Rechtbank Overijssel, 15-10-2015 / 08.730239-15 (P)


ECLI:NL:RBOVE:2015:4646

Inhoudsindicatie
Een 19-jarige man uit Zwolle is voor een poging zware mishandeling veroordeeld tot een taakstraf van 120 uur en een voorwaardelijke celstraf van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaar. De man sloeg het slachtoffer, een vriend van hem, met de vuist in het gezicht. Toen het slachtoffer op de grond viel sloeg en schopte hij hem. De reden was het contact tussen de ex-vriendin van de man en het slachtoffer. De rechtbank rekent het de man aan dat hij zonder uitleg te vragen over het contact met zijn ex-vriendin, gelijk met kracht heeft uitgehaald en daardoor de kaak van zijn nietsvermoedende vriend heeft gebroken. De man moet ook een schadevergoeding betalen van iets meer dan 1.600 euro.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-10-15
Publicatiedatum
2015-10-15
Zaaknummer
08.730239-15 (P)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht


Zittingsplaats Zwolle


Parketnummer: 08.730239-15 (P)

Datum vonnis: 15 oktober 2015


Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:


[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,


1Het onderzoek op de terechtzitting


Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

1 oktober 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. T. Klooster en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. R. van Veen, advocaat te Utrecht, naar voren is gebracht.


2De tenlastelegging


De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

[slachtoffer] (zwaar) heeft mishandeld.


Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:


primair

hij op of omstreeks 15 april 2015, in de gemeente Zwolle, aan een persoon, genaamd [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kaak en/of gebitschade, heeft toegebracht,

- door genoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met geschoeide voet in het gezicht en/of tegen het hoofd te schoppen en/of te trappen, en/of

- door genoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met de al dan niet tot vuist gebalde hand in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of te stompen en/of te slaan;


subsidiair

hij op of omstreeks 15 april 2015, in de gemeente Zwolle, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, genaamd [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk genoemde [slachtoffer]

- meermalen, althans eenmaal, met geschoeide voet in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of (elders) tegen het (boven)lichaam heeft geschopt en/of getrapt, en/of

- genoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met de al dan niet tot vuist gebalde hand in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of (elders) tegen het lichaam heeft gestompt en/of geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair

hij op of omstreeks 15 april 2015, in de gemeente Zwolle, een persoon, genaamd [slachtoffer] , heeft mishandeld door genoemde [slachtoffer]

- meermalen, althans eenmaal, met geschoeide voet in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of (elders) tegen het (boven)lichaam te schoppen en/of te trappen, en/of

- meermalen, althans eenmaal, met de al dan niet tot vuist gebalde hand in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of (elders) tegen het lichaam te stompen en/of te slaan,

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kaak en/of gebitschade, althans enig lichamelijk letsel, ten gevolge heeft gehad.

3De vordering van de officier van justitie


De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het primair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 200 uren, te vervangen door 100 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van twee jaar, met daarbij als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een ambulante behandeling bij forensische psychiatrie Transfore of een soortgelijke instelling. Verder heeft de officier van justitie toewijzing gevorderd van de vordering benadeelde partij van een bedrag van € 2.097,- met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.


4De voorvragen


De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.


5De beoordeling van het bewijs


Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of het tenlastegelegde feit bewezenverklaard kan worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte het feit heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.


5.1

De feiten die niet ter discussie staan


De rechtbank constateert dat de onderstaande feiten bij de behandeling van de zaak op de terechtzitting niet ter discussie hebben gestaan.


Verdachte heeft op 15 april 2015 te Zwolle met gebalde vuist [slachtoffer] een stomp in het gezicht gegeven en, terwijl [slachtoffer] op de grond lag, hem twee of drie maal met geschoeide voet tegen de rug geschopt. Door de vuistslag is de kaak van [slachtoffer] op twee plaatsen gebroken. Eén breuk moest operatief gefixeerd worden, de andere breuk bleek stabiel waardoor fixatie niet nodig was. Gedurende een aantal weken heeft [slachtoffer] alleen vloeibaar voedsel kunnen eten. Na ongeveer zes weken was [slachtoffer] volledig hersteld.


5.2

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging


De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.


De raadsman heeft bepleit dat zijn cliënt van het onder primair en subsidiair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, omdat er geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.


5.3

De bewijsoverwegingen van de rechtbank


De rechtbank constateert dat niet ter discussie staat dat verdachte het slachtoffer [slachtoffer] eenmalig met zijn vuist in het gezicht gestompt heeft en dat hij hem meerdere malen met zijn geschoeide voet tegen de rug getrapt heeft. Deze onderdelen van de tenlastelegging kunnen bewezen worden. Evenmin staat ter discussie de vraag of verdachte het slachtoffer tegen het hoofd heeft getrapt. De rechtbank heeft voor die handeling, net als de officier van justitie en de verdediging, onvoldoende bewijsmiddelen in het dossier aangetroffen. De rechtbank zal verdachte dan ook van dit onderdeel vrijspreken.


Een vraag die wel beantwoord moet worden is of verdachte het slachtoffer geslagen heeft op het moment dat het slachtoffer op de grond lag.


Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij niet meer weet wat hij precies heeft gedaan tussen het moment van de vuistslag en het moment van het trappen tegen de rug. Wel weet hij dat toen het slachtoffer op de grond lag, deze zijn armen voor zijn hoofd had, waardoor hij hem niet meer op zijn hoofd kon raken.

Het slachtoffer heeft verklaard dat hij, toen hij op de grond lag, zijn armen ter bescherming voor zijn hoofd heeft gehouden en dat hij pijn aan zijn hoofd voelde doordat verdachte doorging met schoppen en slaan tegen onder andere zijn hoofd. Getuige [getuige] heeft gezien dat verdachte over het slachtoffer heen gebogen stond en dat hij slaande bewegingen maakte.


Op grond van deze verklaringen gaat de rechtbank er van uit dat verdachte heeft geprobeerd om het slachtoffer op zijn hoofd te slaan toen hij op de grond lag, maar dat hij hem daarbij op of tegen zijn armen geraakt heeft. Omdat het slachtoffer op dat moment zijn armen voor zijn hoofd hield, moet het raken van zijn armen gevoeld hebben alsof hij tegen zijn hoofd geslagen werd. De rechtbank is hierdoor van oordeel dat het onderdeel slaan/stompen elders tegen het lichaam bewezen kan worden.


De laatste vraag die beantwoord moet worden is of het ontstane letsel is te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel.


De rechtbank overweegt dat een dubbele kaakbreuk in combinatie met een noodzakelijke operatie en de omstandigheid dat gedurende enkele weken alleen vloeibaar voedsel kan worden genuttigd, naar algemeen spraakgebruik kan worden beschouwd als zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank moet bij de beoordeling echter niet alleen het algemeen spraakgebruik betrekken, maar ook acht slaan op hetgeen de wetgever als zwaar lichamelijk letsel heeft aangemerkt. De rechtbank moet in dat kader letten op de aard en de ernst van het letsel, de noodzaak en aard van het medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Mede in het licht van de daarover bestaande jurisprudentie en hetgeen in artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is bepaald komt de rechtbank in dit geval tot het oordeel dat van zwaar lichamelijk letsel geen sprake is. De rechtbank heeft daarbij met name gekeken naar de aard van de breuken en het relatief spoedige herstel van het slachtoffer. Vast staat dat het slachtoffer vier weken na het incident weer in staat was om te werken.


Met kracht met gebalde vuist stompen tegen een kwetsbaar lichaamsdeel als het hoofd, levert naar algemene ervaringsregels echter wel de aanmerkelijke kans op dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel, zoals kaakbreuken en/of hersenletsel, zou kunnen bekomen. Ook is het van algemene bekendheid dat ribbreuken en/of orgaanschade bij een trap elders tegen het lichaam kunnen optreden. Verdachte heeft met zijn handelen de kans op dergelijk letsel bewust aanvaard. Verdachte heeft het slachtoffer met dusdanige kracht in het gezicht gestompt, dat daardoor een dubbele kaakbreuk is ontstaan. Bovendien is verdachte, nadat het slachtoffer door de krachtige vuistslag in het gezicht gewond op de grond was gevallen, nog doorgegaan met het slaan en trappen van het slachtoffer. De rechtbank is dan ook van oordeel dat door met kracht te stompen tegen het hoofd en opvolgend (met kracht) te slaan en te schoppen tegen het lichaam van het slachtoffer verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard, dat het slachtoffer daardoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De door de verdachte verrichte handelingen worden door de rechtbank beschouwd als te zijn gericht op voltooiing van het voorgenomen misdrijf.


De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de poging zware mishandeling zoals subsidiair tenlastegelegd bewezen kan worden verklaard.


5.4

De conclusie


De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte primair is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.


De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij op 15 april 2015, in de gemeente Zwolle, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk genoemde [slachtoffer]

- meermalen met geschoeide voet tegen het bovenlichaam heeft getrapt, en

- genoemde [slachtoffer] meermalen, met de al dan niet tot vuist gebalde hand in het gezicht en elders tegen het lichaam heeft gestompt en/of geslagen.


De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.


6De strafbaarheid van het bewezenverklaarde


Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 302 juncto 45 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:


subsidiair

het misdrijf: poging tot zware mishandeling.


7De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.


8De op te leggen straf of maatregel en de gronden daarvoor


Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.


De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf de geldende oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) als uitgangspunt genomen. Het LOVS geeft als oriëntatiepunt voor straftoemeting ten aanzien van zware mishandeling een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank verder rekening gehouden met het uittreksel justitiële documentatie d.d. 26 augustus 2015, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is gekomen.


Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging zware mishandeling van [slachtoffer] . Naar aanleiding van het contact tussen zijn ex-vriendin en het slachtoffer - een vriend van verdachte -, heeft verdachte in plaats van in gesprek te gaan met het slachtoffer, hem in een opwelling van emoties krachtig met zijn gebalde vuist in het gezicht geslagen. Toen het slachtoffer op de grond lag, heeft verdachte hem tegen zijn armen geslagen die hij ter bescherming voor zijn hoofd hield. Voordat verdachte wegliep, heeft hij het slachtoffer nog twee à drie keer tegen zijn rug getrapt. Als gevolg van deze mishandeling heeft het slachtoffer letsel opgelopen, bestaande uit onder meer een op twee plaatsen gebroken kaak. Het slachtoffer heeft daarbij geluk gehad dat de vuistslag tegen zijn hoofd, een zeer kwetsbaar deel van het lichaam, slechts een gebroken kaak opleverde. Naast lichamelijk letsel heeft het voorval echter ook psychische gevolgen gehad voor het slachtoffer, zoals blijkt uit diens vordering benadeelde partij.

De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij zonder uitleg te vragen over het contact met zijn ex-vriendin, gelijk met kracht heeft uitgehaald en daardoor de kaak van zijn nietsvermoedende vriend heeft gebroken.


In het kader van deze strafzaak is een psychologische rapportage over de persoon van verdachte opgemaakt. De psycholoog concludeert dat bij verdachte sprake is van een gedragsstoornis-NAO en een bedreigde ontwikkeling van de persoonlijkheid met narcistische en egocentrische trekken. Door deze problematiek was verdachte, aldus de psycholoog, in verminderde vrijheid keuzemogelijkheden in zijn handelen te overzien en zijn gedrag in overeenstemming daarvan te bepalen ten tijde van het tenlastegelegde. Hij was zich echter wel degelijk bewust van de ontoelaatbaarheid van zijn gedrag. Door de psycholoog wordt geadviseerd om verdachte voor het tenlastegelegde feit verminderd toerekeningsvatbaar te achten.


De rechtbank zal de conclusie van de psycholoog ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid volgen en verdachte daarom voor het bewezen verklaarde feit als verminderd toerekeningsvatbaar beschouwen.


De psycholoog heeft verder gerapporteerd dat verschillende bij verdachte aanwezige risicofactoren, zoals gezichtsverlies, gekrenkte trots, afwijzing door het [ROC-opleiding] en onduidelijk toekomstperspectief, elkaar versterken, waardoor het risico op recidive verhoogd wordt. De psycholoog adviseert, na contact te hebben gehad met de reclassering, om aan verdachte als bijzondere voorwaarden op te leggen de meldplicht en een ambulante behandeling bij Transfore.

De reclassering heeft geadviseerd om voor praktische ondersteuning, ook de bijzondere voorwaarde op te leggen van begeleiding vanuit Creating Balance.

Ter terechtzitting heeft verdachte zich bereid verklaard om zich aan de geadviseerde voorwaarden te houden.


Gelet op de jonge leeftijd van verdachte, de excuusbrief die hij kort na de gebeurtenis aan het slachtoffer heeft geschreven (de brief is eveneens ter terechtzitting voorgelezen), het blanco strafblad en het feit dat de rechtbank niet het voltooide delict bewezen acht, zal de rechtbank verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.


Alles afwegende acht de rechtbank passend om als straf op te leggen een werkstraf voor de duur van 120 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaren, met daaraan gekoppeld de door de deskundigen geadviseerde bijzondere voorwaarden. Het voorarrest zal afgetrokken worden van de gevangenisstraf, mocht deze tot uitvoering komen.


9De schade van benadeelden


9.1

De vordering van de benadeelde partij


[slachtoffer] , wonende te [adres] , heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal

€ 3.614,53, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit de volgende posten:

  • - € 283,00 kosten geneeskundige hulp;
  • - € 56,00 dagvergoeding ziekenhuis;
  • - € 17,89 reis- en parkeerkosten ziekenhuis;
  • - € 13,20 reis- en parkeerkosten ziekenhuis;
  • - € 229,44 loonderving;
  • - € 15,00 uittreksel KvK en

- € 3.000,00 € 3.000,00 immateriële schade.


Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in de vordering ontvankelijk en is de vordering deels gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De opgevoerde schadeposten voor de medische kosten, reiskosten (acht enkele reizen à 7,1 kilometer per reis), uittreksel KvK en loonderving zijn voldoende onderbouwd en aannemelijk, zodat de rechtbank de materiële kosten à € 614,53 geheel zal toewijzen.

De immateriële schade zal de rechtbank matigen tot een bedrag van € 1.000,00, omdat dit bedrag naar het oordeel van de rechtbank past bij de bewezenverklaring van een minder ernstig feit dan het voorbeeld dat het slachtoffer bij de vordering heeft gevoegd. Voor het meer gevorderde zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard, zodat dit deel van de vordering nog bij de burgerlijke rechter aangebracht kan worden.

In totaal zal de rechtbank het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 1.614,53 inclusief de van rechtswege verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.


9.2

De schadevergoedingsmaatregel


De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die is toegebracht.


10De toegepaste wettelijke voorschriften


De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c en 27 Sr.

11De beslissing


De rechtbank:


vrijspraak/bewezenverklaring

  • - verklaart niet bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
  • - verklaart bewezen, dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
  • - verklaart niet bewezen wat aan verdachte subsidiair meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
  • - verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:subsidiair poging tot zware mishandeling;
  • - verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

  • - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;
  • - bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
  • - bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:- omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;- omdat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of omdat de veroordeelde geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden;

- omdat de veroordeelde geen medewerking aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr heeft verleend, medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- omdat de veroordeelde tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

  • - stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich op eerste uitnodiging zal melden bij de reclassering en zich vervolgens zal blijven melden zo frequent en zo lang de reclassering dat gedurende de proeftijd nodig acht;
  • - stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich voor zijn agressie problematiek onder behandeling zal stellen van de forensische polikliniek Transfore of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van zijn behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;
  • - stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich zal laten begeleiden door Creating Balance of een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, ten einde zijn opleiding te continueren of andere passende dagbesteding te hebben;
  • - draagt de reclassering op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

  • - veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 120 uren;
  • - beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen;

schadevergoeding

  • - veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] , wonende te [adres] , van een bedrag van € 1.614,53 (zegge: zestienhonderdveertien euro en drieënvijftig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 april 2015;
  • - veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
  • - legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.614,53, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 april 2015, ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 26 dagen zal worden toegepast;
  • - bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.


Dit vonnis is gewezen door mr. R.A.M. Elbers, voorzitter, mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper en mr. M. van Bruggen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.E. Blauw, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2015.


Mr. Elbers en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen


Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.


Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de Politie Eenheid Oost-Nederland, District IJsselland, Districtsrecherche IJsselland, met registratienummer PL0600-2015183898. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.


1.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 16 april 2015 (pag. 17), onder meer inhoudende:

(…) Ik voelde ineens dat [verdachte] met kracht en kennelijk opzettelijk, waarschijnlijk met de vuist, in mijn gezicht sloeg. (…). Door het slaan van [verdachte] kwam ik op de grond te liggen. Terwijl ik op de grond lag zag en voelde ik dat [verdachte] mij sloeg en schopte. (…)


2.

Het proces-verbaal verhoor getuige [getuige] d.d. 16 april 2015 (pag. 12), onder meer inhoudende:

(…) Ik zag dat er een man op de grond lag en ik zag dat er een man over die man heengebogen stond. (…) Ik zag dat de man die over de andere man heen gebogen stond een lange magere man was van ongeveer 20 jaar. (…) Ik zag dat de lange man die andere man aan het slaan was. (…)


3.

Het (aanvullend) proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 1 mei 2015 (proces-verbaalnummer PL0600-2015183898-22), onder meer inhoudende:

(…) In alle emotie en woede heb ik [slachtoffer] met mijn rechtervuist hem een stoot gegeven op zijn linkerkaak. Ik heb [slachtoffer] opzettelijk een stoot gegeven, maar dat had ik niet van mijzelf verwacht. Wat daarna gebeurde ging allemaal heel snel. Ik zag dat [slachtoffer] naar de grond ging. Ik ging over hem heen bukken en ik heb hem geprobeerd te stompen, maar ik raakte hem niet want hij had zijn armen voor zijn hoofd. Ik stond op en toen heb ik hem nog 2 a 3 trappen tegen zijn rug gegeven toen hij nog op de grond lag. (…)

Vraag: Ik heb je in het eerste verhoor gevraagd hoe je aan de wondjes kwam op je handen. Kun je daar nu over verklaren?

Antwoord: Die zijn er gekomen omdat ik [slachtoffer] heb geslagen. Ik heb op drie plekjes klein wondjes. (…)