Rechtbank Overijssel, 12-10-2015 / AK_ZWO_14_1750


ECLI:NL:RBOVE:2015:4591

Inhoudsindicatie
Het college van B&W van Steenwijkerland moet een nieuw besluit nemen over een loswal in Giethoorn. De rechtbank Overijssel oordeelt dat een aantal omwonenden gelijk heeft in een deel van hun beroepen. Er is niet afdoende onderzocht of het afwijken van de beheersverordening afbreuk doet aan het beschermd stads- en dorpsgezicht, dat de vergunde situatie resulteert in een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat in de woning vlakbij de loswal en dat de vergunde situatie resulteert in een verkeersonveilige situatie.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-10-12
Publicatiedatum
2015-10-13
Zaaknummer
AK_ZWO_14_1750
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JOM 2015/1008
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle


Bestuursrecht


zaaknummers: AWB 14/1750, 14/1791, 14/1847, 14/1871 en 14/1948


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

1 [eisers 1] , wonende te Giethoorn, eisers 1,

gemachtigde: mr. O.V. Wilkens,

2. [eisers 2], wonende te Giethoorn, eisers 2,

3. Vereniging Dorpsbelangen ’t Gieters Belang, gevestigd te Giethoorn, eiseres 3,

4. [eisers 4], wonende te Giethoorn, eisers 4,

gemachtigde: mr. A.M.H. Dellaert.

5. [eisers 5] , eisers 5,

gemachtigde: [naam 3] , wonende te Den Haag.


en


het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland, verweerder.



Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de gemeente Steenwijkerland, vergunninghoudster.



Procesverloop


Bij besluit van 12 juni 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan de gemeente Steenwijkerland een omgevingsvergunning verleend voor het aanleggen van een parkeerterrein met een verharde draaicirkel, het verwijderen van de bestaande singel, het aanplanten van nieuwe beplanting en het opnieuw inrichten van het terrein (bomen, struiken en speelveld) op de locatie Kerkweg parkeerplaats nabij [nummer] te Giethoorn, kadastraal bekend Brederwiede [kadastrale gegevens] (hierna: het project).


Hiertegen hebben eisers 1 bij brief van 10 juli 2014 beroep ingesteld. Eisers 2 hebben bij brief van 17 juli 2014 beroep ingesteld. Eiseres 3 heeft bij brief van 21 juli 2014 beroep ingesteld. Eisers 4 hebben bij brief van 21 juli 2014 beroep ingesteld. Bij brief van 27 juli 2014 hebben eisers 5 beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


In de beroepschriften van eisers, voor wat betreft het aspect ‘geluid’, heeft de rechtbank aanleiding gezien de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (hierna: de StAB) als deskundige te benoemen.


De StAB heeft op 29 mei 2015 verslag uitgebracht als bedoeld in artikel 8:47 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). In dit verslag zijn de reacties van eisers en verweerder op het conceptadvies verwerkt.


Verweerder heeft bij fax van 3 september 2015 een nadere reactie gegeven op dit StAB-advies.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2015. Eisers 1 zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde en door ir. D.J. Suverkropp, werkzaam bij Peutz B.V. Eisers 2 zijn verschenen. Eiseres 3 heeft zich laten vertegenwoordigen door K.H.P. van der Linde, secretaris, en E.M. van der Knoop, penningmeester. Eisers 4 zijn verschenen in de persoon van [eisers 4] . Eisers 5 hebben zich laten vertegenwoordigen door [naam 4] en hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door E.S. Fijma en M.J.M. Blankevoort. De gemeente Steenwijkerland heeft zich, in de hoedanigheid van vergunninghoudster, laten vertegenwoordigen door

N.A.M. Oostermeijer.


Bij fax, gedateerd 14 september 2015 en verzonden om 18.38 uur, heeft gemachtigde van eisers 4 een reactie gegeven op voornoemde nadere reactie d.d. 3 september 2015 van verweerder. De rechtbank heeft het stuk van gemachtigde van eisers 4 op 15 september 2015 doorgezonden naar verweerder en vergunninghoudster. Ter zitting bleek dat dit doorgezonden stuk, (nog) niet door verweerder en vergunninghoudster was ontvangen. Verweerder heeft desgevraagd ter zitting meegedeeld dat hij zich overvallen voelt en dat hij niet in staat is inhoudelijk op dit stuk te reageren. De rechtbank heeft vervolgens geweigerd dit stuk toe te laten tot het geding. De rechtbank heeft daarom dit stuk teruggestuurd naar gemachtigde van eisers 4.



Overwegingen


1. Artikel 2.1, eerste lid, onder b en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) bepaalt, voor zover van belang, dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

b. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een beheersverordening is bepaald;

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een beheersverordening.


Artikel 2.11, eerste lid, van de Wabo bepaalt, voor zover van belang, dat, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, waaromtrent regels zijn gesteld in een beheersverordening, de omgevingsvergunning wordt geweigerd indien het werk of de werkzaamheid daarmee in strijd is.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel, zoals dit luidt sinds 23 maart 2012, wordt, indien sprake is van strijd met de regels, bedoeld in het eerste lid, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.



Artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3º, van de Wabo bepaalt dat, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.


2. Het perceel waar het bestreden besluit op ziet wordt al geruime tijd als loswal gebruikt, zonder dat dit planologisch is vastgelegd in een bestemmingsplan of een beheersverordening. Via deze loswal worden hoofdzakelijk chalets en/of bouwmaterialen met behulp van een kraan, vrachtwagens en een ponton over de Dorpsgracht gezet om deze vervolgens naar de in de directe omgeving gelegen campings, woningen en boerderijen te vervoeren. De gemeente Steenwijkerland wil de bestaande loswal legaliseren en wijzigen. Onder andere wordt het verharde gedeelte van de loswal uitgebreid en een keerlus met parkeerplaatsen gerealiseerd. Deze keerlus is met name benodigd om het (vracht)verkeer te laten keren. Dit omdat de Kerkweg geen doorgaande weg is maar ten zuiden van de laad- en losplaats overgaat in een fietspad.


De gemeente Steenwijkerland heeft bij aanvraag, ontvangen 11 april 2011, verweerder verzocht haar een omgevingsvergunning te verlenen voor het aanleggen van een parkeerterrein met een verharde draaicirkel, het verwijderen van de bestaande singel, het aanplanten van nieuwe beplanting en het opnieuw inrichten van het terrein (bomen, struiken en speelveld) op de locatie Kerkweg parkeerplaats nabij [nummer] te Giethoorn, kadastraal bekend Brederwiede [kadastrale gegevens] .


De gevraagde omgevingsvergunning, voorbereid met afdeling 3.4 van de Awb, heeft verweerder bij besluit van 3 augustus 2012 verleend.


De (toenmalige) rechtbank Oost Nederland heeft in haar uitspraken van 29 maart 2013, zaaknummers 12/1929 en 12/2013, de hiertegen gerichte beroepen van eisers 1 en

[eisers 2] gegrond verklaard en het besluit van 3 augustus 2012 vernietigd. Aan deze vernietiging heeft de rechtbank de navolgende overwegingen ten grondslag gelegd.

“5.1. In de Nota Zienswijzen, die deel uitmaakt van het bestreden besluit, heeft verweerder in reactie op de ingediende zienswijzen aangegeven dat de loswal in het bestemmingsplan ‘Giethoorn 1994’ niet speciaal bestemd is, maar dat deze ten tijde van de vaststelling van dat plan al wel bestond en ook als zodanig gebruikt werd. Het laden en lossen zelf gebeurde op de weg en in het verharde gedeelte naast de weg, binnen de bestemming ‘verkeersgebied’. Daarnaast werd het parkeerterrein aan de Kerkweg ook gebruikt voor de loswal. Verweerder is van mening dat het gebruik van gronden met de bestemming ‘verkeersgebied’ of ‘parkeerterrein’ als loswal volgens het bestemmingsplan is toegestaan. Alleen langdurige opslag op gronden met de bestemming ‘parkeerterrein’ is volgens verweerder niet toegestaan. Verweerder concludeert op grond hiervan dat de onderhavige loswal niet in strijd is met het bestemmingsplan ‘Giethoorn 1994’. Wel erkent verweerder dat het gebruik van de loswal intensiever is geworden, en zeker de laatste jaren, door het feit dat er extra chalets zijn overgezet.

(…).

5.5.

Daargelaten de vraag of de loswal aan de Kerkweg daadwerkelijk dient te worden aangemerkt als een inrichting, volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de beschrijving van de activiteiten in het akoestisch rapport, en mede gelet op de door Cauberg-Huygen gemaakte beoordeling, dat deze niet meer zijn aan te merken als lokaal wegverkeer. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de laad- en losactiviteiten niet meer passen binnen de bestemming ‘verkeersgebied’ en daarom in strijd zijn met het bestemmingsplan ‘Giethoorn 1994’. Anders dan verweerder meent, betreft het aangevraagde project dan ook niet de herinrichting van het terrein ten behoeve van activiteiten die op grond van het geldende bestemmingsplan zijn toegestaan. Hieruit volgt dat verweerder de beoordeling van de aanvraag om omgevingsvergunning ten behoeve van het project heeft gebaseerd op een onjuist uitgangspunt.

5.6.

Nu verweerder bij de beoordeling van de aanvraag om een vergunning voor het onderhavige project is uitgegaan van de onjuiste veronderstelling dat de laad- en losactiviteiten op grond van het bestemmingsplan zijn toegestaan, heeft verweerder bij het bestreden besluit niet de vereiste zorgvuldigheid in acht genomen. Tevens volgt hieruit dat het besluit niet op een deugdelijke motivering berust en dat niet alle rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen op een juiste wijze zijn afgewogen. De rechtbank ziet hierin aanleiding het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen.”


Verweerder heeft de aanvraag van 11 april 2011 wederom in behandeling genomen. De omgevingsvergunning is wederom voorbereid met afdeling 3.4 van de Awb.


Bij het bestreden besluit van 12 juni 2014 heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning verleend. De bestreden omgevingsvergunning betreft een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘aanleggen’ (als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wabo) en de activiteit ‘strijdig gebruik’ (als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo) en is met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3º, van de Wabo verleend.


Verweerder heeft aan het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning onder meer het door Bureau Tonnaer opgestelde rapport ‘Ruimtelijke onderbouwing Loswal Kerkweg’, gedateerd 8 april 2014, ten grondslag gelegd. Hierin is onder meer verwezen naar het door Cauberg-Huygen uitgevoerde akoestisch onderzoek, gedateerd 1 april 2014. In de omgevingsvergunning is verder verwezen naar de ‘Reactienota zienswijzen omgevingsvergunning Loswal Kerkweg te Giethoorn’, gedateerd 15 april 2014.


3. Alvorens het geschil inhoudelijk te behandelen, dient de rechtbank ambtshalve te beoordelen of eisers 1, eisers 2, eiseres 3, eisers 4 en eisers 5 in hun beroep kunnen worden ontvangen. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.


Gelet op het bepaalde in artikel 8:1 van de Awb staat het indienen van beroep slechts open voor belanghebbenden als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb.


Artikel 6:13 van de Awb bepaalt, voor zover van belang, dat geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.


In casu heeft de ontwerp-omgevingsvergunning van 16 oktober tot en met 26 november 2013 ter inzage gelegen. Een ieder is hierbij in de gelegenheid gesteld om een zienswijze naar voren te brengen.


Eisers 1 zijn woonachtig op korte afstand van het project. Zij hebben bij brief van 25 november 2013 een zienswijze naar voren gebracht. Eisers 1 kunnen in hun beroep worden ontvangen.

Eisers 2 wonen naast het project. Zij hebben bij brief van 23 november 2013 een zienswijze naar voren gebracht. Eisers 2 kunnen in hun beroep worden ontvangen.


Blijkens haar statuten heeft eiseres 3 ten doel: het bevorderen van het leefklimaat in het dorp, het bevorderen van recreatieve voorzieningen voor de inwoners en het, waar mogelijk, handhaven van het bestaande dorpskarakter van Giethoorn. Haar werkgebied ligt binnen de gemeentegrenzen van de voormalige gemeente Giethoorn. Eiseres 3 tracht dit doel te bereiken door, onder andere, het houden van vergaderingen, het inventariseren en registreren van belangen en deze vast te leggen in een dorpsplan en het voeren van overleg met lokale en regionale autoriteiten. Gelet hierop kan eiseres 3 worden aangemerkt als belanghebbende bij het bestreden besluit.


Eiseres 3 heeft bij brief van 24 november 2013 een zienswijze naar voren gebracht. Deze zienswijze is ingediend ‘namens het bestuur, de secretaris’ en ondertekend door de secretaris.

De rechtbank oordeelt hieromtrent het volgende. Artikel 10, vierde lid, van de statuten van eiseres 3 bepaalt, samengevat weergegeven, dat vertegenwoordiging plaats dient te vinden door het voltallige bestuur dan wel de combinatie (vice)voorzitter en secretaris dan wel de combinatie secretaris en penningmeester. Uit het dossier blijkt niet dat het bestuur de secretaris heeft gemachtigd om namens hem een zienswijze in te dienen, zodat ervan uitgegaan dient te worden dat de zienswijze enkel en alleen door de secretaris is ingediend. Nu de secretaris niet bevoegd is om eiseres 3 alleen te vertegenwoordigen, is er sprake van een verzuim. Uit het dossier blijkt niet dat verweerder dit verzuim heeft onderkend en vervolgens eiseres 3 in de gelegenheid heeft gesteld om dit verzuim te herstellen. Het niet bieden van de mogelijkheid om een verzuim te herstellen mag, naar het oordeel van de rechtbank, eiseres 3 niet worden tegengeworpen. Gelet hierop en gelet op het feit dat het beroep wel in overeenstemming met de statuten is ingesteld, zal de rechtbank eiseres 3 in haar beroep ontvangen.


Eisers 4 zijn woonachtig op korte afstand van het project. Eisers 4 betreffen [naam 1] (hierna: [naam 1] ) en [eisers 4] (hierna: [naam 2] ). [naam 1] heeft bij brief van 23 november 2013 een zienswijze naar voren gebracht. [naam 2] heeft geen zienswijze naar voren gebracht. Ter zitting heeft [naam 2] desgevraagd meegedeeld dat zij, in haar hoedanigheid van (toenmalig) secretaris van eiseres 3, een zienswijze heeft ingediend. Alhoewel het haar bedoeling was om eveneens in haar hoedanigheid van omwonende een zienswijze in te dienen, heeft zij dat niet gedaan om verwarring te voorkomen. De rechtbank oordeelt hieromtrent dat de wens tot het voorkomen van (naams)verwarring geen grondslag oplevert om het verzuim, te weten het niet indienen van een zienswijze als natuurlijke persoon, verschoonbaar te achten. Gelet op het bepaalde in artikel 6:13 van de Awb kan [naam 2] dan ook niet in haar beroep worden ontvangen. De rechtbank zal het beroep van eisers 4, voor zover ingediend door [naam 2] , daarom niet-ontvankelijk verklaren. [naam 1] kan wel in zijn beroep worden ontvangen. [naam 1] wordt hierna aangeduid als ‘eiser 4’.


De rechtbank heeft [naam 2] in de gelegenheid gesteld om, als gemachtigde van eiser 4, ter zitting het woord te voeren. Hiertoe diende [naam 2] zo spoedig mogelijk na de zitting een daartoe strekkende machtiging van eiser 4 aan de rechtbank te overhandigen. Deze machtiging is op 22 september 2015 bij de rechtbank binnengekomen. De rechtbank zal daarom hetgeen door [naam 2] ter zitting is aangevoerd betrekken bij het beroep, ingediend door eiser 4.


Eisers 5 hebben bij brief van 27 juli 2015 beroep ingesteld. Dit beroep is ingesteld door zowel de [eisers 5] , waarbij [naam 3] (hierna: [naam 3] ) als gemachtigde optreedt, als door [naam 3] als natuurlijke persoon. De rechtbank heeft twee beroepsdossiers aangelegd, te weten 14/1916 (eisende partij: [eisers 5] ) en 14/1948 (eisende partij: [naam 3] ). [naam 3] heeft vervolgens de rechtbank telefonisch meegedeeld dat dossier 14/1916 ten onrechte is aangelegd omdat hijzelf, en niet de [eisers 5] , beroep hebben ingesteld. Dossier 14/1916 is vervolgens afgeboekt.


Uit het dossier (meer specifiek: het procesvel) blijkt dat er vervolgens telefonisch contact is geweest tussen de griffier en [naam 3] . De griffier heeft [naam 3] meegedeeld dat er een ontvankelijkheidsprobleem is indien hij persisteert bij zijn standpunt dat hij, en niet de erven, beroep hebben ingesteld. [naam 3] heeft vervolgens stukken ingebracht waaruit blijkt dat het zomerhuisje op het perceel Bovenwijde 3 in eigendom is bij [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] en [naam 7] . [naam 3] is op huwelijkse voorwaarden getrouwd met [naam 4] . Verder is een machtiging ingediend waarbij de erven [naam 3] machtigen om, namens hen, beroep in te stellen.


Uit vorenstaande blijkt dat [naam 3] geen (mede)eigenaar is van het zomerhuisje, zodat hij geen belanghebbende is bij het bestreden besluit. Gelet op het bepaalde in artikel 8:1 van de Awb dient dit te resulteren in een niet-ontvankelijkverklaring van het beroepschrift, ingediend door [naam 3] . Ter zitting heeft de rechtbank [naam 3] hierop gewezen. [naam 3] heeft hierop meegedeeld dat hij, ondanks zijn eerdere mededelingen, procedeert in zijn hoedanigheid van gemachtigde van de erven.


Ter zitting is onbestreden gesteld dat er, afhankelijk van het jaargetijde, vanuit het zomerhuisje zicht is op het project.


De rechtbank oordeelt dat, nu de [eisers 5] eigenaar zijn van het zomerhuisje, vanuit dit zomerhuisje in de winter en het vroege voorjaar zicht is op het project, de zienswijze is ingediend door de [eisers 5] , het oorspronkelijke beroep tevens (mede) is ingediend namens de [eisers 5] en [naam 3] alsnog een machtiging heeft overgelegd waaruit blijkt dat de erven hem hebben gemachtigd om namens hen beroep in te stellen, de [eisers 5] (hierna: eisers 5) in hun beroep kunnen worden ontvangen.


4. Alvorens de beroepsgronden inhoudelijk te bespreken, overweegt de rechtbank het navolgende.


Eisers 1 verwijzen naar stukken die zij eerder in deze procedure alsmede in de hieraan voorafgaande procedure hebben ingediend. Dit betreft de twee zienswijzen, het contra-geluidsrapport van Peutz van 21 november 2013 en hun beroepschrift van 14 september 2012. Zij stellen dat deze stukken als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd.


Eisers 2 verwijzen naar hun beroepschrift dat heeft geresulteerd in de uitspraak van de rechtbank van 29 maart 2013, zaaknummer 12/2013.


Eiseres 3 en eiser 4 verwijzen naar het beroepschrift van eisers 1, inclusief hun verwijzing naar hun zienswijze van 9 maart 2012 en hun beroepschrift van 14 september 2012. Zij verzoeken deze stukken als herhaald en ingelast te beschouwen.



Ten aanzien van eisers 1, eiseres 3 en eiser 4 overweegt de rechtbank dat de zienswijze van 9 maart 2012 is besproken en weerlegd in de omgevingsvergunning van 3 augustus 2012. Dit besluit en het beroepschrift van 14 september 2012 zijn door de rechtbank beoordeeld en dit heeft geresulteerd in de uitspraak van de rechtbank van 29 maart 2013. Het beroep is hierbij gegrond verklaard en het besluit van 3 augustus 2012 is vernietigd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld zodat dit rechterlijk oordeel in rechte onaantastbaar is. Dit betekent dat niet alleen partijen in deze procedure, maar ook de rechtbank, aan dit rechterlijk oordeel zijn gebonden. Het wederom en niet nader gemotiveerd verwijzen naar stukken uit deze eerdere procedure impliceert het verzoek aan de rechtbank om nogmaals een oordeel te vellen over stukken waarover de rechtbank al eerder een (onherroepelijk) oordeel heeft geveld. Dit is niet mogelijk.


Vorenstaande geldt onverkort voor het verwijzen naar hun beroepschrift door eisers 2. De rechtbank heeft immers dit beroepschrift reeds beoordeeld in haar (onherroepelijke) uitspraak van 29 maart 2013, zaaknummer 12/2013. Ter zitting hebben eisers 2 gesteld dat de rechtbank in die uitspraak niet is toegekomen aan bespreking van twee door hen ingebrachte beroepsgronden. Dat betreft hun beroepsgrond tegen het positieve advies van de welstands- en monumentencommissie alsmede hun beroepsgrond met betrekking tot het uitvoeren van een deel van het project op gronden die bij hen in eigendom zijn. De rechtbank overweegt hieromtrent dat eisers 2 deze beroepsgronden eveneens hebben aangevoerd in hun beroepschrift dat thans voorligt, zodat de rechtbank deze beroepsgronden zal bespreken.


Voor wat betreft de zienswijze van 25 november 2013 en het contra-geluidsrapport van 21 november 2013 van eisers 1 overweegt de rechtbank dat verweerder in het bestreden besluit (met name in de Reactienota zienswijzen) hierop is ingegaan en de daarin vervatte gronden heeft weerlegd. Enkel en alleen voor zover eisers 1 in hun beroepschrift nader in gaan op de weerlegging van hun gronden in de zienswijze, zal de rechtbank de gronden uit de zienswijze bespreken. De rechtbank zoekt hierbij aansluiting bij de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 6 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1794, en 3 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4624.


Voor wat betreft de verwijzing van eiseres 3 en eiser 4 naar het beroepschrift van eisers 1 van 10 juli 2014 overweegt de rechtbank dat een dergelijke wijze van procederen is toegestaan. De rechtbank zal die gronden hieronder bespreken.


5. Het project, waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, is gesitueerd op gronden waarvoor de beheersverordening Giethoorn (hierna: de beheersverordening) geldt. De beheersverordening is op 26 juni 2013 in werking getreden en heeft het bestemmingsplan “Giethoorn 1994” vervangen. De beheersverordening verwijst naar de regeling zoals opgenomen in het bestemmingsplan “Giethoorn” en brengt daarin aanpassingen aan.


Het plangebied is gelegen binnen de bestemmingen “Agrarisch gebied”, “Parkeerterrein”, “Tuinen”, “Verkeersgebied” en “Bos- c.q. beplantingsstrook”.


Voor het zaaien of inplanten van bomen en andere houtopstanden binnen de bestemming “Agrarisch gebied” is een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘aanleggen’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wabo vereist. Tevens is een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘aanleggen’ vereist voor het verwijderen van bomen en andere houtopstanden binnen de bestemming “Bos c.q. beplantingsstrook”. Verder is het project op meerdere onderdelen in strijd met de beheersverordening zodat, om medewerking te kunnen verlenen, eveneens een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘strijdig gebruik’ ex artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo is vereist.


Vorenstaande wordt door partijen niet betwist. Verder is niet in geschil dat zowel de beheersverordening als artikel 4 bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) geen toereikende grondslag voor afwijking bieden, zodat toepassing moet worden gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3º, van de Wabo. De rechtbank onderschrijft dit gedeelde standpunt.


Gelet op vorenstaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat, om medewerking aan realisatie van het project te kunnen verlenen, een omgevingsvergunning voor de activiteiten ‘aanleggen’ en ‘strijdig gebruik’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdelen b en c, van de Wabo is vereist en dat hierbij toepassing moet worden gegeven aan het bepaalde in artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3º, van de Wabo.


6. Partijen hebben slechts aangevoerd dat verweerder in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om af te wijken van de beheersverordening. Partijen hebben niet gesteld dat verweerder niet bevoegd is om af te wijken.


Uit de jurisprudentie van de Afdeling kan worden afgeleid dat de vraag of verweerder in redelijkheid heeft kunnen afwijken van de beheersverordening, niet los kan worden gezien van de vraag of verweerder bevoegd was om af te wijken van de beheersverordening. Gelet op deze samenhang omvat de beoordeling van de vraag of in redelijkheid van de afwijkingsbevoegdheid gebruik kon worden gemaakt, mede de beoordeling van de vraag of daartoe de bevoegdheid bestond.


Ten aanzien van de vraag of verweerder zich terecht bevoegd heeft geacht om af te wijken van de beheersverordening, overweegt de rechtbank het volgende.


De rechtbank heeft ambtshalve geconstateerd dat de gemeenteraad geen verklaring van geen bedenkingen heeft afgegeven voor dit project. Ter zitting heeft de rechtbank verweerder hierop gewezen. Verweerder heeft desgevraagd meegedeeld dat dit aspect niet door partijen is aangevoerd zodat de rechtbank dit niet mag beoordelen. De rechtbank onderschrijft deze conclusie niet. Immers, het beschikken over een verklaring van geen bedenkingen is - behoudens het bepaalde in artikel 6.5, derde lid, van het Bor - een bestaansvoorwaarde voor de afwijkingsbevoegdheid zoals neergelegd in artikel 2.1, eerste lid, onder c, juncto artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3º, van de Wabo. De bevoegdheid van een bestuursorgaan is een ambtshalve te toetsen aspect. De rechtbank acht zich dan ook bevoegd om het ontbreken van een verklaring van geen bedenkingen bij haar oordeelsvorming te betrekken. Ten aanzien hiervan overweegt de rechtbank het volgende.


Artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo bepaalt dat in bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen een omgevingsvergunning niet wordt verleend dan nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft. Bij een maatregel als bedoeld in de eerste volzin worden slechts categorieën gevallen aangewezen waarin voor het verrichten van de betrokken activiteit een afzonderlijke toestemming van het aangewezen bestuursorgaan wenselijk is gezien de bijzondere deskundigheid die dat orgaan ten aanzien van die activiteit bezit of de verantwoordelijkheid die dat orgaan draagt voor het beleid dat betrekking heeft op de betrokken categorie activiteiten. Bij die maatregel kan worden bepaald dat het aangewezen bestuursorgaan categorieën gevallen kan aanwijzen waarin de verklaring niet is vereist.


Deze algemene maatregel van bestuur betreft het Bor.


Artikel 6.5, eerste lid, van het Bor bepaalt dat, voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet wordt afgeweken van de beheersverordening, niet wordt verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft, tenzij artikel 3.2, aanhef en onder b, van dit besluit of artikel 3.36 van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is.

Het derde lid van dit artikel bepaalt dat de gemeenteraad categorieën gevallen kan aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist.


De Afdeling heeft in haar uitspraak van 27 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3207, overweging 4.1, het navolgende geoordeeld.

“Bij besluit van 5 oktober 2010 heeft de raad bepaald dat een verklaring van geen bedenkingen niet is vereist voor het toepassen van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3º van de Wabo. Daarmee heeft de raad beoogd gebruik te maken van de aan hem in artikel 6.5, derde lid, van het Bor gegeven bevoegdheid om categorieën van gevallen aan te wijzen waarin een verklaring, als bedoeld in artikel 6.5, eerste lid, van het Bor, niet is vereist. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 3 oktober 2012 in zaak nr. 201206364/1/R4, bevat artikel 6.5, derde lid, van het Bor geen vereisten voor de aanwijzing en houdt evenmin een beperking in voor de categorieën die opgenomen kunnen worden in de aanwijzing. Anders dan de rechtbank is de Afdeling evenwel van oordeel dat een aanwijzing als hier aan de orde in strijd is met artikel 6.5 van het Bor en derhalve onverbindend is. Gelet op de tekst van artikel 6.5, derde lid, van het Bor dient de gemeenteraad categorieën van gevallen aan te wijzen waarin een verklaring niet is vereist. Een besluit dat een verklaring van geen bedenkingen nooit is vereist, kan niet worden aangemerkt als een aanwijzing van een categorie van gevallen. Daarnaast kan de bevoegdheid tot het maken van uitzonderingen als bedoeld in het derde lid van artikel 6.5 van het Bor naar zijn aard niet worden gebruikt om de hoofdregel, als neergelegd in het eerste lid van dit artikel, geheel te omzeilen.

Gelet op het voorgaande is, nu het besluit van 5 oktober 2010 onverbindend is, een verklaring van geen bedenkingen ingevolge artikel 6.5, eerste lid, van het Bor vereist. Nu deze niet is verleend, was het college niet bevoegd om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo omgevingsvergunning te verlenen.”


In casu heeft de raad van de gemeente Steenwijkerland in zijn vergadering van 7 december 2010 besloten dat in alle gevallen, waarbij met een omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a sub 3º van de Wabo wordt afgeweken van een bestemmingsplan én waarbij verweerder bevoegd gezag is, geen verklaring van geen bedenkingen is vereist.


De rechtbank oordeelt dat, gelet op de hiervoor aangehaalde jurisprudentie, het raadsbesluit van 7 december 2010 onverbindend is, zodat een verklaring van geen bedenkingen op grond van artikel 6:5, eerste lid, van het Bor is vereist. Nu deze niet is verleend, heeft verweerder zich ten onrechte bevoegd geacht om, met toepassing van het bepaalde in artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3º van de Wabo, af te wijken van de beheersverordening.

Het bestreden besluit bevat dan ook een gebrek. Uit de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Afdeling blijkt dat dit gebrek herstelbaar is door middel van het toepassen van een bestuurlijke lus. Of daartoe in casu eveneens de mogelijkheid bestaat, kan de rechtbank pas beoordelen nadat zij de beroepen inhoudelijk heeft behandeld. Immers, het bieden van de mogelijkheid van herstel van een formeel gebrek in deze procedure kan slechts aan de orde zijn indien er geen sprake is van niet-herstelbare materiële gebreken.


7. Eisers hebben voor een groot deel gelijkluidende dan wel elkaar overlappende beroepsgronden ingebracht. De rechtbank zal deze beroepsgronden zo veel mogelijk samenvatten en gezamenlijk bespreken.


Bij bespreking van de afzonderlijke beroepsgronden zal de rechtbank in het midden laten of het relativiteitsvereiste aan één of meerdere eisers kan worden tegengeworpen.


De rechtbank zal zich verder beperken tot de beroepsgronden die relevant zijn voor de oordeelsvorming.


7.1.

Eisers 1, eiseres 3 en eiser 4 stellen dat verweerder niet had mogen volstaan met het opnieuw beslissen op de (oorspronkelijke) aanvraag van 11 april 2011 maar dat een nieuwe aanvraag had moeten worden ingediend. De redenen daarvoor zijn ten eerste dat de oorspronkelijke aanvraag niet ziet op laad- en losactiviteiten, zo blijkt uit de uitspraken van de rechtbank van 29 maart 2013. Ten tweede zijn deze activiteiten sinds 2011 geïntensiveerd c.q. gewijzigd in met name zware transporten.


7.1.1.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat deze beroepsgrond is gebaseerd op een verkeerde lezing van de uitspraken van de rechtbank. De rechtbank heeft de omgevingsvergunning van 3 augustus 2012 vernietigd omdat verweerder in zijn besluitvorming ten onrechte niet had onderkend dat het laden en lossen in strijd is met de bestemming “Verkeersgebied” in het destijds geldende bestemmingsplan “Giethoorn 1994”. Dat de aanvraag niet zou zien op laden en lossen is door de rechtbank niet gesteld en is voorts onjuist.


Verder overweegt de rechtbank dat in de thans bestreden omgevingsvergunning de maximale omvang van het vergunde laden en lossen is neergelegd in de voorschriften, verbonden aan deze vergunning. Indien mocht blijken dat het feitelijke gebruik ruimer/meeromvattend is dan het vergunde gebruik, betreft dit een handhavingsaspect. Dit ligt thans niet voor.


Nu er geen sprake is van wijzigingen (en dus ook niet van wijzigingen van meer dan ondergeschikte aard) kon verweerder wederom beslissen op de aanvraag zoals deze op

11 april 2011 bij hem is binnengekomen.


Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.


7.2.

Eisers 1, eiseres 3 en eiser 4 stellen dat de strijd met de beheersverordening groter is dan waarvan verweerder is uitgegaan in de ruimtelijke onderbouwing. In dat kader stellen eisers 1 ten eerste dat de laad- en losactiviteiten zijn omschreven in het akoestisch rapport van Cauberg-Huygen op pagina 5. Verweerder gaat daarentegen uit van een meer beperkt gebruik, te weten het vervoeren van chalets. Ten tweede heeft verweerder niet onderkend dat het project tevens in strijd is met de waterbestemming. Verweerder heeft dan ook verzuimd om expliciet af te wijken van deze bestemming.

7.2.1.

De rechtbank overweegt als volgt.


Dat de omgevingsvergunning voor de activiteit ‘strijdig gebruik’ enkel ziet op het laden en lossen van chalets, zoals eisers 1, eiseres 3 en eiser 4 veronderstellen, is niet juist. Dit onjuiste standpunt is gebaseerd op een verkeerde lezing van de ruimtelijke onderbouwing, en dan met name paragraaf 2.4 op pagina 10. Hierin staat vermeld dat de toegenomen laad- en losactiviteiten leiden tot een verkeersonveilige situatie en overlast voor omwonenden, waardoor verweerder besloten heeft de situatie qua infrastructuur aan te passen dan wel te optimaliseren. De toegenomen laad- en losactiviteiten, grotendeels bestaande uit het laden en lossen van chalets, waren dan ook aanleiding voor verweerder om de omgevingsvergunning te verlenen. Dit betekent evenwel niet dat slechts dit toegenomen gebruik wordt bestreken door de verleende omgevingsvergunning, zoals eisers 1, eiseres 3 en eiser 4 veronderstellen. De omgevingsvergunning, voor zover deze ziet op de activiteit ‘strijdig gebruik’, ziet op het afwijken van de beheersverordening voor zover het project daarmee in strijd is. De rechtbank verwijst in dit kader naar paragraaf 3.4, pagina’s 21 en 22, van de ruimtelijke onderbouwing. In paragraaf 3.4.1. heeft verweerder expliciet aangegeven met welke bestemmingen uit de beheersverordening het project in strijd is. De omgevingsvergunning voor ‘strijdig gebruik’ strekt zich dan ook uit over al deze genoemde strijdigheden.


In paragraaf 3.4.1 heeft verweerder de bestemming “Water” niet genoemd. De rechtbank onderschrijft verweerders standpunt, zoals neergelegd in zijn verweerschrift, dat het vervoeren van goederen over water in overeenstemming is met de bestemming “Water” zoals die is opgenomen in de beheersverordening.


Voor de volledigheid wijst de rechtbank partijen op de uitspraak van de Afdeling van

25 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:890. De relevante overweging is de navolgende.

“5.1. In het in bezwaar gehandhaafde besluit van 27 april 2012 heeft het college omgevingsvergunning voor het bouwplan verleend in afwijking van het bestemmingsplan. De rechtbank heeft terecht geconstateerd dat in dit besluit niet alle onderdelen van het bouwplan zijn vermeld die in strijd zijn met het bestemmingsplan. De rechtbank heeft in deze enkele omstandigheid evenwel ten onrechte aanleiding gezien om het besluit op bezwaar te vernietigen. Daarbij is van belang dat niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en het college bevoegd is de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen. Verder is niet gebleken dat bij het college of een van de andere partijen onduidelijkheid heeft bestaan over de aard en omvang van het bouwplan waarvoor de omgevingsvergunning is verleend.”


Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.


7.3.

Eisers 2 stellen dat een deel van het project wordt gerealiseerd op grond die bij hen in eigendom is. Eisers 2 zijn niet bereid tot grondruil. Ter zitting hebben eisers 2 deze beroepsgrond verduidelijkt. Eisers 2 hebben in dat kader aangevoerd dat, om vrachtwagens te laten draaien/keren op de weg, een (klein) deel van hun inrit moet worden gebruikt.


Verweerder heeft ter zitting meegedeeld dat hij heeft voorgesteld om de inrit bij de woning van eisers 2 op zijn kosten te laten opknappen, maar dat dit niet betekent dat het project deels wordt gerealiseerd op gronden in eigendom bij eisers 2. Verder heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat dit gebruiken van een deel van de inrit van eisers 2 niet meer zal plaatsvinden nadat het project is gerealiseerd. Het project is niet deels geprojecteerd op die inrit, aldus verweerder. Dat vrachtwagens in de huidige situatie, welke situatie afwijkt van de vergunde situatie, al dan niet gebruik maken van die inrit, staat los van de vergunde situatie die thans in rechte voorligt, aldus verweerder.


7.3.1.

De rechtbank overweegt als volgt.


De Afdeling heeft in haar uitspraak van 20 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1584, het navolgende overwogen.

“8. [appellant A] en [appellant B] betogen voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken dat een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan uitvoering van het bouwplan. Daartoe voeren zij aan dat de berging gedeeltelijk is gesitueerd op gronden die in eigendom aan [appellant A] toebehoren. [appellant A] en [appellant B] verwijzen in dit verband onder meer naar een uitvergroting van een kadastrale tekening, bouwtekeningen, kaarten van een bijpeilactie, de notariële koopakte van [appellant A] en de voormalig eigenaar van zijn woning en de correspondentie met het kadaster.


8.1.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 oktober 2012 in zaak nr. 201200094/1/A1), is voor het oordeel door de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van ontheffing in de weg staat, slechts aanleiding, wanneer deze belemmering een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering aan een activiteit in de weg staat.


Voor een geval als het onderhavige is een privaatrechtelijke belemmering pas evident in evenbedoelde zin, indien zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat in het bouwplan opgenomen bebouwing is voorzien op gronden die in eigendom aan een ander toebehoren en die ander daarin niet berust en ook niet hoeft te berusten.


In dit geval betwisten zowel het college als [vergunninghouder] dat de berging gedeeltelijk is voorzien op het perceel van [appellant A]. Zonder nader onderzoek kan uit de aanvraag, noch uit de door [appellant A] en [appellant B] in dit verband overgelegde documenten worden afgeleid dat in het bouwplan opgenomen bebouwing is voorzien op gronden die in eigendom aan [appellant A] toebehoren. Reeds hierom heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat een privaatrechtelijke belemmering met een evident karakter aan de uitvoering van het vergunde bouwplan in de weg staat.”


In casu betwist verweerder de stelling van eisers 2 dat het project deels wordt gerealiseerd op grond bij hen in eigendom. Zonder nader onderzoek kan uit de stukken niet worden afgeleid of het project deels is voorzien op gronden die aan eisers 2 toebehoren. Van een privaatrechtelijke belemmering met een evident karakter die aan de uitvoering van het vergunde project aan de weg staat, is in elk geval geen sprake.


Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.


7.4.

Eisers 1, eiseres 3 en eiser 4 stellen dat verweerder het positieve advies van de welstands- en monumentencommissie niet aan zijn besluitvorming ten grondslag had mogen leggen. Ten eerste is dit advies al drie jaren geleden afgegeven. Ten tweede is bij deze advisering geen specifieke aandacht besteed aan het laden en lossen in deze omgeving omdat ten tijde van deze advisering het standpunt werd gehuldigd dat dat gebruik paste in het bestemmingsplan. Eiseres 3 en eiser 4 stellen dat het beschermde karakter van het rijksmonument Kerkweg [nummer] niet voldoende is meegenomen in de besluitvorming. Eisers 5 stellen dat de verleende omgevingsvergunning zich niet verdraagt met het beschermde dorpsgezicht.


7.4.1.

De rechtbank overweegt als volgt.


Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling toetst de welstandscommissie een bouwplan aan de hand van de criteria in de welstandsnota aan redelijke eisen van welstand. Zij heeft zich daarbij in beginsel te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt dan wel, indien het bouwplan daarvan afwijkt, die waaraan verweerder planologische medewerking wenst te verlenen (onder meer de Afdeling 5 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2504). Dit betekent dat het ter plaatse geldende bestemmingsplan dan wel de inhoud van een afwijkingsbesluit (meer specifiek: omgevingsvergunning voor afwijken) voor de welstandscommissie in beginsel een gegeven is. De welstandsadvisering mag dan ook hetgeen het bestemmingsplan dan wel het afwijkingsbesluit mogelijk maakt, niet illusoir maken.


Deze jurisprudentie is, naar het oordeel van de rechtbank, niet (onverkort) van toepassing op het afwijken van een bestemmingsplan waarin de beschermde status van een beschermd stads- en dorpsgezicht is neergelegd. Indien een project in overeenstemming is met het bestemmingsplan (en dus in overeenstemming is met de beschermde status) dient de advisering dit bestemmingsplan in beginsel als gegeven te beschouwen. Indien daarentegen een project niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan (waardoor een afwijkingsbesluit is vereist) dient de welstands- en monumentencommissie te bezien of dit afwijkingsbesluit afbreuk doet aan deze beschermde status. Indien daarvan sprake is, dient deze commissie hieromtrent negatief te adviseren. De inhoud van een afwijkingsbesluit is in beginsel voor de welstands- en monumentencommissie dan ook geen gegeven. De rechtbank vindt steun voor dit standpunt in de uitspraak van de Afdeling van 2 december 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU7055.


De locatie waarop het project ziet is gelegen in het beschermd stads- en dorpsgezicht van Giethoorn. Daarom heeft verweerder het project ter advisering voorgelegd aan de welstands- en monumentencommissie.


In casu blijkt uit de stukken (met name pagina’s 8 en 9 van het verweerschrift en gedingstuk 2), nader toegelicht ter zitting, dat de welstands- en monumentencommissie op 25 mei 2010 een advies heeft uitgebracht over een eerder plan. Dit advies was negatief met betrekking tot de monumentale waarden. Deze commissie heeft aangegeven dat er een groenere invulling dient te komen, aangevuld met een meer traditioneel materiaalgebruik. Het plan is aangepast en wederom voorgelegd aan deze commissie. Op 18 maart 2011 is wederom negatief geadviseerd. Dit negatieve advies betrof detailaanpassingen. Een derde (aangepast) plan is aan de welstands- en monumentencommissie voorgelegd. In het advies van 1 april 2011 heeft deze commissie aangegeven dat het plan is aangepast conform de opmerkingen van de commissie en dat dit plan niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van monumentale waarden en tevens niet in strijd is met redelijke eisen van welstand.


Dit (laatste) advies is afgegeven ten behoeve van de omgevingsvergunning d.d. 3 augustus 2012. Deze omgevingsvergunning is door de rechtbank vernietigd omdat, kort samengevat, verweerder niet had onderkend dat het laden en lossen zich niet verdraagt met de bestemming “Verkeersgebied”.


Verweerder heeft geen (nieuw) advies gevraagd ten behoeve van de thans in rechte voorliggende omgevingsvergunning d.d. 12 juni 2014. De rechtbank zal thans beoordelen of verweerder heeft kunnen volstaan met het verwijzen naar de hiervoor aangehaalde eerdere advisering dan wel dat verweerder een nieuw advies van de welstands- en monumentencommissie had moeten vragen. Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende.


In casu heeft verweerder het project ter advisering voorgelegd aan de welstands- en monumentencommissie. Ten tijde van de advisering stelde verweerder zich op het standpunt dat het laden en lossen in overeenstemming is met de (gebruiksregels) van het bestemmingsplan. De advisering door de welstands- en monumentencommissie diende zich, voor wat betreft het laden en lossen, te conformeren aan het bestemmingsplan. Het ligt dan ook binnen de lijn der verwachting dat de welstands- en monumentencommissie in haar advisering niet expliciet heeft bezien of het laden en lossen zich verdraagt met de beschermde status, zoals neergelegd in het bestemmingsplan. Door de uitspraak van de rechtbank Oost Nederland van 29 maart 2013 staat vast dat het laden en lossen niet in overeenstemming is met het (toenmalige bestemmingsplan en thans) de beheersverordening, zodat een omgevingsvergunning voor afwijken is vereist. Dit vergt een specifiek advies of, door dit afwijken, al dan niet afbreuk wordt gedaan aan de beschermde status die in de beheersverordening is opgenomen. Dit specifieke advies is evenwel na voornoemde uitspraak van de rechtbank niet gevraagd.


De rechtbank oordeelt dan ook dat niet afdoende is onderzocht of het afwijken van de beheersverordening afbreuk doet aan het beschermd stads- en dorpsgezicht. Dit betreft een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek.


Deze beroepsgrond slaagt.


7.5.

Eisers 1, eisers 2, eiseres 3, eiser 4 en eisers 5 stellen dat er een verkeersonveilige situatie wordt gecreëerd vanwege de duur van het laden en lossen, het blokkeren van de openbare weg, het gebrek aan parkeerplaatsen en aangemeerde pontons. Er is geen alternatieve route voor hulpdiensten. De speelplaats is onveilig gesitueerd vanwege het zware verkeer dat gebruik maakt van de loswal. Er maken veel scholieren gebruik van de route langs de loswal. Er worden 12-15 gedoogde parkeerplaatsen opgeofferd voor 5 aan te leggen parkeerplaatsen. Eisers 2 stellen dat voorwaarde 3, verbonden aan de omgevingsvergunning, niet zal worden nageleefd. In dit kader verwijzen eisers 2 naar het handelen van de gebruikers van de laad- en losplaats (aannemers en werklieden) in het verleden. Verder stellen eisers 2, eiseres 3 en eiser 4 dat deze laad- en losplaats door de gebruikers er van ook niet als een werkbare oplossing wordt gezien. Dit nodigt uit tot handelen in strijd met de omgevingsvergunning.


7.5.1.

De rechtbank overweegt als volgt.


De Kerkweg is, voor wat betreft gemotoriseerd verkeer, een doodlopende weg. Immers, deze weg gaat ten zuiden van de laad- en losplaats over in een fietspad. Dit heeft tot gevolg dat het vrachtverkeer dat goederen aanvoert om te laden/lossen, op de Kerkweg moet keren.


Ter zitting is een filmpje (met een speelduur van ruim acht minuten) bekeken. Dit filmpje is gemaakt door eisers 2, deels vanuit hun woning, deels vanaf hun inrit en deels vanaf de Kerkweg. Alhoewel een film een weergave van momentopnamen van de huidige situatie - die afwijkt van de vergunde situatie - betreft en dan ook niet representatief voor de feitelijke situatie behoeft te zijn, geeft het ter zitting getoonde filmmateriaal een beeld van met name het gebrek aan ruimte ter plaatse van de laad- en losplaats. Dit klemt met name als er grote goederen moeten worden geladen en gelost, zoals complete chalets, en als grote vrachtwagencombinaties moeten keren op de Kerkweg.


Om dit keren te faciliteren voorziet het project in de aanleg van een keerlus.


Ter zitting heeft de heer De Boer (hierna: De Boer), een ondernemer die gebruik maakt van de laad- en losplaats, het woord gevoerd. Hij deelde, samengevat weergegeven, mee dat de vergunde keerlus alleen geschikt is voor kleine vrachtwagens. Grotere vrachtwagens, bijvoorbeeld voor het aanvoeren van chalets, moeten nog steeds keren op de weg, aldus De Boer.


Dat de vergunde keerlus niet geschikt is voor grote vrachtwagencombinaties is door verweerder niet bestreden. Verder heeft verweerder ter zitting desgevraagd meegedeeld dat de nabij gelegen campings (nagenoeg) niet zijn te bereiken over de openbare weg. De eigenaren/beheerders van deze campings willen hun toeristische aanbod aanpassen aan de gewijzigde vraag naar meer luxe. Dit krijgt onder meer gestalte middels het vervangen van de bestaande verblijfsrecreatieve voorzieningen door grotere en luxere chalets. Het aantal nog te transporteren chalets bedraagt circa 400 stuks.


Op basis van de stukken, het getoonde filmmateriaal en hetgeen partijen en De Boer ter zitting hebben aangevoerd, concludeert de rechtbank dat er sprake is van een intensief gebruik van de Kerkweg in verband met de aanwezigheid van de loswal. Uit de ter zitting bekeken luchtfoto blijkt dat de Kerkweg een smalle weg is. Niet alleen zal er een groot aantal chalets worden geladen en gelost, naast de andere zaken die ook via de loswal getransporteerd worden, maar het laden en lossen aan een doodlopende weg heeft mede tot gevolg dat het aantal verkeersbewegingen twee keer zo groot is dan indien er sprake zou zijn van een doorgaande weg. Immers, aanrijdende vrachtauto’s keren en rijden vervolgens dezelfde route terug.


De keerlus zou de overlast van deze kerende bewegingen moeten verminderen. De vergunde keerlus is evenwel te klein voor het kunnen keren met grote vrachtwagens, zoals die bijvoorbeeld gebruikt worden bij het laden en lossen van chalets. Deze grote vrachtwagens moeten dan ook keren op de Kerkweg door middel van insteken in de keerlus en achterwaarts de Kerkweg opdraaien. Op die momenten is de Kerkweg in zijn geheel afgesloten.


De rechtbank oordeelt dat, gelet op de (geringe) breedte van de Kerkweg, het feit dat de Kerkweg (voor wat betreft gemotoriseerd verkeer) een doodlopende weg is, het intensieve gebruik van de laad- en loswal (bouwmaterialen en 400 chalets), de daarmee samenhangende grootte van de vrachtwagens en het feit dat de vergunde keerlus ontoereikend is voor dergelijke grote vrachtwagens, de vergunde situatie resulteert in een verkeersonveilige situatie.


Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de gemeentelijke verkeerscommissie een positief advies heeft uitgebracht en dat hij zich hierop baseert. De rechtbank stelt vast dat dit advies niet als gedingstuk is ingebracht. Gelet hierop kan de rechtbank niet toetsen of inderdaad het gestelde positieve advies is uitgebracht. Voorts is evenmin duidelijk op basis van welke informatie die commissie tot haar advies is gekomen. Tussen de gedingstukken bevindt zich wel een ongedateerde (en niet ondertekende) brief van Veilig Verkeer Nederland (hierna: VVN). Daaruit komt naar voren dat deze organisatie ter zake van dit onderwerp heeft geparticipeerd in de beraadslagingen en het positieve standpunt heeft onderschreven, althans heeft onderschreven dat de verkeersveiligheid met dit ontwerp gebaat is en het meest haalbare is. Dit advies ziet op dat wat op 28 januari 2011 in de commissie is besproken. Naar het oordeel van de rechtbank geeft de summiere tekst van deze brief onvoldoende blijk van de afwegingen die binnen de verkeerscommissie zijn gemaakt noch van welke informatie (bijvoorbeeld welk plan heeft voorgelegen) ter tafel is gekomen. Daarmee is onvoldoende duidelijk geworden of de verkeerscommissie zich voldoende bewust is geweest van de verkeersproblemen die zich ook na realisering van het project zouden kunnen gaan voordoen.


Deze beroepsgrond slaagt.


7.6.

Eisers 1, eisers 2, eiseres 3, eiser 4 en eisers 5 stellen, samengevat weergegeven, dat er sprake is van geluidsoverlast en dat niet aan wettelijke geluidnormen kan worden voldaan. Het geluidsniveau verdraagt zich niet met de rustige omgeving, aldus eisers. Eisers 2 stellen verder dat ter plaatse van hun woning (nummer [nummer] ) het woon- en leefklimaat op onaanvaardbare wijze wordt aangetast.


Op verzoek van de rechtbank heeft de StAB haar geadviseerd. De StAB heeft, samengevat weergegeven, gesteld dat de vergunde activiteiten bij de woning Kerkweg [nummer] resulteren in (ernstige) geluidhinder.


Verweerder heeft bij brief van 3 september 2015 de conclusies van de StAB bestreden.


7.6.1.

De rechtbank overweegt als volgt.


Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 25 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2306) dient de bestuursrechter, gelet op de beleidsvrijheid van het bestuursorgaan, terughoudend te toetsen of het bestuursorgaan ten aanzien van het aspect geluid heeft kunnen aannemen dat aan de ruimtelijke voorwaarde van een acceptabel woon- en leefklimaat wordt voldaan. Voor wat betreft geluid betekent dit dat het bestuursorgaan hierbij in redelijkheid mag aansluiten bij de waarden zoals opgenomen in het Activiteitenbesluit. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:120. Hierbij is het heersende achtergrondgeluid niet van belang, behoudens in bijzondere situaties.


Anders dan verweerder stelt, hanteert ook de StAB in haar rapportage dit uitgangspunt.


In de rapportage van de StAB wordt ingegaan op de relatie tussen omgevingsgeluid en het toevoegen van een geluidsbron aan deze omgeving bij de beoordeling of er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat, mede in het licht van de systematiek van het Activiteitenbesluit ten aanzien van geluid, de standaard grenswaarde van 50 dB(A) en het vaststellen van hogere en lagere grenswaarden. Indien de waarden van het Activiteitenbesluit worden overschreden, dient er gemotiveerd te worden waarom er ook in die situatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In ieder geval ten aanzien van de woning aan de Kerkweg [nummer] is sprake van een overschrijding van de waarden uit het Activiteitenbesluit ten aanzien van het piekgeluid in de normale bedrijfssituatie en van een overschrijding van de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit in de regelmatige afwijking van de bedrijfssituatie en de incidentele bedrijfssituatie.


Ten aanzien van het piekgeluid overweegt de rechtbank het volgende.


Voor de woning Kerkweg [nummer] geldt dat in de representatieve bedrijfssituatie voor de dagperiode sprake is van een overschrijding van het maximale geluidsniveau (piekgeluid) van 8 dB(A). Het piekgeluid kan uitkomen op 78 dB(A), daar waar 70 dB(A) is toegestaan, aldus de berekeningen van verweerder. De afwijking ten aanzien van de piekgeluiden wordt volgens verweerder veroorzaakt door de achteruitrijsignalering van vrachtwagens, manoeuvres van de bus, tractoren en de pontonaandrijving. Dit zijn verkeersbewegingen die voor het grootste deel direct gerelateerd zijn aan de laad- en losactiviteiten op de loswal, in het bijzonder nu de Kerkweg ten zuiden van de loswal overgaat in een weg die enkel toegankelijk is voor fietsers en het vrachtverkeer dus slechts om een beperkt aantal redenen op de Kerkweg behoeft te zijn. Daarnaast is de keerlus, zoals opgenomen in het bestreden besluit, onvoldoende ruim om ook grote vrachtwagens te laten keren zonder dat zij achteruit hoeven te rijden. Piekgeluiden van de achteruitrijsignalering zijn derhalve in de nieuwe situatie juist te verwachten van verkeer dat nabij Kerkweg [nummer] manoeuvreert ten behoeve van laad- en losactiviteiten.


Verweerder stelt dat een afwijking van de geluidsnormering van het Activiteitenbesluit, als het gaat om piekgeluid, niet impliceert dat er geen sprake meer is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Verweerder verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling van

18 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1172. Uit deze uitspraak blijkt echter dat er in een dergelijke situatie wel aanvullend gemotiveerd dient te worden waarom er in dat specifieke geval toch sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Verder is in de casus die ten grondslag lag aan die uitspraak, door het bevoegd gezag niet alleen aan het Activiteitenbesluit getoetst maar zijn ook aanvullende akoestische aspecten meegenomen.

De rechtbank verwijst naar overweging 7.2 van die uitspraak.


Ten aanzien van de regelmatig afwijkende bedrijfssituatie (ABS) en de incidentele bedrijfssituatie (IBS) overweegt de rechtbank het volgende.


De ABS en de IBS worden in de vergunde situatie respectievelijk 52 keer en 12 keer per jaar mogelijk gemaakt. Op deze wijze is door verweerder gekozen voor een maximale invulling van de ruimte voor bijzondere bedrijfssituaties die een zwaardere geluidbelasting veroorzaken zoals opgenomen in het Activiteitenbesluit. In de ABS is er, volgens de berekeningen van verweerder, sprake van een overschrijding van het langtijdgemiddelde geluidniveau van 6 dB(A) en bij de IBS is er sprake van een afwijking van 15 dB(A). Verweerder heeft gesteld dat bij de beoordeling van de vraag of ook met deze overschrijdingen van de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit nog sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat, geen rekening gehouden hoeft te worden met omgevingsgeluid.


Zoals ook door de StAB wordt gesteld, kunnen op grond van artikel 2.20 van het Activiteitenbesluit hogere of lagere grenswaarden dan de standaard geluidgrenswaarden van 50 dB(A) etmaalwaarde worden opgelegd, waarbij in beginsel het omgevingsgeluid bepalend is voor de mate van afwijking van de standaardnorm. Van het afwijken van de standaardwaarden is ook sprake in artikel 2.20, zesde lid, van het Activiteitenbesluit. Niet valt in te zien waarom in dat geval het omgevingsgeluid niet meer van belang zou zijn (zoals ook door de StAB wordt geconcludeerd) mede gezien de verwijzing naar paragraaf 5.3 van de Handreiking die in de Nota van Toelichting bij dit artikel is opgenomen.


Ten aanzien van Kerkweg [nummer] dient derhalve nader gemotiveerd te worden waarom hier nog steeds sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ondanks de overschrijdingen van het maximale piekgeluid bij de normale bedrijfssituatie, en de grenswaarden bij de regelmatige en incidentele afwijking van de bedrijfssituatie, waarbij ook omgevingsgeluid van belang kan zijn. Hoewel de rechtbank verweerder kan volgen in zijn standpunt dat de kwalificatie van het gebied als beschermd stads- en dorpsgezicht niets zegt over de geluidbelasting van het gebied, onderschrijft zij verweerders stelling - dat het hier een gemengd gebied betreft met bedrijvigheid in de nabije omgeving - niet. Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van een rustige omgeving met een landelijk karakter, zoals ook is gebleken uit de ter zitting bekeken luchtfoto van het gebied. De enige bedrijvigheid in de directe omgeving van de woning Kerkweg [nummer] is afkomstig van de loswal.


Een afwijking van de waarden van het Activiteitenbesluit als gevolg van een ruimtelijk besluit behoeft niet te leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat indien er maatregelen worden genomen om de geluidbelasting zoveel mogelijk te beperken.

Van dergelijke maatregelen is in het bestreden besluit echter geen sprake. De mogelijkheid om af te wijken van de normale bedrijfssituatie wordt binnen de mogelijkheden van het Activiteitenbesluit maximaal gefaciliteerd en van toezicht op de aan de melding verbonden gedragsvoorschriften door de drijver van de inrichting is, zoals ter zitting is gebleken, geen sprake. In dit kader verwijst de rechtbank naar mededelingen van De Boer ter zitting, waarin deze een toelichting heeft gegeven op het thans reeds ingevoerde meldsysteem. De Boer deelde, samengevat weergegeven, mee dat dit systeem rigide is omdat een ondernemer (daags) van te voren al moet aangeven op welk tijdstip precies en wat dan exact wordt geladen en/of gelost. In de praktijk is dit niet zo nauwkeurig te plannen waardoor er in afwijking van hetgeen is gemeld wordt geladen en gelost.


Nu de laad- en losactiviteiten door wisselende partijen zullen worden uitgevoerd, en er vanwege de ter zitting toegelichte grote logistieke operatie ten aanzien van de vervanging van chalets sprake is van een grote druk op het gebruik van de loswal, is onvoldoende verzekerd dat deze maatregelen zullen leiden tot een beperking van de geluidoverlast tot een niveau dat nog kan gelden als een 'acceptabel woon- en leefklimaat'. De motivering dat de loswal economisch noodzakelijk is voor de gemeenschap, kan niet tot een ander oordeel over de specifieke geluidsituatie leiden.


De rechtbank concludeert dat er sprake is van ernstige geluidhinder ten gevolge van de bij het bestreden besluit vergunde ruimtelijke ontwikkeling, in een verder rustige omgeving met een landelijk karakter. De woning Kerkweg [nummer] zal in de vergunde situatie zeer regelmatig geconfronteerd worden met ernstige geluidhinder, zonder dat er afdoende maatregelen zijn genomen om deze overlast tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen. Er is dan ook geen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.


Deze beroepsgrond slaagt.


8. Samenvattend oordeelt de rechtbank dat verweerder zich ten onrechte bevoegd heeft geacht om af te wijken van de beheersverordening op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c, juncto artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3º van de Wabo. Het herstellen van dit formele gebrek middels een bestuurlijke lus is geen optie omdat het bestreden besluit eveneens drie materiële gebreken kent. Dit betreft het oordeel van de rechtbank dat niet afdoende is onderzocht of het afwijken van de beheersverordening afbreuk doet aan het beschermd stads- en dorpsgezicht, het oordeel van de rechtbank dat de vergunde situatie resulteert in een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat in de woning Kerkweg [nummer] en het oordeel van de rechtbank dat de vergunde situatie resulteert in een verkeersonveilige situatie. Herstel van het formele gebrek middels een bestuurlijke lus resulteert dan nog steeds in het oordeel dat verweerder in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn afwijkingsbevoegdheid.


Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Verweerder zal een nieuwe beslissing op de aanvraag moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Gelet op de complexiteit van de besluitvorming zal de rechtbank hiervoor geen termijn stellen.


Met betrekking tot deze nieuw te nemen beslissing op de aanvraag merkt de rechtbank nog het volgende op. Ter zitting zijn de door eisers aangedragen alternatieve locaties voor het realiseren van een loswal aan de orde gekomen. Verweerder heeft die alternatieve locaties tot op heden tegen de achtergrond van de naar zijn mening aanwezige gebruiksmogelijkheden van de in geding zijnde loswal beoordeeld. Gelet op hetgeen in deze uitspraak is overwogen met betrekking tot de gebruiksmogelijkheden van de in geding zijnde loswal, zoals voorzien in het vergunde project, ligt het in de rede dat verweerder zich bij de nieuw te nemen beslissing op de aanvraag nader beraadt op de genoemde alternatieven.


9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt. Voor eisers 1, eisers 2, eiser 4 en eisers 5 is dit € 165,-. Voor eiseres 3 is dit € 328,-.


10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand aan eisers 1 vast op € 980,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1). Eiser 4 komt niet in aanmerking voor vergoeding van kosten voor rechtskundige bijstand. De reden daarvoor is ten eerste dat zijn gemachtigde zich pas in een later stadium in deze procedure heeft gevoegd. Het beroepschrift is dan ook door eiser 4 zelf opgesteld. Voorts heeft zijn gemachtigde hem niet bijgestaan ter zitting.


De reiskosten voor het bijwonen van de zitting worden eveneens vergoed. Eisers 1, eisers 2 en eiseres 3: € 35,08. Eiser 4: € 17,54. Eisers 5: €84,-.




Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep, voor zover ingediend door [naam 2] , niet-ontvankelijk;

- verklaart de overige beroepen gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuwe beslissing te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht aan eisers 1, eisers 2, eiser 4 en eisers 5, telkenmale € 165,-, te vergoeden;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 328,- aan eiseres 3 te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers 1 tot een bedrag van € 1015,08;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers 2 tot een bedrag van € 35,08;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres 3 tot een bedrag van € 35,08;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser 4 tot een bedrag van € 17,54;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers 5 tot een bedrag van € 84,-.



Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, voorzitter, en mr. J.H. Keuzenkamp en mr. R.M. Fieten, leden, in aanwezigheid van mr. A.E.M. Lever, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op








griffier voorzitter



Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.