Rechtbank Overijssel, 28-01-2015 / 08/955001-14


ECLI:NL:RBOVE:2015:441

Inhoudsindicatie
Verdachte heeft als verkeersdeelnemer een eenzijdig verkeersongeluk veroorzaakt, waarbij haar twee medepassagiers gewond zijn geraakt (feit 1). Daarnaast bestuurde zij de auto terwijl ze onder invloed was van alcohol (feit 2). Het is niet de verdienste van verdachte geweest dat dit ongeval niet tot een – al dan niet fatale – confrontatie met andere verkeersdeelnemers heeft geleid. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte acht de rechtbank een geldboete van € 500,- voor het onder feit 1 subsidiair bewezenverklaarde en een geldboete van € 300,-- voor het onder 2 tenlastegelegde passend en geboden.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-01-28
Publicatiedatum
2015-01-28
Zaaknummer
08/955001-14
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht


Zittingsplaats Almelo


Parketnummer: 08/955001-14

Datum vonnis: 28 januari 2015


Verstekvonnis (promis) van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:


[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1994 in [geboorteplaats] (Polen),

zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland,

wonende in [woonplaats] (Polen), [adres].



1Het onderzoek op de terechtzitting


Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 14 januari 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.C.C. Berendsen.


2De tenlastelegging


De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1 primair: als bestuurder van een personenauto, terwijl zij onder invloed verkeerde van alcohol, zodanig onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden dat zij haar auto niet onder controle had, in een slip raakte, al dan niet in aanraking kwam met een ander motorrijtuig en vervolgens tegen de vangrail aankwam, waarna de door haar bestuurde auto over de kop sloeg. Hierdoor hebben twee passagiers, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], (zwaar) lichamelijk letsel opgelopen;

feit 1 subsidiair: als bestuurder van een personenauto, terwijl zij teveel alcohol op had, haar auto niet onder controle had en zij in een slip raakte, al dan niet in aanraking kwam met een ander motorrijtuig en vervolgens tegen de vangrail aankwam, waarna de door haar bestuurde auto over de kop sloeg. Hierdoor veroorzaakte zij gevaar althans hinder op de weg;

feit 2: met teveel alcohol op een personenauto heeft bestuurd, terwijl zij beginnend bestuurder is.


Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:


1.

zij op of omstreeks 10 november 2013 te Holten, gemeente Rijssen-Holten,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto, Chevrolet, kenteken [kenteken]),

daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg Al, komende vanuit de richting

Almelo en gaande in de richting Amsterdam, roekeloos, in elk geval

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft

gereden, hierin bestaande dat verdachte

- terwijl zij onder invloed verkeerde van alcoholhoudende drank, althans na

het nuttigen van meer dan de maximaal voor verdachte als beginnend

bestuurder toegestane hoeveelheid alcoholhoudende drank, in elk geval na het

nuttigen van een (niet onaanzienlijke) hoeveelheid alcoholhoudende drank,

en/of

- terwijl het zicht van verdachte ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt of

gehinderd, en/of

- heeft verdachte (daarbij) niet, althans onvoldoende, gelet op de weg vóór

haar, en/of

- is verdachte (daarbij) niet voortdurend in staat geweest de handelingen te

verrichten die van haar werden vereist, en/of

- heeft verdachte (daarbij) dat door haar bestuurde motorrijtuig niet

voortdurend onder controle gehad, en/of is verdachte met dat motorrijtuig

in een slip geraakt, en/of

- is verdachte (vervolgens) met dat motorijtuig de middenberm in gereden,

althans in de middenberm terechtgekomen, en/of

- is verdachte (vervolgens) met dat motorrijtuig gebotst, althans gereden

tegen een vangrail en/of is dat door verdachte bestuurde motorrijtuig

(vervolgens) omgeslagen,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor een ander of anderen (te weten

de mede-inzittende(n) van het door verdachte bestuurde motorrijtuig genaamd

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]) zwaar lichamelijk letsel, althans zodanig

lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de

uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht;


ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat


zij op of omstreeks 10 november 2013 te Holten, gemeente Rijssen-Holten,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto, Chevrolet, kenteken [kenteken]),

daarmede heeft gereden over de weg, de Rijksweg Al, komende vanuit de richting

Almelo en gaande in de richting Amsterdam,

- terwij1 zij onder invloed verkeerde van alcoholhoudende drank, althans na

het nuttigen van meer dan de maximaal voor verdachte als beginnend

bestuurder toegestane hoeveelheid alcoholhoudende drank, in elk geval na het

nuttigen van een (niet onaanzienlijke) hoeveelheid alcoholhoudende drank,

en/of

- terwijl het zicht van verdachte ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt of

gehinderd, en/of

- heeft verdachte (daarbij) niet, althans onvoldoende, gelet op de weg vóór

haar, en/of

- is verdachte (daarbij) niet voortdurend in staat geweest de handelingen te

verrichten die van haar werden vereist, en/of

- heeft verdachte (daarbij) dat door haar bestuurde motorrijtuig niet

voortdurend onder controle gehad, en/of is verdachte met dat motorrijtuig

in een slip geraakt, en/of

- is verdachte (vervolgens) met dat motorijtuig de middenberm in gereden,

althans in de middenberm terechtgekomen, en/of

- is verdachte (vervolgens) met dat motorrijtuig gebotst, althans gereden

tegen een vangrail en/of is dat door verdachte bestuurde motorrijtuig

(vervolgens) omgeslagen,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;


De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;


2.

zij op of omstreeks 10 november 2013 te Holten, gemeente Rijssen-Holten,

als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit motorrijtuig heeft

bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte

van haar adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en

onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 125 microgram, in elk geval hoger dan 88

microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het

besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en sedert de datum

waarop aan haar voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf

jaren waren verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30

maart 2002 heeft plaatsgevonden;


3De vordering van de officier van justitie


De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie weken en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van negen maanden.


4De voorvragen


De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.


5De beoordeling van het bewijs


5.1

De vaststaande feiten


De onderstaande feiten volgen rechtstreeks uit de bewijsmiddelen en hebben bij de behandeling van de zaak niet ter discussie gestaan. Het vaststellen van deze feiten behoeft daarom geen andere motivering door de rechtbank dan een verwijzing naar de betreffende bewijsmiddelen.


Feit 1

Op 10 november 2013 is verdachte in Holten, gemeente Rijssen-Holten, als bestuurder van een personenauto, terwijl zij alcohol had gedronken, in een slip geraakt waardoor de auto in botsing kwam met een vangrail en vervolgens is omgeslagen. Daarbij raakten haar twee passagiers gewond.


Feit 2

Op 10 november 2013 bleek dat verdachte in Holten een ademalcoholgehalte van 125 microgram per liter uitgeademde lucht had.


5.2

Het standpunt van de officier van justitie


Volgens de officier van justitie heeft verdachte een ernstige verkeersfout gemaakt door onder invloed van alcohol aanmerkelijk onvoorzichtig te rijden waardoor het aan haar schuld te wijten is dat haar auto in een slip raakte, tegen een vangrail botste en uiteindelijk op de zijkant terechtkwam. Hierdoor liep haar mede-inzittende [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel op. Dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel bij deze persoon, blijkt volgens de officier van justitie uit het op 19 november 2014 op ambtsbelofte opgemaakt proces verbaal van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] waarin zij hebben opgetekend hetgeen zij over het letsel van deze persoon hebben vernomen van de behandelend arts. Bij de mede-inzittende [slachtoffer 2] is volgens de officier van justitie, gelet op de aard van haar verwondingen, geen sprake van zwaar lichamelijk letsel.

Het onder 2 tenlastegelegde is volgens de officier van justitie eveneens bewezen: verdachte is, gelet op de afgiftedatum van haar rijbewijs, beginnend bestuurder en haar ademalcoholgehalte was hoger dan 88 microgram per liter uitgeademde lucht, namelijk 125 microgram.


5.3

De bewijsoverwegingen van de rechtbank


De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat bij mede-inzittende [slachtoffer 2] geen sprake is van “zwaar lichamelijk letsel” of van “zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden”. In het dossier bevindt zich een op 11 november 2013 gedateerd “aanvraagformulier medische informatie” waaruit blijkt dat [slachtoffer 2] blauwe plekken aan hoofd en rug alsmede een wond boven de bil heeft opgelopen. Overigens is geen letsel geconstateerd. Er is geen informatie over de gevolgen die deze verwondingen bij het slachtoffer hebben gehad.. Een en ander is onvoldoende voor een bewezenverklaring van de genoemde bestanddelen “zwaar lichamelijk letsel” dan wel “zodanig letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden”, zodat verdachte van dit onderdeel van het primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.


Van de mede-inzittende [slachtoffer 1] ontbreekt een door een medicus opgemaakte verklaring over haar medische toestand na het ongeluk. In het proces-verbaal van bevindingen van


19 november 2014 blijkt dat verbalisanten na het ongeval gesproken hebben met een zich op de afdeling spoedeisende hulp bevindende arts. Deze arts zou hebben verklaard dat het letsel van [slachtoffer 1] bestond uit een heup uit de kom, schaaf- en snijwonden over de gehele borst en een “kleine klaplong”. Verbalisanten stelden vast dat er geen op schrift gestelde informatie over genoemd letsel was verstrekt en het ziekenhuis zou ook niet over een dergelijk formulier beschikken. De verblijfplaats van dit slachtoffer was niet bekend en kon ook niet worden achterhaald.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de verwondingen, zoals opgenomen in bedoeld proces-verbaal, in beginsel gekwalificeerd worden als “zwaar lichamelijk letsel”, doch slechts indien daarvoor een deugdelijke medische onderbouwing voorhanden is. De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke onderbouwing in deze zaak ontbreekt. In casu is slechts een proces verbaal voorhanden waarin niet gebleken medisch geschoolde verbalisanten een uiteenzetting geven van hetgeen zij over het letsel hebben vernomen van de behandelend arts. De juistheid van deze weergave kan niet worden getoetst. De rechtbank is van oordeel dat deze in casu ontbreekt. Verder zijn geen gegevens voorhanden over het verloop van het letsel, zodat evenmin gebleken is dat er sprake was van zodanige restverschijnselen dat hierdoor tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstond.

Gelet op het bepaalde in artikel 6 WVW 1994 dient de rechtbank vast te stellen of de

verdachte zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval

heeft plaatsgevonden, waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, dan wel zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Aangezien niet wettig bewezen is dat het letsel van [slachtoffer 1] beantwoordt aan de hiervoor gearceerde bestanddelen van het artikel, dient verdachte ook voor dit onderdeel van het primair tenlastegelegde te worden vrijgesproken.


Resumerend is de rechtbank van oordeel dat een integrale vrijspraak van het primair ten laste gelegde dient te volgen, nu niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat bij één van de slachtoffers sprake is van zwaar lichamelijk letsel of tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden.


Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de verklaring van verdachte tegenover de politie afgelegd, uit het onderzoek naar haar ademalcoholgehalte en uit de “VerkeersOngevallenAnalyse” blijkt dat verdachte, terwijl zij verkeerde onder invloed van alcoholhoudende drank, het door haar bestuurde voertuig onvoldoende onder controle kon houden, waarna zij met haar auto in een slip raakte, op de middenberm terechtkwam en vervolgens tegen de vangrail botste, waarna de auto op de zijkant in de berm tot stilstand kwam. Het is evident dat hierdoor gevaar op de weg kon worden veroorzaakt, aangezien denkbaar was dat andere verkeersdeelnemers ongewild in botsing waren gekomen met de slippende en/of op de zijkant liggende, door verdachte bestuurde auto. Het voorgaande leidt ertoe dat het subsidiair ten laste gelegde bewezen is.


Het onderzoek naar het alcoholgehalte in haar adem leverde een percentage van 125 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht op, terwijl de datum van de eerste afgifte van het rijbewijs van verdachte 21 juni 2012 is, waaruit volgt dat verdachte ten tijde van dat onderzoek een beginnend bestuurder was als bedoeld in artikel 8 lid 3 WVW 1994. Dat leidt ertoe dat het onder 2 tenlastegelegde bewezen is.


5.4

De conclusie


De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 primair is tenlastegelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.


De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen dat de verdachte het 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


zij op 10 november 2013 te Holten, gemeente Rijssen-Holten, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, Chevrolet, kenteken [kenteken]), daarmede heeft gereden over de weg, de Rijksweg Al, komende vanuit de richting Almelo en gaande in de richting Amsterdam,

- terwij1 zij onder invloed verkeerde van alcoholhoudende drank, en

- terwijl het zicht van verdachte ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt of

gehinderd, en

- is verdachte daarbij niet voortdurend in staat geweest de handelingen te

verrichten die van haar werden vereist, en

- heeft verdachte daarbij dat door haar bestuurde motorrijtuig niet

voortdurend onder controle gehad, en is verdachte met dat motorrijtuig

in een slip geraakt, en

- is verdachte vervolgens met dat motorijtuig de middenberm in gereden,

en

- is verdachte vervolgens met dat motorrijtuig gebotst tegen een vangrail en is dat door verdachte bestuurde motorrijtuig vervolgens omgeslagen,

door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg kon worden veroorzaakt;


2.

zij op 10 november 2013 te Holten, gemeente Rijssen-Holten, als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van haar adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 125 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het

besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en sedert de datum

waarop aan haar voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf

jaren waren verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden.


De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in haar verdediging geschaad.


De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 subsidiair en 2 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.


6De strafbaarheid van het bewezenverklaarde


Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 5, 8, 176 en 177 WVW 1994. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:


feit 1 subsidiair:

de overtreding: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;


feit 2

het misdrijf: overtreding van artikel 8, derde lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994.


7De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.


8De op te leggen straf of maatregel


Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.


Verdachte heeft als verkeersdeelnemer een eenzijdig verkeersongeluk veroorzaakt, waarbij haar medepassagiers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gewond zijn geraakt. Door verdachtes handelen is aan betrokkenen leed toegebracht. Dit leed zal ook door strafoplegging niet geheel ongedaan gemaakt kunnen worden. Strafoplegging dient bovendien niet alleen met inachtneming van de gevolgen van de gemaakte verkeersfout te geschieden, maar dient ook en vooral afgezet te worden tegen de ernst van de gemaakte verkeersfout en de mate van schuld daaraan van verdachte. In deze zaak acht de rechtbank niet bewezen dat de door verdachte gemaakte verkeersfout een misdrijf oplevert, zodat in de strafmaat er rekening mee moet worden gehouden dat een verkeersfout in de vorm van een overtreding is gemaakt.

Het onder invloed van alcoholhoudende drank besturen van een auto is een misdrijf. Dat dit grote risico’s met zich brengt blijkt uit het onderhavige verkeersongeval. Het is niet de verdienste van verdachte geweest dat dit ongeval niet tot een – al dan niet fatale – confrontatie met andere verkeersdeelnemers heeft geleid.


Als uitgangspunt voor strafbare feiten als de onderhavige kijkt de rechtbank naar hetgeen in soortgelijke zaken wordt opgelegd. Bij de vaststelling van de hoogte van de straf houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte er rekening mee dat verdachte in Nederland niet eerder voor verkeersdelicten in aanraking is geweest met politie en justitie. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, voor zover bekend en blijkend uit het strafdossier, acht de rechtbank een geldboete van € 500,-- voor het onder feit 1 subsidiair bewezenverklaarde en een geldboete van € 300,-- voor het onder 2 tenlastegelegde passend en geboden. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat als waarschuwing een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 3 maanden, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingehouden is geweest en met een proeftijd van 2 jaar, voor feit 1 dient te worden opgelegd.


9De toegepaste wettelijke voorschriften


De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 62 en 91 Sr. en op artikel 179 Wegenverkeerswet 1994.

10De beslissing


De rechtbank:


vrijspraak/bewezenverklaring

  • - verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij;
  • - verklaart bewezen, dat verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
  • - verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 subsidiair en 2 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt haar daarvan vrij;

strafbaarheid

  • - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
  • - verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:feit 1 subsidiair: de overtreding: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994;

feit 2: het misdrijf: overtreding van artikel 8, derde lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994;

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde;


straf

ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde;

  • - veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 500,-- (vijfhonderd euro);
  • - beveelt dat bij niet volledige betaling en verhaal van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 10 (tien) dagen;

ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

  • - veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 300,-- (driehonderd euro);
  • - beveelt dat bij niet volledige betaling en verhaal van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 6 (zes) dagen;

ten aanzien van het onder 1 subsidiair tevens::

  • - ontzegt veroordeelde de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de tijd van 3 (drie) maanden;
  • - beveelt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde ingevolge art. 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip waarop de bijkomende straf ingaat, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van die straf geheel in mindering wordt gebracht;
  • - bepaalt dat de ontzegging van de rijbevoegdheid niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig maakt aan een strafbaar feit.


Dit vonnis is gewezen door mr. J. Wentink, voorzitter, mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper en

mr. M.A.H. Heijink, rechters, in tegenwoordigheid van E.P. Endlich, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2015.



Buiten staat

Mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.


1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Twente met registratienummer PL05QC 2013115528 van 20 november 2013. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
2 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 10 november 2013 (blz. 12 en 13).
3 Het mutatie rapport d.d. 10 november 2013 (blz. 14).
4 VerkeersOngevallenAnalyse d.d. 14 november 2013 (blz. 36 en 54).
5 Proces-verbaal invordering rijbewijs beginnend bestuurder d.d. 10 november 2013 (blz. 21 en 22). Dräger Alcotest 7110 MKIII NL op naam van [verdachte] (blz. 15).