Rechtbank Overijssel, 27-01-2015 / C/08/14/669 R


ECLI:NL:RBOVE:2015:4498

Inhoudsindicatie
Tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling. Bekend worden van feiten en omstandigheden die reeds bestonden op het tijdstip van indiening van het schuldsaneringsverzoek en die reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen. Tevens niet voldaan aan de inlichtingenplicht.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-01-27
Publicatiedatum
2015-10-02
Zaaknummer
C/08/14/669 R
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht; Insolventierecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Toezicht

Zittingsplaats Almelo


Insolventienummer: C/08/14/669 R

Uitspraakdatum: 27 januari 2015


Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken in de wettelijke schuldsaneringsregeling van:


[betrokkene] ,

geboren op [1976] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] ,

verder ook [betrokkene] te noemen.


In deze schuldsaneringsregeling is [G] te [plaats 1] tot bewindvoerder benoemd.


Het procesverloop


De bewindvoerder heeft op 24 oktober 2014, aangevuld op 30 oktober en 6 november 2014, een verzoek gedaan om de toepassing van deze schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen.


Het verzoek is behandeld ter zitting van 13 januari 2015 waar [betrokkene] is verschenen, bijgestaan door mr. A.W. van Luipen, advocaat te Zeist, en vergezeld van mevrouw [P] . Tevens is de bewindvoerder [G] , voornoemd, verschenen. Van de zitting zijn aantekeningen opgemaakt.


Het vonnis is bepaald op vandaag.


De beoordeling


Het verzoek van de bewindvoerder:


Het verzoek van de bewindvoerder wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.


De bewindvoerder verzoekt – samengevat – om tussentijdse beëindiging van deze schuldsaneringsregeling om onder meer de navolgende redenen.


[betrokkene] ontvangt voorlopige teruggaven inkomstenbelasting, terwijl zijn twee woningen al in 2011 zijn verkocht. [betrokkene] heeft hiervoor niet gereserveerd. Indien dit gegeven tijdens de toelatingszitting bekend zou zijn geweest, zou het volgens de bewindvoerder een beletsel zijn geweest voor toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.


Wat betreft de woonsituatie lijkt er geen sprake te zijn van kostgangerschap, zoals in het verzoekschrift en verklaring van [betrokkene] wordt verklaard, maar van een affectieve relatie.


Verder lijkt [betrokkene] een autohandel te hebben (gehad). Hij heeft op Marktplaats een advertentie geplaatst waarin een Renault Megane te koop wordt aangeboden. Door het plaatsen van deze advertentie heeft [betrokkene] de indruk gewekt dat hij inkomsten genereert buiten de boedel om. Tevens worden bij het zoeken op het mobiele telefoonnummer van [betrokkene] eerdere advertenties op het internet aangetroffen, waarin auto’s te koop worden aangeboden.


De – zakelijk weergegeven – toelichting van de bewindvoerder:


Ter zitting heeft de bewindvoerder onder meer verklaard dat de voorlopige teruggave aan [betrokkene] werd toegekend voor twee woningen die al in 2011 waren verkocht. Hierdoor is een belastingschuld ontstaan, waarvan een bedrag van € 1.114,- als een nieuwe schuld is aan te merken. Genoemd bedrag ziet op aanslagen die na het uitspreken van de wettelijke schuldsaneringsregeling zijn ontstaan. Volgens de bewindvoerder is de schuld aan de Belastingdienst verwijtbaar omdat [betrokkene] hiervoor niet heeft gereserveerd.


De bewindvoerder heeft ten aanzien van de woonsituatie van [betrokkene] verklaard dat hij tijdens het huisbezoek heeft geconstateerd dat op de zolder die door [betrokkene] beweerdelijk als woonruimte was gehuurd niemand woonachtig was en ook niet recent woonachtig is geweest. Vervolgens werd de bewindvoerder voorgehouden dat [betrokkene] een andere kamer bewoonde en bleek de bewindvoerder dat er in die kamer vooral kinderspeelgoed aanwezig was. De bewindvoerder verwijst hieromtrent tevens naar het medisch onderzoeksverslag van het UWV van 5 december 2013, waarin [betrokkene] vertelt dat de relatie tussen hem en zijn vriendin redelijk is, ondanks dat zij hem volledig heeft zien flippen. De bewindvoerder gaat ervan uit dat het hierbij gaat om [P] . De bewindvoerder voert verder aan dat het huis al met al de indruk geeft dat er sprake is van samenwoning. Er is in de woning geen afzonderlijke woonruimte aanwezig ten behoeve van [betrokkene] . Dat er momenteel een tafel en bed op de zolder aanwezig zijn, doet naar de mening van de bewindvoerder niet af aan het feit dat deze tijdens het huisbezoek niet aanwezig waren. De bewindvoerder merkt aanvullend nog op dat het telefoonabonnement van de mobiele telefoon van [betrokkene] op naam van [P] staat en dat de nota ook vanaf haar rekening wordt voldaan. Volgens de bewindvoerder geeft dat ook weer hoe de verhouding tussen [betrokkene] en [P] is.


De bewindvoerder heeft ten aanzien van de autohandel onder meer verklaard dat deze is gevonden via een advertentie op Marktplaats, waarin door [betrokkene] een Renault Megane te koop wordt aangeboden. Volgens de bewindvoerder staat deze auto op naam van mevrouw [X] en is zij mogelijk familie van [P] .


De – zakelijk weergegeven – toelichting door en namens [betrokkene] :


Ter zitting heeft [betrokkene] over de voorlopige teruggave onder meer verklaard dat deze eerst binnenkwam op de en/of rekening die hij had met zijn ex-vrouw. Nadien heeft [betrokkene] een andere rekening genomen. Desgevraagd verklaarde [betrokkene] dat de voorlopige teruggave vanaf ongeveer eind 2012 op zijn eigen rekening binnenkwam. Hij had in 2012 een rekening bij de Stadsbank waarop de voorlopige teruggave is gestort. Volgens [betrokkene] heeft hij nooit gezien dat op zijn rekening geld van de Belastingdienst binnenkwam. Namens [betrokkene] is hieromtrent nog verklaard dat de schuld aan de Belastingdienst door verrekening van de voorlopige teruggave met openstaande schulden bij de Belastingdienst gelijk is gebleven. Hierdoor is er netto geen nieuwe schuld ontstaan.


Namens [betrokkene] is ter zitting over de woonsituatie onder meer het volgende verklaard. [betrokkene] heeft geen affectieve relatie met [P] . Beiden zijn wel bekenden van elkaar. Toen [betrokkene] haar vertelde over zijn financiële situatie heeft [P] geïnformeerd bij de woningbouwvereniging of het mogelijk was om een kamer op de bovenverdieping (zolder) te verhuren, hetgeen mogelijk bleek. In eerste instantie lag er een stuk vloerkleed op de zolder en daar is [P] later een bed op gezet. [betrokkene] heeft ook tijdelijk op de slaapkamer van de zoon van [P] geslapen. Deze kwam vrij toen de zoon van [P] voor een jaar is geplaatst in een inrichting te Zetten. [P] heeft toen gezegd dat zij dat jaar zou gebruiken om de zolder gebruiksvriendelijker te maken. Omdat [betrokkene] in de kamer van haar zoon kon slapen was dat geen probleem. Dat de zolder nu klaar is, zou met de overgelegde foto’s zijn aangetoond.


[betrokkene] heeft over de autohandel via Marktplaats verklaard dat hij re-integratiewerk-zaamheden bij de heer [B] heeft verricht. [betrokkene] stelt dat hij voor [B] auto’s op Marktplaats heeft geplaatst wegens diens onhandigheid met het internet. [betrokkene] stelt verder er niet aan te hebben gedacht om voor [B] op Marktplaats een account aan te maken om de auto’s te verkopen. Wat betreft het via Marktplaats te koop aanbieden van de Renault Megane heeft [betrokkene] verklaard dat het hier gaat om de auto van de moeder van [P] . Gesteld wordt dat zij haar auto wilde verkopen omdat zij gelet op haar leeftijd niet meer mocht autorijden. Volgens [betrokkene] heeft hij ook haar geholpen om de auto op Marktplaats te koop aan te bieden.


De motivering van de beslissing:


De rechtbank is allereerst van oordeel dat er feiten en omstandigheden bekend zijn geworden, die reeds bestonden op het tijdstip van indiening van het schuldsaneringverzoek en die reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.


De twee woningen van [betrokkene] en zijn ex-vrouw zijn in 2011 verkocht. De schuld aan de Belastingdienst is het gevolg van het feit dat de voorlopige teruggave voor deze twee woningen niet is stopgezet. Tijdens de toelatingszitting op 23 september 2014 heeft [betrokkene] hierover verklaard dat de voorlopige teruggave is gestort op de rekening van zijn ex-vrouw. Het ging daarbij om een en/of rekening, waar [betrokkene] geen [P] van had. Daarom wist [betrokkene] niet dat de voorlopige teruggave (nog) werd gestort.

Uit de behandeling ter zitting van 13 januari 2015 blijkt echter dat de voorlopige teruggave vanaf eind 2012 op de eigen rekening van [betrokkene] is gestort. Indien de rechtbank dit eerder had geweten zou het schuldsaneringsverzoek zijn afgewezen op grond van artikel 288 lid 1 aanhef en onder b Faillissementswet (Fw). De schuld aan de Belastingdienst kan immers niet als te goeder trouw worden aangemerkt. Gelet op de stukken en de behandeling ter zitting was [betrokkene] zich terdege van bewust van het feit dat hij geen recht had op deze voorlopige teruggave, maar heeft hij deze gelden desalniettemin niet gereserveerd, hetgeen hem valt aan te rekenen.


De rechtbank is voorts van oordeel dat [betrokkene] de inlichtingenverplichting uit de schuldsaneringsregeling onvoldoende is nagekomen. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.


Uit de stukken blijkt dat in een mede door [betrokkene] ondertekende verklaring staat vermeld dat hij vanaf 1 september 2012 de zolderverdieping bij [P] huurt. Bij het huisbezoek van de bewindvoerder op 6 oktober 2014 is de zolder niet ingericht aangetroffen, terwijl [betrokkene] daar al vanaf 1 september 2012 zou wonen. De rechtbank is van oordeel dat de inrichting van de zolder zodanig was dat het onaannemelijk is dat [betrokkene] daar woonachtig is dan wel is geweest. Daaraan doet niet af dat op de zolder nu wel een tafel, stoelen en een bed aanwezig zijn. De rechtbank acht het ook onaannemelijk dat [betrokkene] een jaar op de slaapkamer van de zoon van [P] heeft geslapen om de zolder gebruiksvriendelijker te kunnen maken. Uit de informatie van [P] aan de bewindvoerder blijkt dat haar zoon in januari 2014 is geplaatst in een inrichting in Zetten, terwijl de zolder bij het huisbezoek op 6 oktober 2014 nog steeds niet gebruiksvriendelijker was gemaakt.

De rechtbank is van oordeel dat ook op grond van andere feiten en omstandigheden moet worden geconcludeerd dat er eerder sprake is van samenwoning dan van een zakelijke kostgangerrelatie. Zo staat de mobiele telefoon van [betrokkene] op naam van [P] en wordt de nota ook vanaf haar rekening voldaan. Voorts heeft [betrokkene] een inboedelverzekering van ruim € 48.000,- afgesloten op het adres van [P] aan [adres] te [plaats 2] , terwijl hij niet over een eigen inboedel beschikt. Hij betaalde ook vanaf 2 april 2013 de premie voor de inboedelverzekering. Dat deze verzekering, zoals door [betrokkene] wordt gesteld, per ongeluk is afgesloten acht de rechtbank ongeloofwaardig nu bij het afsluiten van een verzekering een polisblad wordt ontvangen. Uit het mede door [betrokkene] ondertekende Plan van aanpak schuldhulpverlening blijkt ook dat [betrokkene] wist dat hij maandelijks een bedrag betaalde voor de inboedelverzekering. Verder heeft [P] getracht de financiën van [betrokkene] op orde te brengen. Gelet op het e-mailbericht van 6 januari 2015 heeft [P] zelfs met de financieel adviseur van [betrokkene] , de heer [D] , getelefoneerd en gecorrespondeerd over de aangiftes en voorlopige teruggaven van [betrokkene] . Gelet op het voorgaande moet worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een louter zakelijke kostgangerrelatie, maar van een relatie die de grenzen overschrijdt van hetgeen in een zakelijke relatie gebruikelijk is.

Hieraan doet niet af of er al dan niet sprake is van een affectieve relatie tussen [betrokkene] en [P] . Als gevolg van de onjuiste informatie is in eerste instantie door de bewindvoerder een onjuiste berekening van het vrij te laten bedrag gemaakt. De rechtbank stelt vast dat [betrokkene] de bewindvoerder onjuist heeft geïnformeerd over zijn woonsituatie en heeft verzwegen dat hij samenwoonde met [P] .


De rechtbank neemt het [betrokkene] tevens kwalijk dat hij geen openheid van zaken aan de bewindvoerder heeft gegeven over de autohandel via internet, hetgeen wel op zijn weg had gelegen. Vast staat dat [betrokkene] via Marktplaats auto’s te koop heeft aangeboden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [betrokkene] over de verkoop van auto’s via internet ter zitting een ongeloofwaardig verhaal opgehangen. De ene keer heeft hij uitsluitend auto’s via Marktplaats te koop aangeboden omdat zijn voormalig werkgever [B] niet handig zou zijn met internet. Bij de confrontatie met de verkoop van de Renault Megane via Marktplaats, welke [betrokkene] ook niet heeft gemeld, heeft [betrokkene] verklaard dat hij om dezelfde reden ook voor de moeder van [P] deze auto te koop heeft aangeboden.


Gelet op het voorgaande zal de rechtbank deze schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigen op grond van artikl 350 lid 3 onder c en f Fw. De overige gronden van het verzoek tot tussentijdse beëindiging en de argumenten van [betrokkene] hiertegen behoeven geen nadere bespreking.


De rechtbank zal de vergoeding van de bewindvoerder berekenen en diens salaris vaststellen als hiernavolgend te bepalen.



Gebleken is dat er geen baten zijn om de vorderingen geheel of gedeeltelijk te voldoen. Om die reden is artikel 350 lid 5 Fw niet van toepassing en zal deze schuldsaneringsregeling eindigen op de dag dat deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.



De beslissing


De rechtbank:


- beëindigt de toepassing van de schuldsaneringsregeling;


- berekent het bedrag van de vergoeding van de bewindvoerder op € 1.488,50 (inclusief onkosten en omzetbelasting);


- stelt het salaris (inclusief onkosten en omzetbelasting) vast op het voor salaris beschikbare saldo van € 1.295,71 en brengt dit ten laste van de boedel.


Gewezen door mr. M.M. Verhoeven, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 januari 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.









1 Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.