alternatief beschikbaar is: “The more suitable the alternative accommodation is, the less serious is the interference constituted bij moving the applicant from his or her existing accommodation”, aldus het EHRM in dit arrest. Verweerder heeft terecht gesteld dat verzoekers een alternatief is aangeboden dat vergelijkbaar is met de locatie waar zij nu verblijven. Uit de hiervoor vermelde brief van verweerder aan de Tweede Kamer blijkt dat alle gezinslocaties in Nederland op een vergelijkbare wijze zijn ingericht en dat de voorzieningen in of bij al die gezinslocaties op een vergelijkbaar niveau zijn zowel voor de minderjarigen als voor hun ouders. Ter zitting is ook gebleken dat door het COA is en wordt gezocht naar de juiste scholen voor de overgeplaatste en over te plaatsen kinderen. Dit is ook gebleken bij de reeds vrijwillig vertrokken gezinnen. Slechts één van de reeds overgeplaatste kinderen was op het moment van de behandeling ter zitting (mogelijk)in het net begonnen schooljaar nog niet op een school geplaatst. Het COA heeft ter zitting meegedeeld en toegezegd dat het ook voor meerderjarige schoolgaande kinderen adequate verdere scholing probeert te regelen. Medische zorg kan nog drie maanden plaatshebben in Almelo bij de bekende behandelaars, de reiskosten worden daarbij vergoed en in deze periode van drie maanden hebben verzoekers voldoende tijd om nieuwe behandelaars te vinden en een goede overdracht te regelen. Indien gewenst kan daarbij hulp door het Gezondheidscentrum Asielzoekers worden verkregen.


16. Uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat het recht op eerbieding van het privéleven inherente positieve verplichtingen kan meebrengen voor de staat, waarbij kwetsbare personen in het bijzonder recht hebben op bescherming. Volgens het EHRM kan artikel 8 van het EVRM ook relevant zijn in zaken die betrekking hebben op de besteding van publieke middelen, zoals hier het geval. Daarbij is wel van belang dat in een dergelijk geval aan de Staat een “margin of appreciation” toekomt. De voorzieningenrechter verwijst naar het arrest in de zaak N. tegen het Verenigd Koninkrijk van 27 mei 2008 (ECLI:NL:XX:2008:BD6647) en naar O. 104 van het arrest van het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM) van 18 januari 2001 in de zaak Chapman.


17. Verweerder heeft gemotiveerd uiteengezet dat hij tot overplaatsing van verzoekers heeft besloten, teneinde de vele asielzoekers die de laatste maanden Nederland zijn ingereisd, te kunnen huisvesten en daarbij evenzeer gemotiveerd waarom het onwenselijk is om uitgeprocedeerde asielzoekers en asielzoekers in de asielprocedure op een locatie te plaatsen. Voorts blijkt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat verweerder doet wat binnen zijn vermogen ligt om de nadelige gevolgen van het verhuizen voor (de kinderen van) verzoekers zoveel mogelijk te beperken. Mede gelet op het feit dat verzoekers geen rechtmatig verblijf meer hebben in Nederland, verplicht zijn Nederland te verlaten en hen enkel opvang verleend wordt in afwachting van hun vertrek of uitzetting, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder uitgaande van zijn “wide margin of appreciation” door middel van deze wijze van (gedwongen) verhuizen geen ontoelaatbare of buitenproportionele inbreuk maakt op de fundamentele rechten van verzoekers en hun kinderen.


18. Voor zover verzoekers omstandigheden naar voren hebben gebracht, waarom in hun individuele geval dient te worden afgezien van overplaatsing naar een andere gezinslocatie overweegt de voorzieningenrechter als volgt.


19. De familie [verzoeker 1] heeft aangevoerd dat hun beroep in het kader van hun aanvraag om een verblijfsvergunning op grond van het zogeheten kinderpardon gegrond is verklaard, dat zij in afwachting zijn van een uitspraak in het kader van hun verzoek om toepassing van het bepaalde in artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), naast de gevolgen voor de onderbreking van de gevolgde schoolopleiding van de kinderen ten gevolge van de verhuizing. In het licht van het hiervoor overwogene is de voorzieningenrechter van oordeel dat het besluit hen over te plaatsen geen ontoelaatbare inbreuk maakt op hun fundamentele rechten. De procedure voor een nieuwe verblijfsaanvraag is geen omstandigheid, op grond waarvan verweerders belangenafweging anders dan thans het geval, had dienen uit te vallen


20. De familie [verzoeker 2 en 3] heeft aangevoerd dat [naam 4] dit schooljaar een MBO-opleiding zal beginnen aan een ROC in Almelo, [naam 5] gaat naar het tweede jaar van het VMBO-BK. [naam 4] en zijn vader worden behandeld wegens psychische klachten. In het licht van het hiervoor overwogene is de voorzieningenrechter van oordeel dat het besluit hen over te plaatsen geen ontoelaatbare inbreuk maakt op hun fundamentele rechten.


21. Mevrouw [verzoeker 4] heeft aangevoerd dat haar inmiddels meerderjarige zoon [naam 6] economie studeert in Deventer, een plaats die vanuit de aangeboden nieuwe locatie niet goed te bereiken is, waardoor de kans groot is dat hij zijn opleiding verder niet kan vervolgen. Haar dochter [naam 7] is net begonnen in groep 7. Mevrouw zelf heeft gezondheidsproblemen en haar dochter krijgt behandeling bij Mediant. In het licht van het hiervoor overwogene is de voorzieningenrechter van oordeel dat het besluit hen over te plaatsen geen ontoelaatbare inbreuk maakt op hun fundamentele rechten. Ter zitting heeft de heer [naam 1] , locatiemanager, aangegeven dat ook getracht zal worden de meerderjarige kinderen in staat te stellen een reeds gestarte opleiding bij een nabij de nieuwe locatie gelegen opleidingsinstituut te continueren, ook al bestaat daartoe in het kader van de nationale en internationale regelgeving geen verplichting.


22. De familie [verzoeker 6, 7, 8, 9, 10] heeft aangevoerd dat zij reeds langdurig in Nederland verblijven. Meerdere gezinsleden kampen langdurig met ernstige psychische problemen, waarvoor zij zijn en worden behandeld, en de meerderjarige zoon [naam 8] is opgenomen in een kliniek in Zutphen. De minderjarige dochter [naam 9] heeft psychische problemen, waarvoor zij behandeling ondergaat. [naam 9] gaat naar het passend onderwijs. In de vorige woonplaats Almere was het moeilijk een plek voor [naam 9] in het Passend Onderwijs te vinden. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat voor het gezin plaats is gemaakt op de gezinslocatie in Amersfoort omdat een onderwijsinstelling vlakbij Amersfoort soortgelijk onderwijs als in Almelo aanbiedt. In het licht van het hiervoor overwogene is de voorzieningenrechter van oordeel dat het besluit hen over te plaatsen geen ontoelaatbare inbreuk maakt op hun fundamentele rechten.


23. De familie [verzoeker 11 en 12] heeft aangevoerd dat hun dochter [naam 10] net is begonnen in groep 7 van de basisschool, dat mevrouw [verzoeker 11 en 12] diabetespatiënt is en de heer [verzoeker 11 en 12] een half jaar geleden een hersenbloeding heeft gehad. In het licht van het hiervoor overwogene is de voorzieningenrechter van oordeel dat het besluit hen over te plaatsen geen ontoelaatbare inbreuk maakt op hun fundamentele rechten.


24. De familie [verzoeker 14] bestaat uit vader, moeder, opa, oma, en de kinderen [naam 11] en [naam 12] . [naam 11] is net meerderjarig en zou in dit schooljaar zijn examen MBO bedrijfseconomie moeten doen aan het ROC in Almelo. Vanwege zijn meerderjarigheid kan hij zich straks niet meer aanmelden voor een andere school. [naam 12] heeft op of bij de aangeboden nieuwe locatie geen school waar zij op haar eigen niveau (gymnasium) verder kan leren. Daarnaast zijn [naam 11] en zijn vader al vier jaar lang onder psychologische behandeling en opa al vijf jaar lang. Oma heeft gezondheidsklachten vanwege hoge bloeddruk en moeder moet kalmerende medicatie gebruiken. Ter zitting is gebleken dat op reisafstand van de nieuw aangeboden locatie een gymnasium is, dat [naam 12] zou kunnen bezoeken. Voorts heeft de heer [naam 1] , locatiemanager, aangegeven dat ook getracht zal worden de meerderjarige kinderen in staat te stellen een reeds gestarte opleiding bij een nabij de nieuwe locatie gelegen opleidingsinstituut te continueren, ook al bestaat daartoe in het kader van de nationale en internationale regelgeving geen verplichting. De gemachtigde van verweerder heeft daaraan toegevoegd dat [naam 11] in de gelegenheid wordt gesteld zijn 10-weekse stage in Almelo af te ronden. In het licht van het hiervoor overwogene is de voorzieningenrechter van oordeel dat het besluit hen over te plaatsen geen ontoelaatbare inbreuk maakt op hun fundamentele rechten.


25. De familie [verzoeker 16] heeft aangevoerd dat zij een herhaalde asielaanvraag hebben gedaan en in afwachting zijn van de uitkomst van de behandeling daarvan. Hun drie minderjarige kinderen gaan in Almelo naar school. Nela kan doorstromen van VMBO naar HAVO maar is bang dat dit niet mogelijk zal zijn bij de nieuwe locatie die het gezin is aangewezen. [naam 13] zit dit schooljaar in zijn examenjaar en [naam 14] in groep 7 van de basisschool. De familie gaat regelmatig naar een Armeense kerk vlakbij gezinslocatie Almelo, dat kan niet meer bij de nieuwe locatie omdat daar een dergelijke kerk niet aanwezig is. In het licht van het hiervoor overwogene is de voorzieningenrechter van oordeel dat het besluit hen over te plaatsen geen ontoelaatbare inbreuk maakt op hun fundamentele rechten. Daaraan kan het gegeven dat het gezin bij de nieuwe locatie geen Armeense kerk kan bezoeken niet afdoen.


26. De familie [verzoeker 17] heeft aangevoerd dat zij staatloos en daarom niet uitzetbaar zijn. Dochter [naam 15] gaat naar het Vmbo en zoon [naam 16] zit in groep 3. Beide ouders hebben spanningsklachten en lijden aan slapeloosheid, waarvoor zij behandeld worden. Ten aanzien van moeder loopt een zgn. artikel 64-procedure. Voor vader is het beroep op artikel 64 Vw afgewezen. In het licht van het hiervoor overwogene is de voorzieningenrechter van oordeel dat het besluit hen over te plaatsen geen ontoelaatbare inbreuk maakt op hun fundamentele rechten. De procedure in het kader van artikel 64 Vw is geen omstandigheid, op grond waarvan verweerders belangenafweging anders dan thans het geval, had dienen uit te vallen.


27. De familie [verzoeker 19] heeft aangevoerd dat hun dochter [naam 17] sinds kort naar groep 3 van basisschool het Palet gaat en [naam 18] sinds kort naar groep 1 van die school. De moeder van de kinderen is in behandeling bij Mediant en [naam 18] wordt behandeld door een logopedist. Ook is de familie in afwachting van een beslissing op hun aanvraag om een verblijfsvergunning op grond van het kinderpardon. In het licht van het hiervoor overwogene is de voorzieningenrechter van oordeel dat het besluit hen over te plaatsen geen ontoelaatbare inbreuk maakt op hun fundamentele rechten. De procedure voor een nieuwe verblijfsaanvraag is geen omstandigheid, op grond waarvan verweerders belangenafweging anders dan thans het geval, had dienen uit te vallen.


28. Mevrouw [verzoeker 20] heeft aangevoerd dat zij beroep heeft ingesteld tegen een afwijzend besluit van verweerder op een nieuwe verblijfsaanvraag. De kinderen [naam 19] en [naam 20] zijn net begonnen op basisschool het Palet in Almelo. Mevrouw [verzoeker 20] zelf ondervindt veel stress door het voornemen van verweerder tot overplaatsing van het gezin naar een andere locatie. In het licht van het hiervoor overwogene is de voorzieningenrechter van oordeel dat het besluit hen over te plaatsen geen ontoelaatbare inbreuk maakt op hun fundamentele rechten. De procedure voor een nieuwe verblijfsaanvraag is geen omstandigheid, op grond waarvan verweerders belangenafweging anders dan thans het geval, had dienen uit te vallen.


29. Mevrouw [verzoeker 21] en haar zoon [naam 21] hebben aangevoerd dat zij niet uit Almelo weg willen. [naam 21] is geopereerd en staat nog onder behandeling, in dat kader is voor hem ook aan verweerder gevraagd om toepassing van het bepaalde in artikel 64 van de Vw 2000. [naam 21] gaat naar de basisschool in Almelo en wil daar erg graag blijven. In het licht van het hiervoor overwogene is de voorzieningenrechter van oordeel dat het besluit hen over te plaatsen geen ontoelaatbare inbreuk maakt op hun fundamentele rechten. De procedure in het kader van artikel 64 Vw is geen omstandigheid, op grond waarvan verweerders belangenafweging anders dan thans het geval, had dienen uit te vallen.


30. De familie [verzoeker 22] heeft aangevoerd dat verweerder voor hun zoon [naam 22] en voor zijn moeder is verzocht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 64 van de Vw 2000. Zij worden vanwege hun slechte psychische toestand behandeld door zowel een psycholoog als een psychiater. [naam 22] begint binnenkort op het ROC, richting Handel en Administratie. Hij is bang dat hij zijn studie in de nieuwe locatie niet (snel) kan voortzetten. In het licht van het hiervoor overwogene is de voorzieningenrechter van oordeel dat het besluit hen over te plaatsen geen ontoelaatbare inbreuk maakt op hun fundamentele rechten. De procedure in het kader van artikel 64 Vw is geen omstandigheid, op grond waarvan verweerders belangenafweging anders dan thans het geval, had dienen uit te vallen.


31. De familie [verzoeker 25] is staatloos en daardoor niet uitzetbaar. Het gezin woont sinds vijf jaar in Nederland. Dochter [naam 23] is 19 jaar en doet dit schooljaar eindexamen HAVO. Omdat zij meerderjarig is verwacht zij dat zij haar schoolopleiding niet kan afmaken. [naam 24] zit sinds kort in de HAVO/VWO brugklas. In het licht van het hiervoor overwogene is de voorzieningenrechter van oordeel dat het besluit hen over te plaatsen geen ontoelaatbare inbreuk maakt op hun fundamentele rechten. Ter zitting heeft de heer [naam 1] , locatiemanager, aangegeven dat ook getracht zal worden de meerderjarige kinderen in staat te stellen een reeds gestarte opleiding bij een nabij de nieuwe locatie gelegen opleidingsinstituut te continueren, ook al bestaat daartoe in het kader van de nationale en internationale regelgeving geen verplichting.


32. De familie [verzoeker 26] heeft aangevoerd dat hun zoon [naam 25] naar de 3 Vmbo gaat en de toelating van de school problematisch is verlopen. De moeder en [naam 25] zijn vanwege psychische problemen onder behandeling en er loopt een procedure ter zake van artikel 64 Vw. In het licht van het hiervoor overwogene is de voorzieningenrechter van oordeel dat het besluit hen over te plaatsen geen ontoelaatbare inbreuk maakt op hun fundamentele rechten. De procedure in het kader van artikel 64 Vw is geen omstandigheid, op grond waarvan verweerders belangenafweging anders dan thans het geval, had dienen uit te vallen.


33. De familie [verzoeker 28] heeft aangevoerd dat hun zoon [naam 26] naar de HAVO/VWO-brugklas gaat. De vader van de kinderen is in behandeling van een psychiater en een psycholoog en de rechtbank heeft het beroep ter zake van artikel 64 Vw gegrond verklaard. In het licht van het hiervoor overwogene is de voorzieningenrechter van oordeel dat het besluit hen over te plaatsen geen ontoelaatbare inbreuk maakt op hun fundamentele rechten. De procedure in het kader van artikel 64 Vw is geen omstandigheid, op grond waarvan verweerders belangenafweging anders dan thans het geval, had dienen uit te vallen.


34. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen wijst de voorzieningenrechter de verzoeken af.


35. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.



Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.M. Elderman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.T.M. Nijboer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op


De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.







griffier voorzieningenrechter















Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.