Rechtbank Overijssel, 27-10-2015 / ak_15_980


ECLI:NL:RBOVE:2015:4785

Inhoudsindicatie
Weigering verlening omgevingsvergunning voor uitbreiden bijgebouw inhoudende verbinding tussen de woning en bijgebouw met zwembad; bouwplan in strijd met de planvoorschriften; beroep ongegrond.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-10-27
Publicatiedatum
2015-10-28
Zaaknummer
ak_15_980
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle


Bestuursrecht


zaaknummer: AWB 15/980


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser 2], te Agelo, eiser,

gemachtigde: mr. A. Hurenkamp,


en


het college van burgemeester en wethouders van Dinkelland, verweerder,




Procesverloop


Bij besluit van 18 september 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd eiser een omgevingsvergunning te verlenen voor het uitbreiden van een bijgebouw op het perceel [adres] te Agelo, kadastraal bekend gemeente Dinkelland, C2155.


Bij besluit van 25 maart 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.


Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2015.

Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. S. Grendelman en J.J.P. Groeneveld.



Overwegingen


1. Op 12 juni 2014 heeft belanghebbende bij verweerder een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor de uitbreiding van een bijgebouw op het onder Procesverloop genoemde perceel. Het bouwplan betreft een reeds gerealiseerde verbinding tussen de woning en het bij besluit van 19 december 2011 vergunde bijgebouw met zwembad.


2. Bij besluit van 18 september 2014, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd wegens strijd met artikel 16.2.3, onder b en d, van voorschriften van het bestemmingsplan “Ootmarsum Overige Gebieden”.

Volgens verweerder kan geen omgevingsvergunning worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), nu in het vigerende bestemmingsplan geen binnenplanse afwijkingsmogelijkheid is opgenomen voor het oprichten van een bijgebouwen voor de voorgevel en het overschrijden van de maximale oppervlakte van bijgebouwen met meer

dan 10%.

Verweerder is niet bereid om onder toepassing van artikel 4 bijlage II van het Bor medewerking te verlenen aan een zogenaamde kruimelafwijking omdat dit planologisch niet aanvaardbaar is. Verweerder verwijst hierbij naar artikel 4 van de “Beleidsregel voor bouwen en gebruik met toepassing in strijd met het planologisch regime” volgens welke beleidsregel afwijking van het bestemmingsplan met toepassing van artikel 4, bijlage II van het Bor mogelijk is als, onder andere, het totaal aan oppervlakte van bijbehorende bouwwerken niet meer bedraagt dan 100 m2. Op het perceel is reeds 246 m2 aan bijgebouwen aanwezig is.

Tot slot geeft verweerder aan dat, anders dan eiser stelt, van een vergunningvrij bouwwerk geen sprake is, omdat het niet is gelegen in het achtererfgebied. Verweerder verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 mei 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1685).


3. Eiser stelt dat sprake is van een vergunningvrij bouwwerk. Verweerder beroept zich volgens eiser in dat verband ten onrechte op de Afdelingsuitspraak omdat deze op onjuiste uitgangspunten is gebaseerd. Het bouwwerk is volgens eiser gelegen op het achtererfgebied en grenst aan een niet openbaar toegankelijk gebied, en kan derhalve vergunningvrij worden gebouwd.

Anders dan verweerder stelt, betreft het bouwplan niet een uitbreiding van het hoofd- of bijgebouw, maar de realisatie van een ingangspartij, welke vergunningvrij is. Volgens eiser heeft de woning op basis van het nieuwe Bor geen naar de openbare weg gerichte gevel. Strikte opvolging van de uitleg van het begrip achtererfgebied die verweerder kennelijk voor ogen heeft, is dat er in het buitengebied helemaal niet vergunningvrij gebouwd kan worden omdat gebouwen in het buitengebied veelal met alle zijden naar de openbare weg zijn gericht. Daar komt bij dat tussen de openbare weg en het hoofdgebouw een schuur staat.

Volgens eiser bevat het bestemmingsplan een feitelijke fout. Door de tekst uit het Bor letterlijk te kopiëren naar het bestemmingsplan “Ootmarsum Overige Gebieden” kan niemand in het buitengebied vergunningvrij bouwen. Dit komt ook tot uitdrukking in artikel 16.6 van de planvoorschriften, waarin is neergelegd de bevoegdheid om het bouwvlak te wijzigen, en als voorwaarde is opgenomen dat de uitbreiding plaatsvindt achter de voorgevelrooilijn. Omdat het bestemmingsplan een fout bevat, had verweerder niet tot de betreffende toetsing van het bestemmingsplan kunnen komen.

Volgens eiser is sprake van een hoekperceel en had verweerder op grond van artikel 16.2.4 van de bebouwingsvoorschriften de gevraagde vergunning kunnen verlenen. Uitgaande van twee voorgevelrooilijnen wordt ook voldaan aan de in artikel 16.6 onder b van de planvoorschriften neergelegde wijzigingsbevoegdheid van verweerder.


4. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan


Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan.

Ingevolge het tweede lid wordt in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.


Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo, kan, indien de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning alleen worden verleend:

1° met toepassing van binnenplanse afwijkingsmogelijkheden;

2° in de in artikel 4 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) aangewezen gevallen;

3° als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.


Artikel 2, aanhef en onder derde lid, van bijlage II bij het Bor luidt voor zover relevant, als volgt:


Een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de wet is niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de daarbij vermelde eisen.


Ter plekke geldt het bestemmingsplan “Ootmarsum Overige Gebieden ”. De bestemming ter plekke is “Wonen”.

Ingevolge artikel 16.2.3 van de planvoorschriften gelden voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken de volgende regels:

De bijbehorende bouwwerken dienen ten minste 3 meter achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan te worden gebouwd.

De gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken mag, mist het bebouwingspercentage van het perceel maximaal 50 bedraagt, voor zover gelegen buiten het bouwvlak:

bij percelen groter dan 400 m2 maximaal 100 m2 bedragen;


Ingevolge artikel 16.2.4 aanhef en onder a van de planvoorschriften mag in afwijking van het bepaalde in onder meer artikel 16.2.3 onder c bij een hoekperceel voor één van de twee naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw dan wel het verlengde daarvan bebouwing worden opgericht, met dien verstande dat:

a. Een bijbehorend bouwwerk voor de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan wordt gebouwd, mits:

1. Het een hoeksituatie betreft waarbij sprake is van twee naar de weg gekeerde gevels van het hoofdgebouw;

2. …

3. …

4. …


5.1

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het bouwplan, te weten het realiseren van een ingangspartij voor het bijgebouw, de uitbreiding van een bijgebouw betreft. De rechtbank acht eisers standpunt dat het in geding zijnde bouwplan door verweerder ten onrechte als uitbreiding van een bijgebouw is aangemerkt, en niet als ingangspartij/erker voor het bijgebouw onbegrijpelijk, nu eiser met een beroep op artikel 2, bijlage II bij het Bor stelt dat sprake is van een vergunningvrij bouwwerk. Daarbij moet het ingevolge artikel 2, aanhef en derde lid, van bijlage II van het Bor gaan om (uitbreiding van) een bijbehorend bouwwerk.


5.2

Zoals de Afdeling in haar, door verweerder aangehaalde, uitspraak heeft overwogen,

moet de naar het oosten gerichte gevel van het woonhuis van eiser als voorgevel worden aangemerkt. Het bouwplan wordt gebouwd vóór de voorgevel. Gelet hierop is geen sprake van een activiteit die betrekking heeft op een op de grond staand bijbehorend bouwwerk in het achtererfgebied, zodat om die reden geen sprake is van een omgevingsvergunningvrij bouwwerk.

Het feit dat zich tussen de openbare weg en het hoofdgebouw een schuur bevindt maakt dit niet anders.


5.3

De bij besluit van 4 september 2014 gewijzigde Bor heeft hierin geen verandering gebracht.


5.4

Eiser kan niet worden gevolgd in zijn standpunt dat de Afdeling er ten onrechte vanuit is gegaan dat de aangrenzende sloot als openbaar (vaar-)water dient te worden aangemerkt. Nu het bouwwerk ook volgens de Afdeling niet is geprojecteerd in het achtererfgebied is de vraag of de aangrenzende sloot openbaar (vaar)water betreft niet relevant.


5.5

Verder kan eiser niet worden gevolgd in zijn beroepsgrond dat het hanteren van een strikte uitleg van het begrip achtererfgebied in strijd is met de eisen van redelijkheid. Het betreft hier immers de toepassing van een wet in formele zin waarbij verweerder geen ruimte heeft om een eigen uitleg te geven aan de betreffende wettelijke norm.


6.1

Vast staat, en door eiser wordt niet bestreden, dat het bouwplan in strijd is met artikel 16.2.3, onder b en onder d, van de planvoorschriften.


6.2

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het onderhavige perceel geen hoekperceel betreft, omdat het slechts een naar de weg gekeerde gevel heeft, zodat artikel 16.2.4 van de planvoorschriften niet van toepassing is en voor de voorgevel geen bebouwing mag worden opgericht.


6.3

Voor zover eiser beoogt te betogen dat het vigerende bestemmingsplan onverbindend is omdat het bestemmingsplan de mogelijkheid om bijgebouwen op te richten beperkt tot het achtererfgebied, volgt de rechtbank dit betoog niet. Het bestemmingsplan is onherroepelijk. Niet snel kan worden aangenomen dat een bepaling van een onherroepelijk vastgesteld bestemmingsplan onverbindend wordt geacht. De enkele stelling dat de mogelijkheid om vergunningvrij te bouwen in artikel 2 van bijlage II bij het Bor eveneens beperkt is tot het achtererfgebied en gebouwen in het buitengebied veelal met alle zijden naar de openbare weg zijn gericht, is, wat hiervan ook zij, onvoldoende. Bovendien kan eiser in zijn geval op het achtererfgebied bouwen.

7 Hieruit volgt dat het bouwplan in strijd is met de planvoorschriften.


8. Eiser bestrijdt voorts niet dat verweerder niet bevoegd was om op grond van artikel 21.1.1 van de planvoorschriften af te wijken van de in de bestemmingsregels gegeven maten en afmetingen. Ook heeft eiser geen gronden aangevoerd tegen verweerders standpunt niet bereid te zijn toepassing te geven aan 2.12, eerste lid, onder a, 2º, van de Wabo.


9. Eventuele toepassing van de wijzigingsbevoegdheid neergelegd in artikel 16.6.1. van de planvoorschriften ligt niet ter toetsing voor.


10. Het beroep is derhalve ongegrond.


11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, rechter, in aanwezigheid van

mr. A. Landstra, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op





griffier rechter






Afschrift verzonden aan partijen op:


Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.