Rechtbank Overijssel, 17-06-2015 / C/08/165326 / HA ZA 14-607


ECLI:NL:RBOVE:2015:4717

Inhoudsindicatie
Opdracht gegeven door al dan niet bevoegde vertegenwoordiger (vader). De rechtbank overweegt dat daargelaten of de vader opdracht heeft gegeven, gedaagde onvoldoende onderbouwd heeft op grond van welke verklaringen en gedragingen van de dochter gedaagde redelijkerwijs mocht aannemen dat vader bevoegd was.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-06-17
Publicatiedatum
2015-10-21
Zaaknummer
C/08/165326 / HA ZA 14-607
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • NTHR 2016, afl. 2, p. 107
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht


Zittingsplaats Zwolle


zaaknummer / rolnummer: C/08/165326 / HA ZA 14-607


Vonnis van 17 juni 2015


in de zaak van


[X],

wonende te [plaats] ,

eiseres in conventie,

gedaagde in reconventie,

advocaat mr. D.P. Kant te Goor (gemeente Hof van Twente),


tegen


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AGRO BOUW OOST-NEDERLAND B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Heeten (gemeente Lochem),

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. R.F.M.E. Gommers te Arnhem.



Partijen zullen hierna [X] en Agro Bouw genoemd worden.


1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - het tussenvonnis van 11 februari 2015 en de daarin genoemde processtukken;
  • - de conclusie van antwoord in reconventie;
  • - de akte overlegging producties zijdens Agro Bouw van 21 april 2015;
  • - het proces-verbaal van comparitie van 29 april 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.


2De feiten

2.1.

[X] heeft een eenmanszaak en handelt uit dien hoofde onder de namen ‘Stal Haarman’ en ‘De Meiden van Haarman’. In 2010 heeft [X] besloten om een managehal te (laten) bouwen ten behoeve van de door haar geëxploiteerde manege. In dat verband is onder andere Agro Bouw benaderd.



2.2.

Op 8 september 2010 heeft Agro Bouw een offerte verstuurd aan ‘Manege De Meiden van Haarman’. Hierin is onder andere het volgende vermeld:


[…]


Omschrijving van het werk


Opdrachtgever: Manege De Meiden van Haarman

Plaats van het werk: [plaats] GLD

Omschrijving van het werk: Leveren 4 stuks tussen spanten en 2stuks eindspanten.


[…]


De definitieve levering van de constructie wordt bepaald na betaling van de eerste betalingstermijn.


Aanneemsom: excl. BTW : € 43.800,00

BTW : € 8.322,00+

totaal : € 52.122,00

zegge : tweeënvijftigduizendèènhonderdtweeëntwintig Euro

incl. BTW.


[…]


* De aanneemsom zal in een drietal bouwtermijnen aan u worden gefactureerd.

1e termijn - 50%, bij opdracht

2e termijn - 40%, voor levering

3e termijn - 10%, direct na levering

* Alle betalingen zullen voor oplevering zijn voldaan.


[…]


2.3.

Deze offerte is door [X] voor akkoord ondertekend en zodoende is tussen [X] en Agro Bouw een overeenkomst van opdracht (hierna: de overeenkomst) tot stand gekomen. De in de overeenkomst vermelde spanten (hierna: de stalen spanten) heeft Agro Bouw vervolgens besteld bij de heer [Y] van HM Metaal V.O.F. (hierna: HM Metaal).


2.4.

Op 8 oktober 2010 heeft Agro Bouw een factuur aan [X] gezonden voor de eerste betalingstermijn van een bedrag van € 26.061,00 inclusief BTW. [X] heeft deze factuur op 11 november 2010 voldaan.


2.5.

Op 31 januari 2011 heeft Agro Bouw een factuur van een totaalbedrag van € 26.061,00 inclusief BTW aan [X] gezonden voor de tweede en derde betalingstermijn. Op de factuur is vermeld dat de tweede betalingstermijn voor levering moet worden voldaan en de derde betalingstermijn direct na levering. Op 11 maart 2011 heeft [X] een bedrag van € 17.520,00 van deze factuur voldaan en op 11 mei 2011 een bedrag van € 8.541,00.




2.6.

Op 11 maart 2011 heeft Agro Bouw een factuur aan [X] gezonden voor een bedrag van € 48.952,04 inclusief BTW. Hierin is onder andere het volgende vermeld:


[…]


Datum Omschrijving Aantal Prijs p/e Totaal


Bevestigingshoeken tbv houten gordingen 1,00 post 6.856,03 6.856,03

Tijdelijke kolommen ter ondersteuning van de 1,00 post 7.252,13 7.252,13

houten spanten.

Geleverd spantvoeten en instortankers tbv 1,00 post 2.650,38 2.650,38

de 7 bestaande houten spanten.

Koppelkokers volgens statische berekening. 1,00 post 24.377,63 24.377,63

Subtotaal exclusief BTW € 41.136,17

BTW 19.0% 7.815,87

Totaal inclusief BTW € 48.952,04


[…]


2.7.

De op de factuur van 11 maart 2011 betrekking hebbende werkzaamheden zijn door HM Metaal verricht en het daarmee gemoeide bedrag is door Agro Bouw aan HM Metaal voldaan. Middels de factuur van 11 maart 2011 heeft Agro Bouw dit bedrag aan [X] gefactureerd. Van deze factuur heeft [X] een bedrag van € 3.153,95 voldaan ten behoeve van de daarop vermelde spantvoeten en instortankers.


2.8.

Agro Bouw is niet overgegaan tot levering van de stalen spanten. De voor de manegehal vereiste stalen spanten heeft [X] vervolgens van een ander bedrijf afgenomen.


2.9.

Bij brief van 16 juni 2014 heeft [X] de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden en verzocht om terugbetaling van het door haar ter zake aan Agro Bouw betaalde bedrag.


3Het geschil

in conventie 3.1.

[X] vordert veroordeling van Agro Bouw tot betaling van een bedrag van € 43.800,00, vermeerderd met de wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke kosten. Voorts vordert [X] veroordeling van Agro Bouw in de kosten van deze procedure, inclusief nakosten en wettelijke rente.


3.2.

Aan haar vordering legt [X] ten grondslag dat Agro Bouw tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst aangezien Agro Bouw de stalen spanten niet heeft geleverd terwijl [X] wel aan haar (betalings)verplichtingen uit de overeenkomst heeft voldaan. [X] is van mening dat zij de overeenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden, als gevolg waarvan Agro Bouw ex artikel 6:271 BW verplicht is tot terugbetaling van het door [X] aan Agro Bouw betaalde bedrag voor de stalen spanten (te weten: € 52.122,00 verminderd met 19% BTW).

3.3.

Agro Bouw voert verweer en betoogt dat [X] niet bevoegd was de overeenkomst te ontbinden aangezien er geen sprake is geweest van een tekortkoming aan de zijde van Agro Bouw. Volgens Agro Bouw hebben partijen een nadere overeenkomst gesloten op basis waarvan meerwerk zou worden verricht, zoals vermeld op de factuur van 11 maart 2011. Agro Bouw betoogt voorts dat zij terecht niet tot levering van de stalen spanten is overgegaan voordat [X] de (volledige) factuur van 11 maart 2011 betreffende het meerwerk zou voldoen, omdat [X] in het verleden facturen te laat had betaald en Agro Bouw vreesde dat [X] ook deze factuur te laat of niet zou voldoen.


3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.


in reconventie

3.5.

Agro Bouw vordert veroordeling van [X] tot betaling van een bedrag van € 48.952,04, vermeerderd met de wettelijke handelsrente. Voorts vordert Agro Bouw veroordeling van [X] in de kosten van deze procedure, inclusief nakosten en wettelijke rente.


3.6.

Aan haar vordering legt Agro Bouw ten grondslag dat partijen een nadere overeenkomst hebben gesloten, aangezien de vader van [X] (hierna: [vader X] ) Agro Bouw via HM Metaal de opdracht heeft gegeven tot het verrichten van meerwerk. Volgens Agro Bouw mocht zij er redelijkerwijs op vertrouwen dat [X] instemde met de nadere overeenkomst en de daarop betrekking hebbende factuur van 11 maart 2011. Als gevolg daarvan is [X] gehouden tot volledige betaling van deze factuur, aldus Agro Bouw.


3.7.

[X] voert verweer en betwist dat partijen een nadere overeenkomst hebben gesloten op basis waarvan zij gehouden zou zijn tot volledige betaling van de factuur van 11 maart 2011. Volgens [X] heeft zij noch [vader X] Agro Bouw via HM Metaal de opdracht gegeven tot het verrichten van het (volledige) meerwerk. [X] voert subsidiair aan dat [vader X] ter zake niet bevoegd was om namens haar te handelen.


3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.


4De beoordeling

4.1.

Gelet op de onderlinge samenhang zal de rechtbank de vorderingen in conventie en in reconventie gezamenlijk behandelen.


4.2.

In de onderhavige procedure twisten partijen over de vraag of zij – in aanvulling op de overeenkomst – een nadere overeenkomst hebben gesloten op basis waarvan Agro Bouw meerwerk voor [X] zou verrichten. Aangezien Agro Bouw een beroep doet op de rechtsgevolgen van haar stelling dat een nadere overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen, rust ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv de stelplicht en zonodig bewijslast van het bestaan van deze nadere overeenkomst op Agro Bouw.





4.3.

Ter zake voert Agro Bouw aan dat [vader X] opdracht heeft gegeven tot het verrichten van meerwerk. Volgens Agro Bouw heeft [vader X] ingenieursbureau [Z] (hierna: [Z] ) opdracht gegeven om een viertal houten spanten (die tezamen met de stalen spanten zouden worden gebruikt bij de bouw van de manegehal) te laten keuren, waarna [Z] , tevens in opdracht van [vader X] , statische berekeningen heeft gemaakt. [vader X] heeft vervolgens besloten om de manegehal te laten bouwen conform de berekeningen van [Z] en tevens heeft [vader X] in januari 2011 ingestemd met de op deze berekeningen gebaseerde constructietekening van HM Metaal, aldus Agro Bouw. Agro Bouw betoogt dat [vader X] heeft ingestemd met het meerwerk dat op basis van deze tekening was vereist, te weten aanpassing van de stalen spanten en de levering van koppelkokers, steunkolommen, spantvoeten en instortankers. Volgens Agro Bouw mocht zij ervan uitgaan dat [vader X] in naam van [X] handelde aangezien [vader X] ook de hiervoor gemelde opdrachten aan [Z] had verstrekt en [vader X] tevens aanwezig is geweest bij alle besprekingen met (werknemers van) [Z] , Agro Bouw en HM Metaal. Daarnaast heeft [vader X] ook in het verleden opdrachten namens [X] aan HM Metaal verstrekt en de daarop betrekking hebbende, door Agro Bouw verstuurde facturen zijn door [X] voldaan, aldus Agro Bouw.


4.4.

[X] betwist dat [vader X] een nadere overeenkomst met Agro Bouw, al dan niet via HM Metaal, heeft gesloten. Subsidiair betwist [X] dat [vader X] bevoegd was om namens haar te handelen dan wel dat sprake was van de schijn van volmachtverlening. [X] betoogt dat, hoewel [vader X] aanwezig is geweest bij besprekingen ten aanzien van de bouw van de manegehal, [X] zelf steeds alle beslissingen heeft genomen, zo ook de beslissing om de houten spanten te laten keuren door [Z] . Ter comparitie heeft [X] aangegeven dat er wel een bespreking heeft plaatsgevonden over de plaatsing van de houten spanten, maar dat zij toen zelf heeft gevraagd om een offerte voor de extra kosten die daarmee gemoeid zouden zijn. In plaats van een offerte ontving zij vervolgens de factuur van 11 maart 2011, aldus [X] .


4.5.

De rechtbank is van oordeel dat zelfs als wordt uitgegaan van de – door [X] betwiste – stelling van Agro Bouw dat [vader X] opdracht heeft gegeven tot het verrichten van voormeld meerwerk, Agro Bouw onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit blijkt dat zij in de gegeven omstandigheden erop mocht vertrouwen dat aan [vader X] een toereikende volmacht was verleend.


4.6.

Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt. Ingevolge het bepaalde in artikel 3:61 lid 2 BW kan een onbevoegd vertegenwoordigde ( [X] ) geen beroep doen op het ontbreken van een toereikende volmacht bij degene ( [vader X] ) die uit zijn of haar naam met een derde heeft gehandeld, indien de derde (Agro Bouw) op grond van een verklaring of gedraging van die ander ( [X] ) heeft aangenomen en onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht aannemen dat een toereikende volmacht was verleend. Agro Bouw heeft echter onvoldoende onderbouwd op grond van welke verklaringen en gedragingen van [X] zij redelijkerwijs mocht aannemen dat aan [vader X] ter zake een toereikende volmacht was verleend. Anders dan Agro Bouw betoogt zegt het feit dat [X] niet heeft geprotesteerd tegen de facturen van 8 oktober 2010 en 31 januari 2011 en het feit dat [X] een gedeelte van deze laatste factuur heeft voldaan op 11 mei 2011, dat wil zeggen nadat zij op de hoogte was van de door Agro Bouw gestelde nadere overeenkomst betreffende het meerwerk en de daarop betrekking hebbende factuur van 11 maart 2011, niets over de vraag of Agro Bouw ten tijde van de totstandkoming van de gestelde nadere overeenkomst redelijkerwijs mocht aannemen dat [vader X] een toereikende volmacht had. Naar het oordeel van de rechtbank kan hieruit enkel worden afgeleid dat [X] heeft ingestemd met de overeenkomst en dat zij haar verplichtingen uit dien hoofde is nagekomen. Zo heeft [X] ook ter comparitie verklaard dat zij de facturen van 8 oktober 2010 en 31 januari 2011 heeft voldaan omdat zij wilde dat Agro Bouw zou overgaan tot levering van de stalen spanten uit hoofde van de overeenkomst. Ook het feit dat [X] een deel van de factuur van 11 maart 2011 heeft voldaan, maakt niet dat het handelen van [vader X] daarmee zou worden bekrachtigd. Het betreft immers een deelbetaling waarover [X] ter comparitie heeft verklaard deze betaling te hebben gedaan omdat zij zelf de opdracht heeft gegeven tot het leveren van de op de factuur vermelde spantvoeten en instortankers. Aangezien [X] ter comparitie tevens – onbetwist – heeft verklaard dat zij na ontvangst van de factuur van 11 maart 2011 daartegen mondeling bezwaar heeft gemaakt bij Agro Bouw en [X] de door Agro Bouw opgestelde schriftelijke bevestiging van de nadere overeenkomst niet heeft willen ondertekenen, mocht Agro Bouw er niet van uitgaan dat [X] middels de deelbetaling de gestelde nadere overeenkomst zou hebben bekrachtigd.


4.7.

Voor toerekening van de schijn van volmachtverlening aan een onbevoegd vertegenwoordigde kan ook plaats zijn indien de derde gerechtvaardigd heeft vertrouwd dat een toereikende volmacht was verleend op grond van feiten en omstandigheden die voor risico van de onbevoegd vertegenwoordigde komen en waaruit naar verkeersopvatting de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid (Hoge Raad 19 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK7671; Hoge Raad 11 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN9967). Naar het oordeel van de rechtbank heeft Agro Bouw evenmin voldoende feiten en omstandigheden gesteld die een dergelijke toerekening rechtvaardigen. De door [X] betwiste stelling van Agro Bouw dat [vader X] aan [Z] opdracht heeft gegeven tot het maken van statische berekeningen ter uitvoering waarvan door HM Metaal tekeningen zijn gemaakt en meerwerk is verricht, is onvoldoende om ter zake vertegenwoordigingsbevoegdheid van [vader X] te mogen aannemen. Zelfs al zou [vader X] – al dan niet bevoegd – in naam van [X] bedoelde opdracht hebben gegeven, dan betekent dit niet automatisch dat kan worden aangenomen dat aan [vader X] tevens een volmacht zou zijn verleend om opdracht te geven tot het verrichten van uitvoerende werkzaamheden naar aanleiding van deze berekeningen. Ook de stelling van Agro Bouw dat [vader X] steeds bij alle gesprekken betreffende de bouw van de manegehal aanwezig was, vormt onvoldoende grond om te mogen vertrouwen op een toereikende volmacht. Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van Agro Bouw gelegen om naar de bevoegdheden van [vader X] te informeren op het moment dat zij van een onderaannemer, te weten HM Metaal, het bericht ontving dat [vader X] namens [X] een opdracht had gegeven met een aanzienlijk geldbelang. De kosten van het meerwerk waren bovendien nagenoeg gelijk aan de kosten van de in de overeenkomst van september 2010 genoemde spanten en die overeenkomst is door [X] zelf ondertekend. Daarbij gaat de rechtbank voorbij aan de blote – en door [X] betwiste – stelling van Agro Bouw dat de opdracht tot het leveren van de stalen spanten door [vader X] zou zijn gegeven. Dat tussen [vader X] en/of [X] en HM Metaal en/of Agro Bouw is gesproken over de bevoegdheden van [vader X] om [X] ter zake te vertegenwoordigen is voorts niet gebleken. Tenslotte brengt ook de omstandigheid dat [vader X] in 2010 onderdelen voor de paardenstal van [X] via HM Metaal bij Agro Bouw zou hebben besteld en dat [X] de daarop betrekking hebbende facturen heeft voldaan, niet met zich dat Agro Bouw er op mocht vertrouwen dat [vader X] in de toekomst gevolmachtigd zou zijn om namens [X] de opdracht te geven tot het verrichten van het meerwerk. Het meerwerk betrof immers andere werkzaamheden en de daarmee gemoeide kosten waren ook aanzienlijk hoger.


4.8.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat [vader X] niet bevoegd was om [X] ten aanzien van de nadere overeenkomst betreffende het meerwerk te vertegenwoordigen en dat evenmin sprake is geweest van de (toerekenbare) schijn van volmachtverlening. Als gevolg daarvan is deze nadere overeenkomst tussen [X] en Agro Bouw niet tot stand gekomen, zodat de vordering in reconventie zal worden afgewezen. Aangezien [X] aan haar (betalings)verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst had voldaan – [X] heeft immers de aanneemsom vóór de levering van de stalen spanten betaald – was Agro Bouw gehouden tot het leveren van de stalen spanten. Agro Bouw is ondanks herhaaldelijke sommaties niet overgegaan tot levering van de stalen spanten aan [X] en daarmee tekort geschoten in de nakoming van de overeenkomst. [X] was daarom bevoegd de overeenkomst te ontbinden. Als gevolg van deze ontbinding is op grond van het bepaalde in artikel 6:271 BW een ongedaanmakingsverbintenis ontstaan voor Agro Bouw tot terugbetaling van het ter zake door [X] betaalde bedrag. De vordering van [X] in conventie zal dan ook in zoverre worden toegewezen.


Rente


4.9.

De vordering van [X] tot vergoeding van de wettelijke handelsrente over voornoemd bedrag komt niet voor toewijzing in aanmerking. Het bepaalde in artikel 6:119a BW heeft immers uitsluitend betrekking op de situatie dat betaling van het op grond van een handelsovereenkomst verschuldigde niet tijdig plaatsvindt. De regeling van de wettelijke handelsrente heeft geen betrekking op ongedaanmakingsverbintenissen waarvan in het onderhavige geval sprake is. De rechtbank zal derhalve slechts de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW toewijzen vanaf 1 juli 2014, aangezien Agro Bouw – gelet op de brief van [X] van 16 juni 2014 – vanaf deze datum in verzuim verkeerde ten aanzien van de terugbetaling.


Buitengerechtelijke kosten


4.10.

[X] maakt tevens aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is, nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. [X] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag van € 1.296,22 is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De rechtbank zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief op basis van de gevorderde hoofdsom in conventie van € 43.800,00, namelijk een bedrag van € 1.213,00.


Uitvoerbaar bij voorraad


4.11.

Voorts heeft [X] gevorderd om de veroordeling van Agro Bouw uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De rechtbank zal dit toewijzen. Het verweer van Agro Bouw dat zij mogelijk in hoger beroep zal komen van een toewijzend vonnis, is geen grond om de uitvoerbaarverklaring bij voorraad af te wijzen. Bedoelde verklaring staat immers niet in de weg aan het instellen van hoger beroep. Daarnaast heeft Agro Bouw haar stelling dat zij vreest voor verduistering van gelden die zij uit hoofde van dit vonnis aan [X] zou moeten betalen, niet onderbouwd. Om die reden ziet de rechtbank evenmin aanleiding om aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad de voorwaarde te verbinden dat [X] zekerheid moet stellen.


Proceskosten


4.12.

Agro Bouw zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in conventie en in reconventie. De kosten aan de zijde van [X] in conventie worden begroot op:


- dagvaarding € 93,80

- griffierecht € 868,00

- salaris advocaat € 1.788,00 (2 punten × tarief 4 € 894,00)

Totaal € 2.749,80


De kosten in reconventie aan de zijde van [X] worden begroot op:


- salaris advocaat € 447,00 (1 punt × factor 0,5 × tarief 4 € 894,00)


5De beslissing

De rechtbank


in conventie

5.1.

veroordeelt Agro Bouw om aan [X] te betalen een bedrag van € 43.800,00, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 1 juli 2014 tot de dag van volledige betaling,


5.2.

veroordeelt Agro Bouw om aan [X] te betalen een bedrag van € 1.213,00 aan buitengerechtelijke incassokosten,


5.3.

veroordeelt Agro Bouw in de proceskosten, aan de zijde van [X] tot op heden begroot op € 2.749,80, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag indien deze kosten niet binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis door Agro Bouw aan [X] zijn voldaan tot de dag van volledige betaling,


5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af,


in reconventie

5.5.

wijst de vorderingen af,


5.6.

veroordeelt Agro Bouw in de proceskosten, aan de zijde van [X] tot op heden begroot op € 447,00,






in conventie en in reconventie


5.7.

veroordeelt Agro Bouw in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 205,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Agro Bouw niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,


5.8.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor zover het betreft hetgeen in 5.1., 5.2., 5.3., 5.6. en 5.7. is beslist.


Dit vonnis is gewezen door mr. A. Skerka en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2015.