Rechtbank Overijssel, 01-05-2015 / 08/710000-15


ECLI:NL:RBOVE:2015:4713

Inhoudsindicatie
Verdachte heeft zijn vriendin mishandeld en tegen haar wil gedurende een viertal dagen van haar vrijheid beroofd gehouden. Door fysiek geweld te gebruiken tegen de vrouw en door tevens psychische en emotionele druk uit te oefenen, haar te verbieden om te vertrekken, voortdurend bij haar in de buurt te blijven en te dreigen dat hij ervoor zou zorgen dat zij haar dochter kwijt zou raken, heeft verdachte haar dusdanig angst ingeboezemd dat zij ervan overtuigd is geraakt dat zowel zijzelf als haar dochter ernstig gevaar liepen als zij geen gehoor gaf aan verdachte’s eisen. Hoewel de ernst van de bewezen verklaarde feiten in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt, zal de rechtbank, gelet op de licht verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte ten tijde van het plegen van de delicten, het in te perken recidivegevaar en de noodzaak van behandeling daarbij, hiertoe niet overgaan. De rechtbank is van oordeel dat oplegging van een langere vrijheidsbenemende straf de noodzakelijke en reeds gestarte behandeling zou doorkruisen. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden plus een onvoorwaardelijke taakstraf van 240 uur. Daarnaast legt de rechtbank een aantal bijzondere voorwaarden op.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-05-01
Publicatiedatum
2015-10-20
Zaaknummer
08/710000-15
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht


Zittingsplaats Almelo


Parketnummer: 08/710000-15

Datum vonnis: 1 mei 2015


Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:


[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1983 in [geboorteplaats] ,

wonende in [woonplaats] , [adres 1] .


1Het onderzoek op de terechtzitting


Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 21 april 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Hermelink en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. U. Ural, advocaat te Enschede, naar voren is gebracht.


2De tenlastelegging


De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:


feit 1: gedurende enkele dagen [slachtoffer] tegen haar wil van haar vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden;

feit 2: [slachtoffer] heeft mishandeld.


Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:


1.

hij in of omstreeks de periode van 30 december 2014 tot en met 2 januari 2015

te Almelo, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft

beroofd en/of beroofd gehouden,immers

- heeft hij tegen die [slachtoffer] gezegd dat zij niet weg mocht, voordat de

blauwe plekken waren verdwenen (van de mishandeling, zie feit 2) en/of

- heeft hij (telkens) die [slachtoffer] verboden weg te gaan en/of haar telefoon

te gebruiken en/of

- ( telkens) tegen haar gezegd dat hij zou zeggen dat zij drugs had gebruikt

waardoor zij niet in staat zou zijn om voor haar dochter te zorgen, zodat

zij haar dochter kwijt zou raken en/of

- is hij voortdurend bij haar in de buurt gebleven, zodat zij niet weg kon,

althans bet gevoel had niet weg te kunnen en/of

- heeft hij anderszins een zodanige druk uitgeoefend en/of angst ingeboezemd

dat die [slachtoffer] niet weg durfde te gaan;



2.

hij op of omstreeks 30 december 2014, althans in de nacht van 29 december

2014 op 30 december 2014, te Almelo, [slachtoffer] heeft mishandeld door

haar (met kracht) tegen haar wang en/of tegen/op haar armen en/of borst te

slaan;


3De vordering van de officier van justitie


De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte, ter zake het onder 1 en 2 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden onvoorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, met toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 2.631,35 en oplegging daarbij van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).


4De voorvragen


De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.


5. De beoordeling van het bewijs


5.1

Feit 1 en feit 2


Het standpunt van de officier van justitie

De officier heeft zich op het standpunt gesteld dat, op basis van de aangifte en de bevestiging van daarmee overeenstemmend letsel blijkend uit de medische verklaring, de van [slachtoffer] genomen foto’s en het feit dat verdachte de mishandeling niet heeft ontkend doch zich slechts op zijn zwijgrecht heeft beroepen, de onder 2 ten laste gelegde mishandeling wettig en overtuigend kan worden bewezen.


Ten aanzien van feit 1 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat ook dit feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Hiertoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat hoewel zwijgen een recht is van verdachte, hij op belangrijke vragen, die als het ware om een verklaring schreeuwen, geen antwoord wil geven. De officier van justitie heeft haar standpunt gebaseerd op de aangifte en de in het dossier aanwezige whatsapp-berichten die tussen [slachtoffer] en haar ex-partner [ex-partner slachtoffer] en tussen [slachtoffer] en [getuige] zijn verzonden, nu [slachtoffer] in deze app-berichten duidelijk heeft aangegeven dat ze tegen haar wil wordt vastgehouden en uit angst voor mogelijke gevolgen niet weg durfde te gaan of de politie durfde te (laten) bellen. Zij hoopte steeds dat verdachte haar toch zou laten gaan, zonder dat er daarna voor haar of haar kind repercussies zouden volgen. Pas toen het haar op 2 januari 2015 duidelijk werd dat verdachte ook toen niet instemde met haar vertrek uit de woning, heeft [slachtoffer] stiekem haar telefoon gepakt en een cryptisch hulpverzoek per whatsapp naar een bekende verzonden, waarna de politie is ingeschakeld. De officier van justitie heeft gesteld dat de omstandigheden in onderhavige zaak sterk lijken op een zaak jegens verdachte van een jaar geleden, waarbij tevens sprake was van mishandeling en het tegen de wil vasthouden van een vrouw. Verdachte is in die zaak voor mishandeling veroordeeld.


De officier van justitie heeft gesteld dat niet kan worden bewezen dat verdachte de onder het eerste gedachtestreepje tenlastegelegde bewoordingen daadwerkelijk heeft gezegd.

Volgens de officier van justitie kan hetgeen onder het tweede, derde en vierde gedachtestreepje is tenlastegelegd wel worden bewezen.


Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft voor de feiten 1 en 2 vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman aangevoerd dat [slachtoffer] tot en met het laatste moment op vrijwillige basis contact had met verdachte, nu [slachtoffer] zelf de deur van de woning van verdachte heeft geopend en zelf naar de inmiddels gearriveerde politie is toegelopen. De raadsman heeft gesteld dat de verklaring van [slachtoffer] niet past bij de uitgelezen whatsapp-berichten.

Verdachte heeft de feiten ontkend en wenst te zwijgen en volgens de raadsman is de specifieke situatie dat een bepaalde omstandigheid schreeuwt om een verklaring niet aan de orde. De raadsman heeft voorts aangevoerd het vreemd te vinden dat [slachtoffer] in een whatsapp-bericht aan [getuige] heeft gezegd dat ze al contact met (politieman) [politieman] heeft gehad en dat [getuige] de politie niet hoefde in te schakelen, maar dat hiervan na een controle van het whatsapp-verkeer tussen [slachtoffer] en [politieman] niet blijkt. Als een punt van ongeloofwaardigheid heeft de raadsman nog aangevoerd dat [slachtoffer] heeft gezegd dat de whatsapp-berichten tussen haar en [getuige] door haar zijn gewist, omdat ze bang was dat verdachte zou gaan flippen als hij de berichten zou zien, maar dat er desondanks whatsapp-berichten in het dossier aanwezig zijn die door de politie zijn uitgelezen en afgedrukt. De raadsman heeft het relaas van [slachtoffer] als feitelijk en aantoonbaar onjuist betiteld.

Voorts heeft de raadsman gesteld dat [slachtoffer] wel gebruik kon maken van haar eigen mobiele telefoon en aldus kon bellen en whatsapp-berichten kon versturen. Het telefoonnummer van verdachte is door hem zelfs afgegeven aan de ex van [slachtoffer] . Volgens de raadsman zou verdachte dat niet doen als hij van plan was om [slachtoffer] tegen haar wil te gijzelen of (langer) vast te houden.

Volgens de raadsman waren er legio momenten, ook in de openbare ruimte, waarop [slachtoffer] weg had kunnen gaan, maar zij heeft dit nagelaten. Dat aangeefster desondanks niet is weggegaan omdat zij psychisch onder druk zou zijn gezet, blijkt volgens de raadsman niet uit het dossier.


Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat er slechts een zogenoemde één op één verklaring is en dat ondersteunend bewijs voor de verklaring van aangeefster ontbreekt.


De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] gedurende de periode van 30 december 2014 tot en met 2 januari 2015 voortdurend bij hem is geweest en dat [slachtoffer] zijn woning heeft verlaten toen hij en [slachtoffer] zagen dat de politie buiten de woning aanwezig was.

[slachtoffer] heeft verklaard zij op 29 december 2014 naar de woning van verdachte is gegaan aan de [adres 1] in [woonplaats] en dat het een leuke en gezellige dag was. [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte die avond cocaïne had gebruikt, veel bier had gedronken en had geblowd. [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte en zij rond 02.00 uur (de rechtbank leest: op 30 december 2014) naar bed wilden gaan en dat verdachte plots begon te flippen en te schelden tegen [slachtoffer] en dat verdachte haar begon te slaan. [slachtoffer] voelde dat verdachte haar sloeg boven haar rechterborst op haar borstkas. [slachtoffer] heeft voorts verklaard dat verdachte haar begon te slaan met zijn vuisten en met kracht op haar rechterwang en haar rechter- en linkerbovenarm. Uit de verklaring van [slachtoffer] volgt dat zij een paar dagen flink pijn heeft gehad en dat zij op beide armen en op haar borstkas aan de rechterkant blauwe plekken heeft en dat de rechterkant van haar gezicht nog licht gevoelig is.

[slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte haar de volgende ochtend, nadat hij wakker werd, uitgebreid heeft bekeken en ook de blauwe plekken heeft gezien en dat [slachtoffer] van verdachte daarna niet meer weg mocht. Volgens [slachtoffer] heeft verdachte tegen haar gezegd: "je mag niet eerder weg, dan dat de blauwe plekken weg zijn." [slachtoffer] heeft voorts verklaard dat verdachte heeft gezegd dat [slachtoffer] nog Oud en Nieuw bij verdachte zou vieren en dat ze op nieuwjaarsdag naar huis mocht. [slachtoffer] heeft voorts verklaard dat zij sinds die dinsdag ook niet meer bij haar telefoon mocht en dat zij die alleen mocht gebruiken als verdachte erbij was. Ook heeft [slachtoffer] verklaard dat verdachte steeds dicht bij haar in de buurt bleef en dat verdachte haar steeds controleerde.

[slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte het ene moment heel lief en attent en zacht was, maar dat hij na een foute blik of een woord met een verkeerde intonatie weer begon te flippen en te schreeuwen dat zij verdachte helemaal gek maakte en het bloed onder zijn nagels vandaan haalde. Volgens [slachtoffer] sloeg verdachte dan vervolgens heel vaak met zijn vlakke rechterhand met kracht op zijn rechteroog en daarbij zei hij dat hij zo een blauw oog kreeg en dan aangifte tegen [slachtoffer] ging doen. [slachtoffer] heeft verklaard dat dit meerdere keren per dag zo ging, dat zij op die momenten bang voor verdachte was en dat ze bang was omdat verdachte onvoorspelbaar was en ze niet wist wanneer verdachte opnieuw zou flippen.

[slachtoffer] heeft ook verklaard dat haar ex-partner (de rechtbank leest: [ex-partner slachtoffer] ) haar heeft gebeld omdat hij de auto terug wilde en vroeg waar [slachtoffer] was. Uit de aangifte volgt dat [slachtoffer] toen vertelde dat ze in Enschede op het werk was, waarop [ex-partner slachtoffer] heeft gezegd dat hij van een vriendin had gehoord dat [slachtoffer] de hele week nog niet op het werk was geweest. [ex-partner slachtoffer] vroeg vervolgens of [slachtoffer] de auto terug kwam brengen of dat hij de politie moest bellen. [slachtoffer] heeft hierop naar eigen zeggen geantwoord: "Dat laatste, dat laatste", waarmee zij hoopte dat [ex-partner slachtoffer] aangifte ging doen en de politie de auto ging zoeken en zo bij [slachtoffer] uit zou komen. [slachtoffer] heeft verklaard dat zij het adres van verdachte waar zij zat al aan [getuige] (de rechtbank lees: [getuige] ) had geappt in de hoop dat hij de politie zou inschakelen.

Uit de aangifte volgt dat [slachtoffer] heeft verklaard dat zij heel lief tegen verdachte was in de hoop dat hij niet weer zou flippen en dat hij haar op enig moment op eigen initiatief zou laten gaan, maar dat dit niet lukte. Verdachte bleef steeds heel dicht bij [slachtoffer] in de buurt en gaf haar geen kans om te vluchten. Volgens [slachtoffer] heeft verdachte haar verteld dat hij er voor zou zorgen dat zij haar dochter kwijt zou raken, als zij zou weggaan. Verdachte zou volgens [slachtoffer] gaan vertellen dat zij ook drugs had gebruikt en dan zou men haar niet in staat vinden voor haar dochter te zorgen en dan zou zij haar dochter kwijt raken. Om die reden en omdat verdachte steeds flipte en [slachtoffer] bang was dat verdachte achter haar aan zou komen en haar van de trap zou kunnen gooien, bleef [slachtoffer] bij verdachte en durfde zij niet weg te gaan, zo heeft zij verklaard.

Voorts heeft [slachtoffer] verklaard dat zij en verdachte elke dag wel weg zijn geweest omdat verdachte elke dag weed moest halen in de coffeeshop, dat zij dan met de Audi naar de wijk Aalderinkshoek in Almelo gingen waar de ouders van verdachte wonen aan de [adres 2] , dat zij vervolgens de auto van verdachtes moeder meenamen en dat zij daarmee dan weed gingen halen bij de Tuinen. Volgens [slachtoffer] reden zij daarna terug en reden dan weer in de Audi naar de woning van verdachte. [slachtoffer] heeft ook verklaard dat zij en verdachte boodschappen deden met de Audi.


In een proces-verbaal van bevindingen is door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] gerelateerd dat [slachtoffer] heeft verteld dat ze een aantal keren heeft aangegeven aan verdachte dat ze weg wilde, dat de voordeur 's nachts op slot ging en dat [slachtoffer] niet wist waar verdachte de sleutel dan liet, alsook dat zij pas naar bed mocht als verdachte ook naar bed ging en dat zodra [slachtoffer] uit bed wilde stappen, verdachte ook gelijk wakker was en haar gelijk vroeg wat ze ging doen. De verbalisanten hebben gerelateerd dat [slachtoffer] voor haar gevoel geen kant op kon en dat verdachte vaak tegen [slachtoffer] heeft gezegd dat hij er voor zou zorgen dat haar dochter van haar afgepakt zou worden en dat ze deze nooit terug zou zien. Op het moment dat verdachte ontdekte dat de politie inmiddels in kennis was gesteld en deze mogelijk zou komen, mocht [slachtoffer] haar spullen pakken en mocht ze weg, zo volgt uit het relaas van de verbalisanten.


[getuige] heeft verklaard dat hij op 31 december 2014 13.30 uur, aan [slachtoffer] (de rechtbank leest: [slachtoffer] ) een whatsapp-bericht heeft gezonden met de vraag hoe het met

haar was en dat hij hierop alleen te horen kreeg "gaat". [getuige] heeft verklaard dat hij [slachtoffer] heeft gevraagd of het wel goed met haar ging, omdat hij nog nooit eerder mee had gemaakt dat zij zo kort in haar antwoorden was. Volgens [getuige] kreeg hij van [slachtoffer] door

dat zij niet kon praten. [getuige] heeft aangegeven dat de hem door de verbalisant getoonde uitdraaien/whatsappjes, gemaakt vanaf de smartphone van [slachtoffer] , de gesprekken zijn die zij samen hebben gevoerd, via whatsapp. [getuige] heeft verklaard dat hij contact heeft gezocht met [ex-partner slachtoffer] (de rechtbank begrijpt: [ex-partner slachtoffer] ), dat [ex-partner slachtoffer] in de woning van [slachtoffer] het nummer van de teamleider (van het werk) van [slachtoffer] heeft opgezocht en vervolgens heeft gebeld en dat de teamleider aangaf dat [slachtoffer] zich had ziek gemeld vanaf dinsdag 30 december 2014. [getuige] heeft voorts verklaard dat hij met [ex-partner slachtoffer] heeft afgesproken dat [getuige] [slachtoffer] nogmaals een whatsapp-bericht zou zenden met hierin duidelijk de mededeling dat, als er voor 19.00 uur geen reactie komt van haar kant, zij de politie zouden inschakelen. Volgens [getuige] heeft [ex-partner slachtoffer] hierop telefonisch contact gehad met [slachtoffer] in welk gesprek [ex-partner slachtoffer] heeft aangegeven dat hij de auto terug moest hebben en dat hij wilde weten waar [slachtoffer] zat en dat [ex-partner slachtoffer] tegen [slachtoffer] heeft gezegd: "vertel nu waar je bent of ik doe nu aangifte van diefstal van mijn auto bij de politie". Volgens [getuige] heeft [slachtoffer] hierop geantwoord "het laatste". [getuige] heeft verklaard dat hij en [ex-partner slachtoffer] daarop gelijk naar het bureau zijn gegaan. Voorts heeft [getuige] verklaard – naar achteraf bleek 's middags om 13.30 uur – app-berichten van [slachtoffer] te hebben ontvangen waarin stond:

[adres 1] " en 10 minuten later "Bel nu [ex-partner slachtoffer] met het adres" en dat deze whatsapp-berichten pas op zijn telefoon is binnen gekomen omstreeks 18.54 uur.


Getuige [ex-partner slachtoffer] heeft verklaard dat hij de ex-man van [slachtoffer] is en dat hij op

2 januari 2015 werd gebeld door [getuige] (de rechtbank leest: [getuige] ) en dat [getuige] vertelde dat hij van [slachtoffer] een berichtje had gehad waarin stond dat zij tegen haar wil werd vastgehouden en dat zij vreesde voor de veiligheid van haarzelf en haar dochter [dochter slachtoffer] . [ex-partner slachtoffer] heeft verklaard dat hij toen heeft besloten te gaan kijken in de flat van [slachtoffer] en om even contact op te nemen met de teamleider van het werk van [slachtoffer] . Volgens [ex-partner slachtoffer] stond er weinig in de koelkast, alleen een oud brood en melk die over de datum was, waaruit [ex-partner slachtoffer] heeft opgemaakt dat [slachtoffer] in ieder geval een paar dagen niet thuis was geweest. [ex-partner slachtoffer] heeft verklaard dat hij contact heeft gehad met de teamleider van [slachtoffer] en dat deze teamleider hem vertelde dat [slachtoffer] zich dinsdag had ziek gemeld. Volgens [ex-partner slachtoffer] hebben hij en [getuige] besloten dat [getuige] een whatsapp-bericht zou sturen naar [slachtoffer] waarin zou staan dat zij zich ernstige zorgen maakten en dat zij de politie zouden bellen wanneer [slachtoffer] zich rond 19:00 uur niet zou hebben gemeld via de whatsapp of de

telefoon. [ex-partner slachtoffer] heeft verklaard dat hij zelf ondertussen ook al een aantal keren had geprobeerd te bellen maar geen contact kreeg. [ex-partner slachtoffer] heeft verklaard dat toen hij later contact kreeg met [slachtoffer] hij haar heeft gezegd dat hij wilde weten waar ze zat en dat hij binnen een uur zijn Audi weer voor de deur wilde hebben staan en dat hij anders aangifte bij de politie zou doen. Volgens [ex-partner slachtoffer] heeft [slachtoffer] hierop gezegd dat dat goed was, waarop [ex-partner slachtoffer] gelijk het idee had dat er iets niet klopte en haar heeft gevraagd of optie 1 of optie 2 goed was, waarop [slachtoffer] heeft geantwoord: "Dat laatste".

[ex-partner slachtoffer] heeft voorts verklaard dat hij en [getuige] naar de politie zijn gegaan en dat [getuige] rond 19.00 uur een whatsapp-bericht van [slachtoffer] kreeg waarin stond: [adres 1] , waarna [ex-partner slachtoffer] en [getuige] weer de politie hebben gebeld.


Uit in het dossier aanwezige whatsapp-berichten tussen [slachtoffer] en [getuige] volgt dat [slachtoffer] heeft geschreven dat zij al een aantal dagen werd vastgehouden door iemand en dat het adres ‘ [adres 1] ’ (de rechtbank leest: [adres 1] , zijnde het adres van verdachte) is.


Uit de in het dossier opgenomen medische verklaring en foto’s blijkt dat bij [slachtoffer] op

3 januari 2015 meerdere letsels zijn geconstateerd, te weten blauwe plekken op borst, linker- en rechterarm, buil/kneuzing/contusie intacte huid, als ook dat deze letsels recent zijn ontstaan.


Blijkens de verklaring van de voormalig partner van [slachtoffer] , [ex-partner slachtoffer] , heeft [slachtoffer] tijdens het gebeurde, via whatsapp-berichten aan [getuige] en tijdens een telefoongesprek met [ex-partner slachtoffer] zelf, gepoogd duidelijk te maken in welke angstaanjagende situatie zij zich bevond, alsook dat zij hulp nodig had. [getuige] heeft hierover een gelijkluidende verklaring afgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank ondersteunen deze verklaringen en de bijgevoegde whatsapp-berichten de belastende verklaring van aangeefster en onderstrepen in zoverre ook de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] . De rechtbank merkt voorts op dat noch uit het dossier, noch anderszins is gebleken van gegronde redenen om de juistheid van de verklaringen van [slachtoffer] in twijfel te trekken. Derhalve verwerpt de rechtbank het verweer van de verdediging hieromtrent.


Op basis van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte op 30 december 2014 in Almelo [slachtoffer] heeft mishandeld door haar met kracht tegen haar wang en tegen haar armen en borst te slaan.


Verdachte heeft eerst fysiek geweld gebruikt tegen [slachtoffer] . Op basis van hetgeen hiervoor is uiteengezet, is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat verdachte vervolgens ongeoorloofde druk op [slachtoffer] heeft uitgeoefend, [slachtoffer] heeft verboden om te vertrekken, dat verdachte voortdurend bij [slachtoffer] in de buurt is gebleven en dat hij heeft gedreigd dat hij ervoor zou zorgen dat zij haar dochter kwijt zou raken. Door aldus te handelen heeft verdachte [slachtoffer] dusdanig angst ingeboezemd dat zij ervan overtuigd is geraakt, dat zowel zijzelf als haar dochter ernstig gevaar liepen als [slachtoffer] geen gehoor gaf aan verdachtes eisen. Door de handelwijze van verdachte heeft hij [slachtoffer] zodanige angst aangejaagd, dat zij niet meer zonder zijn toestemming weg durfde te gaan. Dat [slachtoffer] niet is gevlucht – ook niet toen zij daartoe de noodzaak voelde en mogelijk de gelegenheid had – kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden verklaard dan uit het door verdachte tegen [slachtoffer] uitgeoefende geweld, de daaropvolgende intimidatie en, al dan niet omfloerste, bedreigingen, in het bijzonder ook waar het haar dochtertje betrof, en de angst voor herhaling van het door verdachte tegen haar uitgeoefende geweld. [slachtoffer] heeft gemeend slechts op een veilige manier uit de situatie weg te kunnen komen, wanneer verdachte haar vrijwillig zou laten gaan en zij heeft dat moment afgewacht.


Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat [slachtoffer] door de handelingen van verdachte wederrechtelijk van haar vrijheid is beroofd en beroofd gehouden. Het feit dat [slachtoffer] wellicht eerder momenten, waarop zij had kunnen vluchten, onbenut heeft laten passeren, doet daar niets aan af. Verdachte heeft door zijn gedragingen en zijn bejegening van [slachtoffer] , haar belemmerd in haar vrijheid om te gaan en te staan waar zij wenste. Het gevoerde bewijsverweer vindt zijn weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen en behoeft geen verdere bespreking.


Op basis van hetgeen hiervoor is overwogen acht rechtbank de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.


5.4

De conclusie


De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


1.

hij in de periode van 30 december 2014 tot en met 2 januari 2015 te Almelo, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers

- heeft hij tegen die [slachtoffer] gezegd dat zij niet weg mocht voordat de blauwe plekken waren verdwenen (van de mishandeling, zie feit 2) en

- heeft hij telkens die [slachtoffer] verboden weg te gaan en

- tegen haar gezegd dat hij zou zeggen dat zij drugs had gebruikt waardoor zij niet in staat zou zijn om voor haar dochter te zorgen, zodat zij haar dochter kwijt zou raken en

- is hij voortdurend bij haar in de buurt gebleven, zodat zij het gevoel had niet weg te kunnen en

- heeft hij anderszins een zodanige druk uitgeoefend en angst ingeboezemd dat die [slachtoffer] niet weg durfde te gaan;


2.

hij op 30 december 2014 te Almelo [slachtoffer] heeft mishandeld door haar met kracht tegen haar wang en tegen haar armen en borst te slaan.


De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.


De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat zij hem daarvan in zoverre zal vrijspreken.


6De strafbaarheid van het bewezenverklaarde


Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 282 en 300 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 het misdrijf: opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd houden;


feit 2

het misdrijf: mishandeling.


7De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.


8De op te leggen straf of maatregel


Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.


Verdachte heeft [slachtoffer] mishandeld en tegen haar wil gedurende een viertal dagen van haar vrijheid beroofd gehouden. Door fysiek geweld te gebruiken tegen [slachtoffer] en door tevens psychische en emotionele druk uit te oefenen, haar te verbieden om te vertrekken, voortdurend bij haar in de buurt te blijven en te dreigen dat hij ervoor zou zorgen dat zij haar dochter kwijt zou raken, heeft verdachte [slachtoffer] dusdanig angst ingeboezemd dat zij ervan overtuigd is geraakt dat zowel zijzelf als haar dochter ernstig gevaar liepen als zij geen gehoor gaf aan verdachte’s eisen. Het is uitsluitend om die reden dat [slachtoffer] verdachte zonder zijn toestemming niet durfde te verlaten. Het behoeft geen betoog dat deze strafbare feiten het vertrouwen van [slachtoffer] in haar medemens, en in het bijzonder potentiële partners, ernstig hebben geschaad. De mishandeling en vrijheidsberoving zijn voor [slachtoffer] uitermate beangstigende en bedreigende ervaringen geweest en zij ondervindt daarvan tot op de dag van vandaag de gevolgen in haar dagelijks leven, zoals ook door [slachtoffer] in de door haar opgestelde en ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaring is verwoord. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij door zijn handelwijze een grove inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en de bewegingsvrijheid van [slachtoffer] .


Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de bewezen verklaarde feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals deze onder meer tot uitdrukking komen in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. In dit verband heeft de rechtbank bij haar overwegingen ook de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting betrokken, voor zover deze voor onderhavige feiten zijn vastgesteld. Voor een feit als wederrechtelijke vrijheidsberoving zijn geen oriëntatiepunten opgesteld. De oriëntatiepunten geven aan als uitgangspunt voor een mishandeling, enig letsel ten gevolge hebbend een geldboete van € 750,--. Ingevolge de richtlijn kan naarmate het toegepaste geweld intensiever is (bijvoorbeeld: meerdere klappen) er voor de rechter aanleiding zijn om de boete te combineren met een taakstraf of een voorwaardelijke gevangenisstraf. In deze zaak acht de rechtbank het bijzonder kwalijk dat het geweld heeft plaatsgevonden in een huiselijke omgeving en bovendien is gevolgd door een dagenlange en zeer traumatiserende vrijheidsberoving. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat sprake is van een slachtoffer dat in de veronderstelling verkeerde dat zij bij verdachte veilig zou zijn. Verdachte heeft haar vertrouwen in hem op grove wijze geschonden. Dit werkt strafverzwarend en rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.


Uit een uittreksel van de Justitiële Documentatie betreffende verdachte van 3 maart 2015 blijkt dat hij eerder met justitie in aanraking is geweest wegens geweldsdelicten. Ook is verdachte veroordeeld wegens een soortgelijk delict als de onderhavige, waarbij de rechtbank in aanmerking neemt dat deze veroordeling nog niet onherroepelijk is. Dat verdachte zich ondanks de in die veroordelingen gelegen waarschuwingen wederom aan strafbare feiten schuldig maakt, weegt de rechtbank in het nadeel van verdachte mee bij het bepalen van de strafmaat.


De rechtbank heeft kennis genomen van de door psychiater H.A. de Haan opgemaakte Pro Justitia rapportage. Deze rapportage van 22 september 2014 is opgemaakt in een eerdere jegens verdachte ingestelde strafvervolging. Nu deze rapportage minder dan een jaar oud is en dus een actueel beeld geeft van de geestvermogens van verdachte en hiertegen door de officier van justitie en de verdediging ter zitting geen bezwaar is gemaakt, neemt de rechtbank de bevindingen van de deskundige mee bij haar strafmaatoverwegingen. Uit de rapportage volgt dat bij verdachte sprake is van misbruik van alcohol en een persoonlijkheidsstoornis NAO, met vooral antisociale, borderline en narcistische trekken. De deskundige heeft geconcludeerd dat verdachte ten tijde van de destijds ten laste gelegde feiten licht verminderd toerekeningsvatbaar was. Gezien de alcohol- en persoonlijkheidsproblematiek van verdachte wordt door de deskundige een ambulante forensische psychiatrische verslavingsbehandeling geadviseerd. De deskundige heeft de verwachting benoemd dat bij abstinentie van middelen en een adequate behandeling van de persoonlijkheidsproblematiek de kans op herhaling van geweldsescalaties aanzienlijk wordt gereduceerd. De deskundige heeft een adequate sociaal maatschappelijke re-integratie (werk, wonen, relationeel) als erg belangrijk betiteld, zowel in het voorkomen van terugval in middelenmisbruik als ook in terugval van criminele recidives.


De rechtbank is van oordeel dat genoemd rapport zorgvuldig tot stand is gekomen en stelt op basis daarvan vast dat verdachte ook ten aanzien van de onderhavige ten laste gelegde feiten licht verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. Vorenbedoelde verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten en zijn achterliggende problematiek, hebben meegewogen bij de overwegingen van de rechtbank tot het bepalen van de aan verdachte op te leggen straf of maatregel.


In het rapport van de reclassering van 17 februari 2015 is opgenomen dat verdachte recent is veroordeeld tot een taakstraf, een voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden, zijnde een reclasseringstoezicht en ambulante behandeling door Tactus verslavingszorg. Verdachte is binnen dit toezicht inmiddels gestart met de gedragsinterventie Leefstijltraining en met de behandeling bij JusTact, de forensische polikliniek van Tactus. De reclassering vindt het van belang het reeds lopende traject bij Tactus verslavingszorg te continueren. De reclassering heeft geadviseerd om aan verdachte daarnaast een werkstraf op te leggen.


Hoewel de ernst van de bewezen verklaarde feiten in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt, zal de rechtbank, gelet op de licht verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte ten tijde van het plegen van de delicten, het in te perken recidivegevaar en de noodzaak van behandeling daarbij, hiertoe niet overgaan. De rechtbank is van oordeel dat oplegging van een langere vrijheidsbenemende straf de noodzakelijke en reeds gestarte behandeling zou doorkruisen. In dit geval acht de rechtbank een onvoorwaardelijke werkstraf van de maximale duur passend en geboden.

Voor een gefundeerde aanpak van verdachtes problematiek, acht de rechtbank oplegging van de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht met daarbij een behandelverplichting noodzakelijk. De rechtbank zal deze bijzondere voorwaarden koppelen aan een flinke (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf om op deze wijze het reeds ingezette traject van voldoende waarborgen te voorzien, verdachte te stimuleren zijn inzet te blijven tonen en het behandeltraject de beste kans van slagen te geven.


De rechtbank is van oordeel dat de op grond van artikel 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14d Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar moeten zijn nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van één of meer personen.


9De schade van benadeelden


9.1

De vordering van de benadeelde partij


[slachtoffer] , wonende te [woonplaats] aan de [adres 3] , heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 2.631,35, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit de volgende posten:

  • - Reiskosten bedrijfsarts € 36,40;
  • - Parkeergeld bedrijfsarts € 5,90;
  • - Reiskosten HSK € 12,32;
  • - Reiskosten HSK € 120,32;
  • - Eigen risico medische kosten € 31,80;
  • - Inkomstenderving € 350,08;
  • - Immateriële schade feit 1 € 1.750,00;
  • - Immateriële schade feit 2 € 350,00;

Dit is gevorderd als “voorschot”. De rechtbank begrijpt dit als een vordering tot schadevergoeding van slechts een deel van de geleden schade. De benadeelde partij behoudt zich kennelijk het recht voor een ander deel van de schade buiten het strafgeding van verdachte te vorderen.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.


Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering ontvankelijk en is de vordering gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door de bewezenverklaarde feiten 1 en 2 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De opgevoerde schadeposten zijn niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 2.631,35, te vermeerderen met de van rechtswege verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd en de vordering tot schadevergoeding in zijn geheel opeisbaar is geworden. In casu is dat 2 januari 2015 voor feit 1 en 30 december 2014 voor feit 2. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.


9.2

De schadevergoedingsmaatregel


De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade door feit 1 en feit 2 toegebracht.


10De toegepaste wettelijke voorschriften


De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 24c, 27 en 57 Sr.

12De beslissing


De rechtbank:


bewezenverklaring

  • - verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
  • - verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
  • - verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:feit 1 het misdrijf: opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd houden;feit 2 het misdrijf: mishandeling;
  • - verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezenverklaarde;

straf

  • - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf (12) maanden en twintig (20) dagen, waarvan twaalf (12) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren;
  • - bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:- omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;- omdat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of omdat de veroordeelde geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden;

- omdat de veroordeelde geen medewerking aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr heeft verleend, medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- omdat de veroordeelde tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

  • - stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de afdeling reclassering van Tactus Verslavingszorg;
  • - stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van JusTact, de forensische polikliniek van Tactus Verslavingszorg op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven, alsook dat de veroordeelde de alhier reeds ingezette behandeling zal voortzetten;
  • - draagt voornoemde reclasseringsinstelling op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
  • - beveelt dat de op grond van artikel 14c Sr gestelde voorwaarde(n) en het op grond van artikel 14d Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
  • - bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
  • - veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 240 uren;
  • - beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;

schadevergoeding

  • - veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] , wonende te [woonplaats] aan de [adres 3] , van een bedrag van € 2.631,35, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 350,00 vanaf 30 december 2014 en over een bedrag van € 2.281,35 vanaf 2 januari 2015;
  • - veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
  • - legt op de maatregel dat veroordeelde verplicht is ter zake van de bewezen verklaarde feiten 1 en 2 aan de Staat der Nederlanden een bedrag van € 2.631,35 ten behoeve van de benadeelde te betalen (te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 350,00 vanaf 30 december 2014 en over een bedrag van € 2.281,35 vanaf 2 januari 2015), met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 26 dagen zal worden toegepast;
  • - bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.


Dit vonnis is gewezen door mr. M. Melaard, voorzitter, mr. F.H.W. Teekman en

mr. M.H. van der Lecq, rechters, in tegenwoordigheid van D.A.C. Brockötter, griffier,

en is in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2015.

Mr. Teekman is niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.



1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer 2015047647van 28 januari 2015. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
2 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 21 april 2015, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte.
3 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 3 januari 2015, pagina 28, 29, 31.
4 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 4 januari 2015, pagina 48 en 49.
5 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] van 5 januari 2015, pagina 64, 65.
6 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [ex-partner slachtoffer] van 9 januari 2015, pagina 68, 69, 70.
7 Een schriftelijk bescheid, te weten een weergave van app-berichten van [slachtoffer] gericht aan [getuige] , pagina 32 en 34.
8 Een deskundigenverslag, te weten medische gegevens, opgemaakt door D.F. Klein Lugtenbeld, van 3 januari 2015, pagina 46 en de fotobladen op pagina 42, 43, 44.