Rechtbank Overijssel, 28-10-2015 / ak_15_1106


ECLI:NL:RBOVE:2015:4810

Inhoudsindicatie
Beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van recht; doel slechts het verkrijgen van een proceskostenvergoeding geweest.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-10-28
Publicatiedatum
2015-11-11
Zaaknummer
ak_15_1106
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle


Bestuursrecht


zaaknummer: AWB 15/1106


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] [eiser] te Almelo, eiser,

gemachtigde: F.R. Eggink,


en


Stadstoezicht Almelo B.V., verweerder, gemachtigde: mr. W. Altenaar.



Procesverloop


Bij besluit van 20 januari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder, voor zover hier van belang, het verzoek namens eiser om toezending van de complete ontvangstadministratie in deze zaak, voor zover in bezit van Stadstoezicht Almelo BV, toegewezen.


Bij besluit van 21 mei 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.


Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2015.

Eiser is verschenen bij zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en drs. M.J.H. Hekkink.



Overwegingen


1. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of het beroep kan worden ontvangen. Daartoe is van belang dat van de zijde van verweerder is opgemerkt dat er mogelijk sprake is van misbruik van recht.


De rechtbank overweegt dat uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS), zie onder meer ECLI:NL:RVS:2014:4135, volgt dat zwaarwichtige gronden vereist zijn om tot het oordeel te komen dat iemand misbruik heeft gemaakt van een wettelijke bevoegdheid.


2. Verweerder heeft hierover in het verweerschrift en ter zitting naar voren gebracht dat eiser een tijdige besluitvorming heeft bemoeilijkt door het Wob-verzoek op niet duidelijke wijze kenbaar te maken, maar te verstoppen in een schrijven dat ogenschijnlijk op een ander onderwerp ziet. Ook met het gebruik van verschillende niet herleidbare kenmerken en een vage omschrijving bij het rappelleren, alsmede met de veelheid aan ingediende Wob-verzoeken, wordt volgens verweerder slechts beoogd om de besluitvorming te vertragen ten einde dwangsommen te verbeuren.


3. Van de zijde van eiser is kort weergegeven gereageerd met de stelling dat er sprake was van een Wob-verzoek, dat het Wob-verzoek duidelijk herkenbaar is en dat de vermelding van de laatste 9 cijfers van het CJIB-nummer voldoende is. Eisers gemachtigde heeft verder gesteld dat een belang bij een Wob-verzoek niet behoeft te worden aangetoond, terwijl hij met het oog op de belangen van zijn cliënt niet heeft willen melden met welk doel het Wob-verzoek is gedaan.


4. De rechtbank overweegt allereerst dat het verzoek in kwestie verdekt is opgenomen in een schrijven van 9 oktober 2014, dat in de aanhef de vermelding “Betreft: Vordering dwangsom CJIB-nummer 1062 5421 8212 0133” bevat en daar, op de laatste alinea na, ook inhoudelijk op in gaat. De eveneens in dat schrijven opgenomen vermelding “Uw referentie: 1001303/86915/8001” wijst voorts op een eerder besluit van 7 oktober 2014 ten aanzien van een eerder Wob-verzoek van eiser.

Daarnaast was het bedoelde verzoek naar het oordeel van de rechtbank evenmin voor verweerder te herleiden uit de brief van 27 november 2014, welke brief volgens eiser als ingebrekestelling moet worden gezien. In die brief wordt immers verwezen naar een op 9 oktober 2014 ingediend verzoek, hetgeen leek te zien op de dwangsomvordering.

Voorts kan het niet (geheel) vermelden van het volledige CJIB-nummer en de door verweerder gehanteerde eigen kenmerken door een professioneel gemachtigde die vele Wob-verzoeken met betrekking tot onder meer verkeersboetes heeft gedaan, blijkens jurisprudentie van de AbRS, zie onder meer ECLI:NL:RVS:2015:1255, niet anders worden begrepen dan bedoeld om de besluitvorming bij verweerder te vertragen, zodat deze een dwangsom verbeurt en om proceskostenvergoedingen te verkrijgen.

Dit beeld wordt versterkt doordat eiser eerst nadat in zijn ogen de volledige dwangsom van

€ 1.260,-- was verbeurd, in de brief van 2 januari 2015 duidelijk kenbaar heeft gemaakt dat in de brief van 9 oktober 2014 sprake was van een 2e Wob-verzoek. Opvallend is voorts dat onder aan de brief van 2 januari 2015 met de dwangsomvordering wederom is gevraagd om de complete ontvangstadministratie onder de Wob.


Naar het oordeel van de rechtbank geeft het procesgedrag van de gemachtigde van eiser in deze zaak blijk van handelingen waarvan hij geweten moet hebben dat die een (tijdige) besluitvorming onnodig konden bemoeilijken. Daarbij betrekt de rechtbank dat het haar ambtshalve bekend is dat eisers gemachtigde veel procedures voert naar aanleiding van besluitvorming over Wob-verzoeken en over het niet tijdig nemen van besluiten, en derhalve goed op de hoogte is van het ten aanzien van zulke procedures geldende recht.


Het handelen van de gemachtigde moet eiser worden toegerekend.


5. De rechtbank komt tot het oordeel dat uit de geschetste gang van zaken, in samenhang met de genoemde omstandigheden, kan worden afgeleid dat zwaarwichtige gronden als bedoeld in de genoemde Afdelingsuitspraak aanwezig zijn. De rechtbank kan niet anders dan concluderen dat eiser met deze procedure, waarin begrepen het namens hem laten voeren van de procedures van bezwaar en beroep, niet heeft beoogd om in documenten neergelegde informatie te verkrijgen of openbaar te doen maken, maar dat het doel voor hem slechts is geweest dat hij een proceskostenvergoeding zou verkrijgen in bezwaar – en eventueel in (hoger) beroep – en/of dat verweerder aan hem de maximale dwangsom zou verbeuren. Eiser en zijn gemachtigde hebben rechten en bevoegdheden zodanig evident aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waarvoor zij zijn gegeven, dat dit is te zien als misbruik van recht.


Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens misbruik van recht. Dat heeft tot gevolg dat de rechtbank niet meer toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep.


Uit het voorgaande volgt dat sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht door (de gemachtigde van) eiser in de zin van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb. Dat biedt grond om eiser (ambtshalve) te veroordelen in de kosten die verweerder in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Nu niet door verweerder is gesteld dat hij dergelijke kosten heeft gemaakt, zal de rechtbank niet tot een proceskostenveroordeling overgaan.



Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep niet ontvankelijk.


Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Hardonk-Prins, rechter, in aanwezigheid


M.W. Hulsman, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op





griffier rechter






Afschrift verzonden aan partijen op:


Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.