Rechtbank Overijssel, 29-09-2015 / Awb 15/5


ECLI:NL:RBOVE:2015:4447

Inhoudsindicatie
Terecht geweigerd handhavend op te treden tegen bedrijfswoningen en de bewoning van woningen op percelen in Genemuiden; beroep ongegrond.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-09-29
Publicatiedatum
2015-09-30
Zaaknummer
Awb 15/5
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle


Bestuursrecht


zaaknummer: AWB 15/5


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , te Genemuiden, eiser,

gemachtigde: mr. A. Holtland, juridisch adviesbureau te IJsselmuiden,


en


het college van burgemeester en wethouders van Zwartewaterland, verweerder.

Procesverloop


Bij besluit van 15 juli 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek van eiser van 2 mei 2014 om handhavend op te treden tegen de bedrijfsactiviteiten en de bewoning van de woningen op de percelen [perceel 1] en [perceel 2] te Genemuiden.


Bij besluit van 18 november 2014, verzonden 21 november 2014 (het bestreden besluit), heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.


Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2015.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door B. Boers, werkzaam bij de gemeente Zwartewaterland.


Het onderzoek is ter zitting van 23 maart 2015 geschorst, teneinde partijen de gelegenheid te bieden alsnog tot een minnelijke regeling te komen, waartoe ook de buren van eiser zouden worden benaderd. Er is geen gezamenlijk overleg over een zodanige regeling tot stand gekomen.


Het onderzoek ter zitting is daarom voortgezet op 21 augustus 2015. Eiser is wederom verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, terwijl verweerder zich opnieuw heeft laten vertegenwoordigen door B. Boers, voornoemd.


Overwegingen


1.1

Eiser is woonachtig op het perceel [adres 1] te Genemuiden en heeft op het aangrenzende perceel [adres 2] een agrarisch bedrijf, hoofdzakelijk bestaande uit het houden en opfokken van (vlees)rosé kalveren. Daarnaast exploiteert eiser in de voormalige boerderij een bedrijf voor recreatieve verhuur met logiesfunctie. Elders op het perceel heeft eiser nog een recreatieverblijf voor maximaal 4 personen met de naam “ [naam 1] ”.


1.2

Op 2 juli 2014 heeft eiser aan verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen de bedrijfsactiviteiten en de bewoning van de woningen op de percelen [perceel 1] en [perceel 2] . Op het perceel [perceel 1] is Kraanverhuur- en Loonbedrijf [naam 4] v.o.f. gevestigd (verder te noemen: [naam 4] ). Op het perceel Kamperzeedijk [perceel 2] woont de familie A. [naam 6] .


1.3

Eiser stelt zich blijkens het handhavingsverzoek op het standpunt dat er geen enkele agrarische activiteit meer aanwezig is en dat (in ieder geval) de volgende activiteiten in strijd zijn met het bestemmingsplan:

. het gebruik van het perceel [perceel 1] ten behoeve van overige gespecialiseerde werkzaamheden in de bouw;

. het gebruik van het perceel [perceel 1] dat ziet op het leggen van elektriciteits- en telecommunicatiekabels;

. het gebruik van het perceel [perceel 1] dat verband houdt met het verhuren van kranen en grondverzetmateriaal, het stellen van persleidingen, het aannemen van grondverzet en baggerwerken;

. de bewoning van de woningen op de percelen [perceel 1] en [perceel 2] , nu deze woningen volgens eiser niet worden bewoond ten behoeve van de agrarische bestemming.


1.4

Bij besluit van 15 juli 2014, verzonden 18 juli 2014, heeft verweerder het handhavings-verzoek afgewezen op de grond dat geen sprake is van strijdig gebruik op de genoemde percelen. Verder is volgens verweerder niet aangegeven en/of gemotiveerd welk belang met het handhavingsverzoek wordt gediend, reden waarom het handhavingsverzoek is afgewezen voor het geval er sprake zou zijn van overtreding van een wettelijk voorschrift.


1.5

Het door eiser tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.


2. Eiser kan zich niet met het bestreden besluit verenigen. In beroep heeft eiser

- samengevat - naar voren gebracht dat sprake is van strijdig gebruik en illegale bewoning van dienstwoningen, en dat hij er belang bij heeft dat daartegen handhavend wordt opgetreden. Eiser stelt dat hij ernstig wordt belemmerd in zijn bedrijfsvoering. Hij heeft investeringen gedaan om op zijn agrarisch perceel een nevenactiviteit te ontwikkelen in de vorm van een accommodatie voor verblijfsrecreatie op een agrarische onderneming, maar er moet ernstig worden gevreesd voor het voortbestaan van zijn onderneming en het terugverdienen van de gedane investeringen. Een en ander klemt volgens eiser temeer nu verweerder door aangeven van de families [naam 4] en [naam 6] juist wel overgaat tot handhavend optreden tegen eiser ter zake van het gebruik van (een deel van) zijn recreatie-boerderij.


De rechtbank overweegt als volgt.


3.1

Ingevolge het bepaalde in artikel 125 Gemeentewet juncto de artikelen 5:1 en 5:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een bestuursorgaan bevoegd om handhavend op te treden indien sprake is van een overtreding, zijnde een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.


3.2

Artikel 2.1, eerste lid, aanhef, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) bepaalt, voor zover van belang, dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

(………..)

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.


3.3

De percelen [perceel 1] en [perceel 2] vallen binnen de grenzen van het bestemmingsplan “Buitengebied Zwartewaterland” en hebben daarin de bestemming “Agrarisch met waarden - Landschap”, met de nadere aanduiding “specifieke vorm van bedrijf agrarisch hulp- en nevenbedrijf”. Gronden met deze bestemming mogen ter plaatse van de aanduiding worden gebruikt voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf in de vorm van een agrarisch hulp- en nevenbedrijf. Het bestemmingsplan “Buitengebied Zwartewater-land” is op 10 oktober 2013 vastgesteld door de raad van de gemeente Zwartewaterland en is onherroepelijk sinds 26 februari 2014.


3.4

Ingevolge artikel 1.7 van de planvoorschriften wordt onder een agrarisch hulp- en nevenbedrijf verstaan:

“Een bedrijf dat in hoofdzaak gericht is op het verlenen van diensten en/of het toeleveren van zaai- en pootgoed, gewasbeschermingsmiddelen en/of andere producten en/of machines aan agrarische bedrijven en hoveniersbedrijven, inclusief de verhuur van machines alsmede het verzorgen van praktijkopleidingen ten behoeve van de agrarische sector en de tuinbouw.”


3.5

Niet in geschil is dat het agrarische bedrijf op de betreffende gronden al in 1976 is beëindigd.


3.6

Verweerder stelt zich op het standpunt dat een loonbedrijf dat beschikt over gespecialiseerde machines, zoals oogstmachines, graafmachines, kranen e.d., en vakmensen die tegen betaling ter beschikking worden gesteld, kan worden aangemerkt als een agrarisch hulp- en nevenbedrijf in bovenbedoelde zin. Daarbij is het volgens verweerder in ruimtelijke zin minder relevant of de werkzaamheden die op locatie worden uitgevoerd ten behoeve van de agrarische sector, dan wel de bouw- of de baggersector plaatsvinden. Volgens verweerder kan in dat verband geen zelfstandige juridische betekenis worden toegekend aan een SBI-registratie bij de Kamer van Koophandel. Het gaat volgens verweerder om het feitelijk gebruik van het perceel.

Daarom is verweerder van mening dat de bedrijfsactiviteiten op het perceel [perceel 1] niet in strijd zijn met het bestemmingsplan, zodat er geen aanleiding is om daartegen handhavend op te treden.


3.7

Eiser brengt hier tegen in dat de loonwerkzaamheden van [naam 4] ten behoeve van de agrarische sector in de loop van de jaren zijn afgebouwd en sinds 2008 in het geheel niet meer plaatsvinden. [naam 4] verricht volgens eiser alleen nog werkzaamheden ten dienste van de bouw- en baggersector en het leggen van elektriciteits- en telecommunicatiekabels.


4.1

Ter zitting heeft verweerders gemachtigde niet ontkend dat het merendeel van de loonwerkzaamheden plaatsvindt ten dienste van de bouw- en baggersector, maar er vinden volgens hem ook nog agrarische loonwerkzaamheden plaats op het perceel [perceel 1] . Om welke werkzaamheden het daarbij gaat heeft hij niet kunnen melden.


4.2.

Het baat eiser echter niet indien en voor zover de rechtbank verweerders standpunt niet zou volgen, dat het loonbedrijf niet in strijd is met de nadere aanduiding “specifieke vorm van bedrijf”. Als er geen sprake is van een zodanig loonbedrijf, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van door overgangsrecht beschermd gebruik. Daarbij tekent de rechtbank aan, dat de betreffende gronden in het Bestemmingsplan Buitengebied Genemuiden de bestemming “agrarische bedrijfsdoeleinden” met de aanduiding ‘Ah’ hadden, waardoor ze tevens bestemd waren voor de uitoefening van het agrarisch hulpbedrijf.

Uit de gegevens van de Provinciale Planologische Commissie (PPC) 2000 leidt de rechtbank verder af, dat al tijdens de inwerkingtreding van dit Bestemmingsplan Buitengebied ter discussie stond of er sprake was van een loonbedrijf ten behoeve van de agrarische sector. In dat kader heeft de PPC gemeld, dat het bedrijf zich bezig hield met kraanverhuur/stellen en afbreken van persleidingen en voor zover bekend geen agrarische activiteiten (meer) uitoefende, dan wel dat deze activiteiten van ondergeschikte betekenis waren. Hierdoor wordt het door eiser gewraakte gebruik, als het niet is te zien als ten behoeve van de agrarische bestemming, beschermd door de overgangsbepalingen 49.2.1 in combinatie met 49.2.4 van het Bestemmingsplan “Buitengebied Zwartewaterland”. Dit geldt evenzeer voor de bewoning van de (bedrijfs-)woning op het perceel [perceel 1] .


4.3

Eisers beroepsgronden met betrekking tot het loon- en verhuurbedrijf op het perceel [perceel 1] en de woning op dat perceel kunnen daarom niet leiden tot het kennelijk beoogde doel.


5.1

De woning op het perceel Kamperzeedijk [perceel 2] betreft een houten (nood)woning, die in 1991 in de plaats is gekomen van een in 1966 met toestemming van de gemeente op het perceel geplaatste woonwagen. Bij brief van 9 april 1991 is door het toenmalige college van burgemeester en wethouders meegedeeld dat toepassing gegeven zal kunnen worden aan de overgangsbepaling ex artikel 26 van het bestemmingsplan, hoewel de betreffende woning niet als zodanig is bestemd in het geldende bestemmingsplan “Buitengebied Genemuiden”. Voor de woning is vervolgens op 21 mei 1991 een bouwvergunning verleend aan een familielid van de huidige bewoners. Uit deze bouwvergunning kan niet worden afgeleid dat het daarbij ging om een (tweede) bedrijfswoning ten behoeve van het (agrarisch) bedrijf. Op de plankaart van het vigerende bestemmingsplan is de woning ook niet als bedrijfswoning (bw) aangeduid.


5.2

Nu het gebruik van genoemde woning op grond van de algemene gebruiksbepaling van artikel 24 onder B van het vorige bestemmingsplan “Buitengebied Genemuiden” reeds was toegestaan, mag dit gebruik op grond van het overgangsrecht van artikel 49.2.1 van de planvoorschriften behorende bij het huidige bestemmingsplan “Buitengebied Zwartewater-land” worden voortgezet.


5.3

Er is daarom (ook) wat betreft de bewoning van de woning op het perceel Kamperzeedijk [perceel 2] geen sprake van met het huidige bestemmingsplan strijdig gebruik waartegen verweerder handhavend zou kunnen optreden. De beroepsgrond van eiser met betrekking tot de bewoning van de woning op het perceel Kamperzeedijk [perceel 2] faalt.


6. Uit het voorgaande volgt, dat verweerder kan worden gevolgd in het standpunt dat hij niet bevoegd was handhavend op te treden, nu er geen sprake is van een overtreding. Aan de omstandigheid dat verweerder aan dit standpunt deels een andere motivering ten grondslag heeft gelegd verbindt de rechtbank geen gevolgen, nu eiser hierdoor niet is benadeeld.


7. Het beroep is ongegrond.


8. Er bestaat geen aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in beroep heeft moeten maken.



Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Hardonk-Prins, rechter, in aanwezigheid van

G. Kootstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op


griffier rechter





Afschrift verzonden aan partijen op:





Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.