Rechtbank Overijssel, 28-01-2015 / ak_14_2565


ECLI:NL:RBOVE:2015:446

Inhoudsindicatie
Geen melding gemaakt van gezamenlijke huishouding waardoor schending inlichtingenplicht; terugvordering WWB-uitkering terecht geschied; beroep ongegrond.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-01-28
Publicatiedatum
2015-08-18
Zaaknummer
ak_14_2565
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo


Bestuursrecht


zaaknummer: AWB 14/2565


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser I] [eiser I] te Westerhaar-Vriezenveensewijk, eiser,

en

[eiser II] te Westerhaar-Vriezenveensewijk, eiseres,

gezamenlijk te noemen eisers,

gemachtigde: mr. D.J.H. Habers,


en


het college van burgemeester en wethouders van Twenterand, verweerder,

(gemachtigde: E. Koers).




Procesverloop


Bij besluit van 17 maart 2014 heeft verweerder de uitkering van eiser op grond van de Wet Werk en Bijstand (WWB) herzien en ingetrokken per 21 oktober 2013.


Bij besluit van 17 maart 2014 heeft verweerder eiser en eiseres hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de terugbetaling van de ten onrechte aan eiser uitbetaalde uitkering over de periode 21 oktober 2013 tot en met 31 december 2013. In totaal wordt een bedrag van € 3.290,-- teruggevorderd.


Bij besluit van 28 augustus 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.


Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2014. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.



Overwegingen


1. Eiser heeft met ingang van 11 juni 2012 een uitkering naar de norm van een alleenstaande ontvangen op grond van de WWB.

Vanaf 1 februari 2014 staan eiser en eiseres ingeschreven op het adres [adres] te Westerhaar.


2. Verweerder heeft onderzoek laten doen naar de rechtmatigheid van de aan eiser verstrekte WWB-uitkering. In het kader van dit onderzoek hebben waarnemingen plaatsgevonden, heeft een doorzoeking van de woning op het adres [adres] plaatsgevonden en zijn eisers gehoord. Verweerder heeft op grond van de bevindingen en conclusies in het rapport van de Sociale Recherche Twente van 24 februari 2014 en de processen-verbaal van 22 januari 2014 geconcludeerd dat eisers in ieder geval vanaf 21 oktober 2013 een gezamenlijk huishouding hebben gevoerd. Eiser heeft dit niet gemeld en derhalve de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Verweerder is vervolgens overgegaan tot de besluitvorming zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.


3. Eisers hebben naar voren gebracht dat zij per 1 februari 2014 zijn gaan samenwonen maar dat hiervan nog geen sprake was op 21 oktober 2013. Uit hetgeen tijdens de huiszoeking is gevonden, kan dit volgens eisers ook niet worden geconcludeerd. Niet wordt bestreden dat eiser met enige regelmaat in de woning van eiseres verbleef, maar eiser heeft zijn hoofdverblijf gehouden in de door hem gehuurde woning aan het Westeinde te Vriezenveen.


4. De rechtbank overweegt als volgt.


4.1

Op grond van artikel 3, derde lid, van de WWB – zoals dat van toepassing was ten tijde van belang – is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.


De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Het aanhouden van afzonderlijke woonadressen hoeft niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.


Het tweede criterium waaraan moet worden voldaan, is dat van wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.


4.2

De rechtbank overweegt met betrekking tot het hebben van een gezamenlijk hoofdverblijf in dezelfde woning als volgt. Uit een door eiseres ondertekend proces-verbaal volgt onder meer dat eiseres heeft verklaard dat eisers vanaf ongeveer 26 juli 2013 samenwonen en leven als een stel alsmede dat eiser voor het merendeel bij haar thuis is. Verder is in een op ambtseed/belofte opgemaakt proces-verbaal, ondertekend op 22 januari 2014, opgenomen dat eiser heeft verklaard dat hij een week of 4 à 5 geleden het merendeel van zijn spullen heeft overgebracht naar de woning van eiseres. Daarnaast volgt uit het rapport van de Sociale Recherche Twente van 24 februari 2014 dat heimelijke waarnemingen zijn verricht aan het adres [adres] te Westerhaar. Uit deze heimelijke waarnemingen is naar voren gekomen dat eiser onder andere op 21 oktober 2013, 22 oktober 2013 en 24 oktober 2013 ’s ochtends uit de woning van eiseres is gekomen, dat hij gedurende die dagen meermalen de woning van eiseres heeft verlaten en weer is binnengegaan alsmede dat hij met een eigen sleutel de voordeur van de woning van eiseres heeft geopend. Naar het oordeel van de rechtbank vormen voormelde verklaringen en waarnemingen een toereikende grondslag voor het standpunt van verweerder dat eisers in de periode 21 oktober 2013 tot en met 31 december 2013 gezamenlijk hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.


4.3

Naar het oordeel van de rechtbank is ook aan het tweede criterium voor het voeren van een gezamenlijke huishouding voldaan. Uit het door eiseres ondertekende proces-verbaal volgt dat zij heeft verklaard dat zij alle kosten voor levensonderhoud voor eiser betaalt, dat een auto, die is gekocht van belastinggeld dat eiser heeft teruggekregen, op haar naam staat en dat zij een vakantie van eiser en haarzelf naar Turkije in november heeft betaald. Deze mate van financiële verstrengeling tussen eisers gaat verder dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten.


4.4

Door van de gezamenlijke huishouding geen melding te maken heeft eiser de op hem rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB geschonden, zodat verweerder met toepassing van het bepaalde in artikel 54, derde lid, van de WWB de bijstand van eiser over de periode 21 oktober 2013 tot en met 31 december 2013 terecht heeft ingetrokken.


Hieruit vloeit tevens voort dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, van de WWB is voldaan, zodat de terugvordering van de ten onrechte verleende bijstand eveneens terecht is geschiedt.


Gelet op het bepaalde in artikel 59, tweede lid, van de WWB, kon verweerder daarnaast de ten onrechte verleende bijstand mede van eiseres terugvorderen.


5. Het beroep is ongegrond.


6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.















Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Banda, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. H. Richart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op








griffier rechter


Afschrift verzonden aan partijen op:


Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.