Rechtbank Overijssel, 15-09-2015 / 08/963582-14


ECLI:NL:RBOVE:2015:4279

Inhoudsindicatie
Beschikking raadkamer. In de onderhavige zaak heeft de zittingsrechter de zaak op de voet van art. 316 Sv verwezen naar de rechter-commissaris (RC). De raadsvrouw heeft daarop een verzoek aan de RC gericht tot het verrichten van onderzoekshandelingen. De RC heeft het verzoek deels toegewezen en deels afgewezen. Tegen de afwijzing heeft de raadsvrouw een bezwaarschrift ingediend. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of een rechtsmiddel openstaat tegen de afwijzende beslissing van de RC. De rechtbank is op basis van het arrest van de Hoge Raad van 3 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:505) van oordeel dat tegen de afwijzende beslissing van de RC geen bezwaarschrift op grond van art. 183, derde lid, Sv kan worden ingediend.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-09-15
Publicatiedatum
2015-09-16
Zaaknummer
08/963582-14
Procedure
Raadkamer
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Afdeling Strafrecht


Zittingsplaats Zwolle


Parketnummer: 08/963582-14

Bezwaarschriftnummer: 15/551


Beschikking van de meervoudige raadkamer op het bezwaarschrift op grond van artikel 183 lid 3 Wetboek van Strafvordering, van:


[bezwaarde] ,

geboren op [geboortedag] 1964 te [geboorteplaats] ,

wonende in [woonplaats] , aan de [adres] .


verder te noemen: bezwaarde.



1Het verloop van de procedure


Het bezwaarschrift is op 24 juli 2015 op de griffie van de rechtbank ontvangen. Het is ingediend namens bezwaarde, door mr. N.A. de Kock, advocaat te Utrecht.


Het bezwaarschrift is behandeld op de zitting van de raadkamer van de rechtbank op 19 augustus 2015. Bij de behandeling zijn de officier van justitie mr. D. Homans - De Boer en de raadsvrouw mr. N.A. de Kock gehoord. Bezwaarde is behoorlijk opgeroepen maar niet verschenen.


De rechtbank heeft kennisgenomen van het door de officier van justitie overgelegde dossier van de strafzaak tegen klager.


2De standpunten van bezwaarde en de officier van justitie


De raadsvrouw heeft, namens bezwaarde, onder meer aangevoerd dat een opdracht van de zittingsrechter aan de rechter-commissaris feitelijk nauwelijks verschilt van een vooronderzoek voor dagvaarding. Een redelijke wetsuitleg betreffende de uitvoering van het vooronderzoek ex art. 316 Wetboek van Strafvordering (Sv), brengt mee dat onderhavig bezwaarschrift kan worden ingediend.

Inhoudelijk is het volgende aangevoerd. Door de verdediging is de rechter-commissaris verzocht een aantal getuigen te horen. De rechter-commissaris heeft het verzoek ten aanzien van drie getuigen afgewezen. Dit zijn de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] . Door de raadsvrouw wordt gemotiveerd aangevoerd dat het horen van deze getuigen in het belang is van de verdediging van verdachte. Zij verzoekt de rechtbank de beslissing van de rechter-commissaris is zoverre te vernietigen en alsnog te bepalen dat deze getuigen zullen worden gehoord.

De officier van justitie verzet zich niet tegen het horen van de getuige [getuige 3] door de rechter-commissaris. De officier van justitie stelt zich verder op het standpunt dat het horen van de getuige [getuige 1] en [getuige 2] niet van belang is voor enige in de strafzaak te nemen beslissing. De opgemaakte processen-verbaal van de getuigen, als verbalisant, zijn duidelijk en volledig en voldoende voor de raadsvrouw om een verweer op te voeren. .


3De bevoegdheid van de rechtbank


De rechtbank Overijssel is bevoegd van het klaagschrift kennis te nemen.


4De ontvankelijkheid


De rechtbank overweegt dat het onderzoek ter terechtzitting een aanvang neemt door het doen uitroepen van de zaak door de voorzitter (art. 270 Sv). Dat brengt mee dat vanaf dat moment de zaak in handen is van de zittingsrechter, dat de zaak niet meer bij hem weggehaald kan worden en dat het de zittingsrechter is die de regie heeft over de behandeling van de zaak. Na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting is het de zittingsrechter die bij een schorsing van het onderzoek op de voet van art. 316 Sv moet beslissen of enig (nader) onderzoek door de rechter-commissaris noodzakelijk is. Indien enig onderzoek door de rechter-commissaris noodzakelijk blijkt, dan stelt de rechtbank met schorsing van het onderzoek ter terechtzitting onder aanduiding van het onderwerp van het onderzoek en, zo nodig, van de wijze waarop dit zal zijn in te stellen, de stukken in handen van de rechter-commissaris.


In de onderhavige zaak heeft de rechtbank de zaak op de terechtzitting van 15 december 2014 verwezen naar de rechter-commissaris “teneinde datgene te doen wat de rechter-commissaris in het belang van het onderzoek noodzakelijk en/of wenselijk acht”. Op 3 maart 2015 heeft de rechtbank opnieuw het onderzoek geschorst ter continuering van de open verwijzing. Op 14 juli 2015 heeft de raadvrouw het verzoek aan de rechter-commissaris gericht tot het verrichten van onderzoekshandelingen. Bij beschikking van 15 juli 2015 heeft de rechter-commissaris het verzoek gedeeltelijk toegewezen en gedeeltelijk afgewezen. Tegen de afwijzing heeft de raadsvrouw een bezwaarschrift ingediend.


De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of een rechtsmiddel openstaat tegen de afwijzende beslissing van de rechter-commissaris. De Hoge Raad heeft in het arrest van 3 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:505) onder meer overwogen dat na (kennisgeving van) dagvaarding of na verwijzing op de voet van art. 316 Sv geen plaats is voor vorderingen of verzoeken aan de rechter-commissaris als bedoeld in art. 181 Sv en art. 183 Sv. Dat brengt mee dat tegen een in die fase door de rechter-commissaris gegeven afwijzing van aan hem door de officier van justitie of de verdachte kenbaar gemaakte onderzoekswensen geen hoger beroep op grond van art. 446, eerste lid, Sv openstaat, respectievelijk geen bezwaarschrift op grond van art. 183, derde lid, Sv kan worden ingediend. Een andere opvatting zou afbreuk doen aan de sturende positie van de zittingsrechter en nodeloze complicaties kunnen veroorzaken.

De rechtbank stelt vast dat in het onderhavige geval de zittingsrechter de zaak op de voet van art. 316 Sv heeft verwezen naar de rechter-commissaris. Gelet op voormeld arrest van de Hoge Raad is de rechtbank derhalve van oordeel dat tegen de afwijzende beslissing van de rechter-commissaris geen bezwaarschrift op grond van art. 183, derde lid, Sv kan worden ingediend. Dat de rechter-commissaris het verzoek ex artikel 183 Sv ondanks bovenstaande in behandeling heeft genomen maakt dit niet anders.




Conclusie

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat het bezwaarschrift niet-ontvankelijk moet worden verklaard


5De beslissing


Verklaart het bezwaarschrift niet-ontvankelijk.



Deze beschikking is gegeven door mr. S.M.M. Bordenga, voorzitter, mr. G.A. Versteeg en mr. LJ. Bosch, rechters, in tegenwoordigheid van H.J.A. Teerlink, griffier en uitgesproken op 2 september 2015.

De voorzitter is niet in de gelegenheid om deze beschikking te ondertekenen.