Rechtbank Overijssel, 07-10-2015 / C/08/169461 HA ZA 15-172


ECLI:NL:RBOVE:2015:4728

Inhoudsindicatie
Verjaring. Gemengde overeenkomst. Er is sprake van een gemengde overeenkomst. Op grond van het bepaalde in artikel 7:5 lid 4 BW moet een overeenkomst als de onderhavige mede als een consumentenkoop worden aangemerkt, nu de overeenkomst is gesloten tussen een aannemer die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf en een opdrachtgever, natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Nu de overeenkomst mede als consumentenkoop is te duiden, volgt uit de laatste volzin van artikel 7:5 lid 4 BW dat de regels inzake aanneming van werk dan worden verdrongen door de regels van consumentenkoop. Op grond van het bepaalde in artikel 7:28 BW is de rechtsvordering tot betaling van de koopprijs verjaard door verloop van twee jaren.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-10-07
Publicatiedatum
2015-10-22
Zaaknummer
C/08/169461 HA ZA 15-172
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht

Formele relatie


Vindplaatsen
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht


Zittingsplaats Almelo


zaaknummer: C/08/169461 HA ZA 15-172

datum vonnis: 7 oktober 2015 (jm)

Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:


inzake:


[eiser] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,verder te noemen [eiser] ,

advocaat mr. A. Hurenkamp te Enschede,


en


[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,verder te noemen [gedaagde] ,

advocaat mr. R. Kroon te Almelo.


1Het procesverloop


1.1

De rechtbank heeft op 27 mei 2015 een tussenvonnis gewezen.

Ingevolge dat tussenvonnis heeft op 21 augustus 2015 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt. Partijen zijn niet tot overeenstemming gekomen.


1.2

Partijen hebben vonnis gevraagd.


2De feiten


2.1

In deze zaak staat als gesteld en erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken en/of blijkend uit niet-betwiste produkties het navolgende vast.


2.2

[eiser] heeft in opdracht en voor rekening van [gedaagde] halverwege 2011 divers sanitair geleverd en geïnstalleerd en diverse andere installatiewerkzaamheden verricht.


2.3

[eiser] heeft hiervoor facturen aan [gedaagde] verzonden.



2.4

Voor oplevering heeft [eiser] een bedrag van de € 46.960,80 gefactureerd en na oplevering een bedrag van € 46.224,16. In totaal heeft [eiser] derhalve

€ 93.184,96, gefactureerd, waarvan € 12.464,30 ter zake sanitair.


2.5

Het werk is door [eiser] op of omstreeks 30 september 2011 opgeleverd.


2.6

[gedaagde] heeft tegen de facturen bezwaar gemaakt.


2.7

[gedaagde] heeft vervolgens een deskundige ingeschakeld.


2.8

De door [gedaagde] ingeschakelde deskundige heeft op 21 juni 2012 zijn rapportage uitgebracht.


2.9

Naar aanleiding van de inhoud van het deskundigenbericht heeft [gedaagde] op

29 juni 2012 nog een bedrag ad € 16.24 4,37 aan [eiser] betaald.


2.10

[gedaagde] heeft daarmee in totaal aan [eiser] betaalt € 63.205,17.


2.11

[gedaagde] weigert het resterende deel van het gefactureerde bedrag aan [eiser] te voldoen.


2.12

[eiser] heeft [gedaagde] voor het laatst bij brief van 30 maart 2012 tot betaling van de openstaande bedragen gesommeerd.


3De vordering


3.1

[eiser] vordert dat de rechtbank [gedaagde] zal veroordelen tot het betalen aan haar van het bedrag van € 34.528,38, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 19 februari 2015 tot aan de dag van voldoening. [eiser] vordert tevens dat de rechtbank [gedaagde] zal veroordelen in de kosten van deze procedure inclusief de nakosten.


3.2

[eiser] stelt hiertoe dat zij met betrekking tot de door haar verrichte werkzaamheden facturen heeft verzonden aan [gedaagde] . Een aantal van die facturen, voor in totaal een bedrag ad € 46.224,26 (inclusief BTW) zijn door [gedaagde] onbetaald gelaten.

[gedaagde] is bij herhaling gemaand en gesommeerd om de betreffende factuur te voldoen. Betaling is echter uitgebleven.


3.3

[eiser] betwist dat partijen een vaste aanneemsom zijn overeengekomen. Tevens betwist [eiser] dat zij met [gedaagde] heeft afgesproken dat de nog uit te voeren werkzaamheden hooguit ongeveer € 35.000,00 zouden bedragen.

[eiser] verwijst hiervoor naar de opdrachtbevestiging van 9 mei 2011.


4Het verweer


4.1

Als meest verstrekkend verweer doet [gedaagde] een beroep op verjaring. De tussen partijen gesloten overeenkomst dient volgens [gedaagde] te worden gekwalificeerd als een gemengde overeenkomst; namelijk die van aanneming van werk en van koop. Waar [gedaagde] als consument kan worden aangemerkt, zijn ook van toepassing de regels van het consumenten(koop)recht, aldus [gedaagde] .


4.2

Bij brief van 20 maart 2012 is [gedaagde] tot betaling gesommeerd. Vanaf dat moment is de verjaringstermijn (opnieuw) gaan lopen, waarna de vordering op 20 maart 2014 is verjaard.


4.3

[gedaagde] betwist verder dat [eiser] nog iets van hem te vorderen heeft. Volgens [gedaagde] zijn partijen een maximumprijs van € 35.000,00 overeengekomen dan wel een richtprijs van € 35.000,00.


4.4

[gedaagde] is van mening dat de door [eiser] in rekening gebrachte prijs niet als een redelijke prijs moet worden aangemerkt. [gedaagde] verwijst daarvoor naar het partij-deskundigenrapport. [gedaagde] heeft een bedrag ad € 63.205,17 betaald. Dat bedrag overstijgt het bedrag van zowel de maximumprijs, als de richtprijs vermeerderd met 10%. [eiser] heeft derhalve niets meer te vorderen, aldus [gedaagde] .

Voor zover van belang zal hieronder op het verweer nader worden ingegaan.


5De motivering van de beslissing


5.1

Het meest verstrekkende verweer ziet op de vraag of de verkorte verjaringstermijn van artikel 7:28 BW hier van toepassing is. De rechtbank oordeelt hierover als volgt.


5.2

Tussen partijen is niet in geschil dat de overeenkomst tussen partijen zowel kenmerken vertoont van aanneming van werk als van koop. Er zijn aan [gedaagde] immers roerende zaken geleverd waarbij tevens montage- en installatiewerkzaamheden hebben plaatsgevonden.

Dit betekent dat er sprake is van een gemengde overeenkomst.


5.3

Op grond van het bepaalde in artikel 7:5 lid 4 BW moet een overeenkomst als de onderhavige mede als een consumentenkoop worden aangemerkt, nu de overeenkomst is gesloten tussen een aannemer die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf en een opdrachtgever, natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep op bedrijf.


5.4

Nu de overeenkomst mede als consumentenkoop is te duiden, volgt uit de laatste volzin van artikel 7:5 lid 4 BW dat de regels inzake aanneming van werk dan worden verdrongen door de regels van consumentenkoop.


5.5

Op grond van het bepaalde in artikel 7:28 BW is de rechtsvordering tot betaling van de koopprijs verjaard door verloop van twee jaren.


5.6

[eiser] heeft niet weersproken dat zij [gedaagde] voor het laatst bij brief van 30 maart 2012 tot betaling heeft gesommeerd. Daarna is het stil gebleven.


5.7

Hieruit volgt dat de vordering van [eiser] op het moment van dagvaarden (18 maart 2015) reeds was verjaard.


5.8

De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van [eiser] dat de overeenkomst hoofdzakelijk een overeenkomst van aanneming van werk is geweest, nu dit niet tot een ander oordeel kan leiden. Zodra immers een overeenkomst eigenschappen vertoont van een overeenkomst van aanneming van werk als van koop, zoals ook hier van toepassing, volgt uit artikel 7:5 lid 4 BW dat de regels van consumentenkoop prevaleren indien de bepalingen van beide overeenkomsten voor een specifieke rechtsvraag niet verenigbaar zijn (vgl. ook Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 09-09-2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:3542).

5.9

De slotsom is dat de vordering dient te worden afgewezen.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.


De beslissing


De rechtbank:


I. wijst de vordering af.


II. Veroordeelt [eiser] in de proceskosten. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op € 876,00 aan griffierecht en € 1.158,00 aan salaris van de advocaat.


III. Veroordeelt [eiser] in de nakosten van deze procedure ten bedrage van respectievelijk € 131,-- zonder betekening en € 199,-- in geval van betekening, indien en voor zover [eiser] niet binnen een termijn van veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis heeft voldaan, met bepaling dat indien deze kosten niet binnen twee weken na betekening van dit vonnis zijn betaald, [eiser] daarover de wettelijke rente is verschuldigd vanaf dat moment tot aan de dag der algehele voldoening.


IV. Verklaart de onderdelen II en III van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.


Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. J.M. Marsman en op woensdag 7 oktober 2015 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.