Rechtbank Overijssel, 27-01-2015 / 08/14/684 R


ECLI:NL:RBOVE:2015:4497

Inhoudsindicatie
Tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling. Benadeling van schuldeisers en feiten en omstandigheden die bekend zijn geworden die op het tijdstip van de indiening van het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en tot afwijzing hadden geleid.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-01-27
Publicatiedatum
2015-10-02
Zaaknummer
08/14/684 R
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht; Insolventierecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Toezicht

Zittingsplaats Almelo


Insolventienummer: 08/14/684 R

Uitspraakdatum: 27 januari 2015


Vonnis en beschikking van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken in de wettelijke schuldsaneringsregeling van:


[betrokkene] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] ,

verder ook [betrokkene] te noemen.


In deze schuldsaneringsregeling is mr. C.H.J. van der Maas, advocaat te Haren (Gn), tot bewindvoerder benoemd.


Het procesverloop


De rechter-commissaris heeft op 21 november 2014 deze schuldsaneringsregeling voorgedragen voor tussentijdse beëindiging.


De voordracht is behandeld ter zitting van 13 januari 2015, waar [betrokkene] is verschenen, bijgestaan door mr. J. Faas, advocaat te Groningen. Tevens is verschenen de bewindvoerder mr. C.H.J. van der Maas, voornoemd. Van de behandeling ter zitting zijn aantekeningen opgemaakt.


Het vonnis is bepaald op vandaag.


De beoordeling


De voordracht van de rechter-commissaris:


De voordracht van de rechter-commissaris wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.


Kort weergegeven heeft de rechter-commissaris een voordracht tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling gedaan op de voet van artikel 350 lid 3 aanhef en sub e en sub f Faillissementswet (Fw), aangezien [betrokkene] heeft getracht zijn schuldeisers te benadelen en feiten en omstandigheden bekend zijn geworden die op het tijdstip van de indiening van het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen overeenkomstig artikel 288 lid 1 en lid 2 Fw.


De – zakelijk weergegeven – toelichting door en namens [betrokkene] :


Door en namens [betrokkene] is ten aanzien van het tijdens de toelatingszitting niet melden van de overdracht van de aandelen van [betrokkene] in Digos Holding b.v. (hierna ook: Digos Holding) voor een koopsom van € 2.500,- aan de heer [M] , zijnde een werknemer van Digos Automatisering, verklaard dat [betrokkene] meende voor de boedel een gunstige transactie te hebben uitgevoerd. Gesteld wordt dat [betrokkene] door zijn accountant en door de betrokken notaris is gerustgesteld dat de transactie gewoon doorgang kon vinden en dat er een maximale prijs voor de aandelen is betaald. [betrokkene] is van mening dat hij door zijn kortdate handelen een bate voor de boedel heeft gecreëerd ten bedrage van € 2.500,-. De betreffende koopprijs behoefde niet onmiddellijk te worden betaald, zij is omgezet in een schuld die na toelating van [betrokkene] tot de wettelijke schuldsaneringsregeling door de bewindvoerder kon worden geïncasseerd.

[betrokkene] heeft verder verklaard dat hij er niet bij stil heeft gestaan om de transactie tijdens de toelatingszitting te melden. Bovendien is hem door de rechtbank tijdens de toelatingszitting ook niet gevraagd naar kort voor de faillissementsaanvraag uitgevoerde transacties of aandelenoverdrachten. De rechtbank wilde alleen de schuldenposten bespreken. Volgens [betrokkene] heeft hij tijdens het eerste bezoek van de bewindvoerder de aandelenoverdracht als eerste onderwerp aangesneden. Gesteld wordt dat [betrokkene] heel open is geweest over de gang van zaken. Hij heeft daarbij laten weten dat de vordering op [M] van € 2.500,- in de boedel valt.


Door en namens [betrokkene] is ten aanzien van het tijdens de toelatingszitting niet melden van de vordering van Digos Holding op [betrokkene] van € 80.000,- verklaard dat hij ten onrechte dacht dat met de verkoop van de aandelen de vordering van Digos Holding ook zou zijn verdwenen. Na de aandelenoverdracht was [betrokkene] in de veronderstelling dat dit een afgesloten hoofdstuk was. Gesteld wordt dat [betrokkene] er absoluut niet op uit is geweest om zaken te verzwijgen. Volgens [betrokkene] bedraagt de vordering van Digos Holding op hem ook niet € 80.000,-, maar ruim € 55.000,-. Gesteld wordt dat de vordering grotendeels is ontstaan doordat Digos Holding vorderingen van derden heeft voldaan, die eigenlijk door Digos Automatisering hadden moeten worden betaald, en een geldlening aan [betrokkene] van € 20.000,- in verband met het storten van kapitaal voor oprichting van de vennootschap. Volgens [betrokkene] moet ook nog zijn destijds niet uitbetaalde netto salaris van Digos Holding vanaf de oprichting in 2010 tot eind 2011 met de schuld van ruim

€ 55.000,- worden verrekend.


Door en namens [betrokkene] is tot slot verzocht de bewindvoerder op grond van artikel 319 Fw te ontslaan omdat deze niet onafhankelijk en objectief naar de feiten en omstandigheden zou kunnen kijken. Gesteld wordt dat de bewindvoerder een geschil met Kantorencentrum Groningen B.V. (hierna: KCG), waarvan Digos Holding aandelen heeft gekocht, heeft over de deugdelijkheid van een verhuurde printer. Indien de bewindvoerder dit na de toelatingszitting aan de rechtbank zou hebben gemeld, lijkt het van de zijde van [betrokkene] onwaarschijnlijk dat de bewindvoerder als bewindvoerder door de rechtbank zou zijn aangesteld.


De – zakelijk weergegeven – toelichting van de bewindvoerder:


De bewindvoerder heeft ter zitting aangevoerd dat [betrokkene] tijdens de toelatingszitting had moeten melden dat hij in het zicht van het faillissement of de schuldsaneringsregeling zijn belang in Digos Holding voor een koopsom van € 2.500,- heeft overgedragen aan [M] . Volgens de bewindvoerder bestaat de vraag of de aandelen ten gunste van de schuldeisers voor deze koopsom, welke is omgezet in een geldlening, zijn verkocht. Indien de transactie door [betrokkene] was gemeld, had de rechtbank kunnen beoordelen of hij op basis daarvan al dan niet had kunnen worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. De bewindvoerder heeft hieromtrent verder nog aangevoerd dat [betrokkene] bij het eerste gesprek wel over de aandelenoverdracht heeft gesproken, maar niet uit eigen beweging. Het verbaast de bewindvoerder dat [betrokkene] bij de toelatingszitting niets heeft gezegd over Digos Holding en de aandelenoverdracht en evenmin over een schuld van € 80.000,- van [betrokkene] aan Digos Holding, omdat dit wel bij hem moet hebben gespeeld. Hij acht daarbij van belang dat [betrokkene] hem heeft gemeld dat de aandelenoverdracht ‘paulianaproof’ is. Indien [betrokkene] , zoals ter zitting is gesteld, ten opzichte van hem niet het woord ‘paulianaproof’ in de mond heeft genomen, heeft hij woorden van dezelfde strekking gebruikt, aldus de bewindvoerder.


De bewindvoerder heeft ten aanzien van de voordracht om hem als bewindvoerder te ontslaan verklaard dat zijn kantoor geen geschil heeft met KCG of indirect met [betrokkene] als medeaandeelhouder en medebestuurder van KCG. Volgens de bewindvoerder wordt door zijn kantoor van Ricoh een printer gehuurd en heeft hij over de printerproblemen met de klantenservice van Ricoh gebeld.


De motivering van de beslissing:


De rechtbank dient, gelet op het bepaalde in artikel 350 lid 3 aanhef en sub c en sub f Fw, te beoordelen of er bij [betrokkene] sprake is van het niet naar behoren nakomen van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen of door zijn doen of nalaten anderszins de uitvoering van de schuldsaneringsregeling wordt belemmerd dan wel gefrustreerd en/of er sprake is van het bekend worden van feiten en omstandigheden die op het tijdstip van het indienen van het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen overeenkomstig artikel 288 lid 1 en lid 2 Fw.


De rechtbank overweegt dat gelet op het vonnis van de rechtbank van 9 oktober 2014, waarbij ten aanzien van [betrokkene] de schuldsaneringsregeling is toegepast, [betrokkene] onder meer te goeder trouw is geacht bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schuldenlast en voldoende aannemelijk is geacht dat hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen.


Op grond van de stukken en de voordracht tot tussentijdse beëindiging van de rechter-commissaris van 21 november 2014 en op grond van hetgeen ter zitting van 13 januari 2015 is verklaard, stelt de rechtbank vast dat [betrokkene] tijdens de behandeling van het verzoekschrift tot toelating op 2 oktober 2014 een aantal feiten en omstandigheden heeft achtergehouden die van belang waren voor de beoordeling of hij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.


De rechtbank concludeert dat [betrokkene] zich in het verzoekschrift tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling en bij de mondelinge behandeling van het verzoek (slechts) heeft gepresenteerd als iemand die in loondienst werkzaam is bij KCG b.v. en een eenmanszaak, met als handelsnaam Digos Automatisering, heeft gehad. Aan de hand van dat gestelde is de toelatingszitting van 2 oktober 2014 gehouden en in die sfeer zijn de vragen ter zitting gesteld. Na de toelating van [betrokkene] tot de wettelijke schuldsaneringsregeling op 9 oktober 2014, is de bewindvoerder en rechter-commissaris echter gebleken dat [betrokkene] tot kort voor die datum voor honderd procent aandeelhouder is geweest in Digos Holding b.v. en dat hij zijn aandelen in Digos Holding b.v. vlak voor de toelatingszitting voor een koopsom van € 2.500,- heeft overgedragen aan [M] , een voormalig werknemer van [betrokkene] /Digos Automatisering.


Gelet op de inlichtingenverplichting voortvloeiende uit de wettelijke schuldsaneringsregeling had het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van [betrokkene] gelegen om tijdens de toelatingszitting spontaan te melden dat hij tot voor kort Digos Holding b.v. heeft gerund en dat hij zijn aandelen in Digos Holding b.v. vlak voor de toelating tot de schuldsaneringsregeling heeft overgedragen aan [M] . Indien [betrokkene] dit had gedaan, was er voor de rechtbank de kans geweest om hier tijdens de zitting over door te vragen. Het argument van [betrokkene] dat hem tijdens de zitting door de rechtbank niet is gevraagd naar kort voor de faillissementsaanvraag uitgevoerde transacties of aandelenoverdracht gaat hier niet op: door de verzwijging van relevante feiten door [betrokkene] was er geen reden dat soort vragen te stellen. Uit het verhandelde ter zitting blijkt dat [betrokkene] ten tijde van de overdracht van zijn aandelen in Digos Holding b.v. aan [M] het faillissement of de wettelijke schuldsaneringsregeling voorzag, sterker nog, dat die overdracht verband hield met een nadere insolventie van [betrokkene] . Uit de behandeling ter zitting blijkt tevens dat [betrokkene] bij de levering van zijn aandelen in Digos Holding b.v. aan [M] meende een voor de boedel gunstige transactie te hebben uitgevoerd. Als de transactie om die reden is uitgevoerd, had [betrokkene] deze transactie meteen op de toelatingszitting moeten melden om te beoordelen of de schuldeisers al dan niet zijn benadeeld. [betrokkene] heeft verklaard dat er geen nadeel is ontstaan als gevolg van de verkoop van de aandelen voor een bedrag van € 2.500,--. Nog los van de vraag of dat, gelet op de schending van de inlichtingenverplichting, nog relevant is, overweegt de rechtbank als volgt. [betrokkene] stelt, daarin gesteund door een door hem ingeschakelde accountant, dat de waarde van de aandelen in Digos holding b.v. nihil was omdat de enige bate in Digos Holding b.v. zou zijn een vordering uit hoofde van een rekening-courantschuld van [betrokkene] ter waarde van € 80.000,--. Omdat [betrokkene] geen enkel verhaal biedt, zou Digos Holding b.v. een voorziening van € 80.000,-- moeten nemen, waardoor het vermogen van de vennootschap negatief is. Zo er al sprake is van een waardedrukkend effect, geldt dat dat aan [betrokkene] moet worden toegerekend, omdat zijn schuld in rekening-courant en het feit dat hij geen verhaal zou bieden, negatieve invloed op de waarde hebben. Daarbij is het opmerkelijk dat [M] wel geld voor de aandelen over had omdat hij daardoor in staat was een inkomen van € 30.000,-- per jaar te verwerven. Zo waardeloos waren die aandelen dus kennelijk niet, ondanks de forse vordering van de vennootschap op [betrokkene] .


Helemaal kwalijk is het dat [betrokkene] tijdens de toelatingszitting niet heeft gemeld dat hij aan Digos Holding b.v., waarvan hijzelf de aandeelhouder was geweest, die rekening-courant schuld van € 80.000,- had (deze schuld was ook niet op de schuldenlijst vermeld). Dat [betrokkene] , zoals hij ter zitting heeft gesteld, dacht dat met de verkoop van zijn aandelen in Digos Holding b.v. de vordering van Digos Holding b.v. op hem ook was verdwenen, acht de rechtbank volkomen ongeloofwaardig. De schuldeiser was immers een besloten vennootschap, waarvan [betrokkene] de aandeelhouder was. De schuldeiser was gewoon blijven bestaan, zij het met een andere aandeelhouder, en ook de schuld. Zelfs indien in eigen sprookjes wordt geloofd, zal toch duidelijk zijn dat in zo’n geval de schuld niet verdwijnt. [betrokkene] , die al jaren in zaken zit, kan zich niet achter zijn geloof in sprookjes verschuilen. [betrokkene] maakt creatief gebruik van die schuld: waar het gaat om het drukken van de verkoopwaarde van de aandelen is [betrokkene] zich van deze manifest aanwezige schuld bewust, als het gaat om het melden van de aandelenoverdracht wordt dat ter zitting “vergeten”, en speelt de schuld opeens geen rol meer. Deze selectieve manier van melden en verzwijgen van feiten duidt niet op een saneringsgezinde houding (of goede trouw). Nu [betrokkene] de schuld aan Digos Holding b.v. niet tijdens de toelatingszitting heeft gemeld, heeft de rechtbank daarenboven over de goede trouw ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van deze schuld niet kunnen doorvragen.


Gezien het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat [betrokkene] ten tijde van zijn verzoek om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling zijn inlichtingenverplichting niet naar behoren is nagekomen. Het niet naar behoren nakomen van deze verplichting staat tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling in de weg en nu zulks nader pas is gebleken, is het reden de regeling tussentijds te beëindigen. De rechtbank heeft door de schending van de inlichtingenverplichting door [betrokkene] de goede trouw ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schuldenlast niet (volledig) kunnen toetsen. Voorts is uit het handelen en nalaten van [betrokkene] gebleken dat de van hem te vergen saneringsgezinde houding in ernstige mate heeft ontbroken en – gelet op de wonderlijke verklaringen van [betrokkene] – nog steeds ontbreekt.

De rechtbank zal in het midden laten of de schuldeisers zijn benadeeld door het handelen van [betrokkene] bij de overdracht van zijn aandelen. De rechtbank beschikt niet over stukken waar de waarde van de onderneming uit blijkt ten tijde van het verzoek om toelating. Deze eventuele benadeling zou hoogstens een extra reden voor tussentijdse beëindiging van de regeling zijn. Zoals hiervoor overwogen, zijn er ook zonder dat er sprake is van benadeling van crediteuren door (eventueel) te goedkope overdracht van de aandelen in Digos Holding b.v., meer dan voldoende gronden deze regeling tussentijds te beëindigen.


Gezien het voorgaande zal de rechtbank deze schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigen

op grond van artikel 350 lid 3 aanhef en onder c en onder f Fw.


De rechtbank zal de vergoeding van de bewindvoerder berekenen en diens salaris vaststellen als hierna volgend te bepalen.


Onder verwijzing naar wat is bepaald in artikel 350 lid 5 Fw, zal, omdat er voldoende baten in de boedel zijn om de vorderingen geheel of gedeeltelijk te voldoen, deze schuldsaneringsregeling worden gevolgd door een faillissement.


De rechtbank zal het verzoek om de bewindvoerder te ontslaan als bewindvoerder en een nieuwe bewindvoerder te benoemen afwijzen. Om proceseconomische redenen zal deze beschikking in dit vonnis worden opgenomen.

Naar het oordeel van de rechtbank is dit verzoek tot ontslag op niets gebaseerd. Het kantoor van de bewindvoerder huurt – onweersproken – van Ricoh een printer en niet van KCG b.v. De rechtbank zijn ook overigens geen feiten en omstandigheden gebleken op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat de bewindvoerder in deze schuldsaneringsregeling niet vrij staat. Het is [betrokkene] geweest die door zijn handelen en verzwijgingen problemen heeft veroorzaakt en niet de bewindvoerder die deze tactische manoeuvres heeft ontdekt en gemeld.









De beslissing


De rechtbank:


- beëindigt de toepassing van de schuldsaneringsregeling;


- stelt vast dat de schuldenaar in staat van faillissement zal verkeren zodra dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan en benoemt in het faillissement van betrokkene tot rechter-commissaris mr. M.C. Bosch,

en tot curator mr. C.H.J. van der Maas,

postbus 30, 9750 AA Haren (Gn);


- geeft last aan de curator tot het openen van aan de gefailleerde gerichte brieven en telegrammen;


- berekent het bedrag van de vergoeding van de bewindvoerder op € 2.869,80 (inclusief onkosten en omzetbelasting);


- stelt het salaris van de bewindvoerder vast op het bedrag van de vergoeding en brengt dit bedrag ten laste van de boedel, onder aftrek van de door de bewindvoerder reeds opgenomen voorschotten;


- wijst het verzoek om mr. C.H.J. van der Maas te ontslaan als bewindvoerder af.


Gewezen en gegeven door mr. M.M. Verhoeven, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 januari 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.