Rechtbank Overijssel, 02-12-2015 / Awb 15/1673


ECLI:NL:RBOVE:2015:5309

Inhoudsindicatie
Afwijzing gevraagde tegemoetkoming in de adoptiekosten; tijdstip van "afgeronde adoptie" identiek aan tijdstip van "geadopteerd zijn"; beroep gegrond.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-12-02
Publicatiedatum
2015-12-02
Zaaknummer
Awb 15/1673
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle


Bestuursrecht


zaaknummer: AWB 15/1673


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] en [eiseres], te Rijssen, eisers,

gemachtigde: mr. R.J. van Rijn,


en


de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder.




Procesverloop


Bij besluit van 12 maart 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers om een tegemoetkoming in de adoptiekosten afgewezen.


Het hiertegen gerichte bezwaarschrift is bij besluit van 25 juli 2014 ongegrond verklaard. Het hiertegen gerichte beroep is door deze rechtbank in haar uitspraak van 19 januari 2015, zaaknummer 14/2300, gegrond verklaard. Het besluit van 25 juli 2014 is vernietigd en verweerder is opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaarschrift van eisers met inachtneming van deze uitspraak.


Bij besluit van 6 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder, opnieuw beslissend op bezwaar na vernietiging, het bezwaar van eisers wederom ongegrond verklaard.


Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Eisers hebben gereageerd op dit verweerschrift.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2015. Eiser [eiser] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.E. den Hertog en mr. S.N. Warneke.



Overwegingen


1. Tot 1 januari 2009 gold voor adoptiefouders een fiscale aftrekregeling voor de kosten die verband houden met een (interlandelijke) adoptie. Een separate vergoedingsregeling voor deze kosten is met ingang van 1 januari 2012 opgenomen in een (nieuw) hoofdstuk 3a in de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie (hierna: Wobka). Deze tegemoetkoming is uitsluitend van toepassing op kinderen die tussen 1 januari 2009 en 1 januari 2013 zijn geadopteerd.


Hoofdstuk 3a van de Wobka is getiteld ‘Tegemoetkoming kosten’ en bestaat uit de artikelen 9a, 9b, 9c en 10.


Artikel 9a, eerste lid, van de Wobka bepaalt dat onze Minister adoptiefouders op hun verzoek een tegemoetkoming verleent in de kosten die zij gemaakt hebben in verband met de interlandelijke adoptie van een kind indien:

a. het verzoek is ingediend binnen drie jaren nadat het kind door de adoptiefouders is geadopteerd;

b. het kind de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen of, indien geen van de adoptiefouders de Nederlandse nationaliteit heeft, het kind de nationaliteit van ten minste één van de adoptiefouders heeft verkregen;

c. de adoptie in overeenstemming met deze wet is afgerond.


Artikel 9b, eerste lid, van de Wobka bepaalt dat de hoogte van de tegemoetkoming in de kosten van interlandelijke adoptie als bedoeld in artikel 9a € 3.700,- bedraagt.


Artikel 9c van de Wobka bepaalt dat dit hoofdstuk uitsluitend van toepassing is op kinderen die tussen 1 januari 2009 en 1 januari 2013 zijn geadopteerd.


2. Eisers hebben een kind uit de Filipijnen geadopteerd. Hun zoon verblijft sinds 26 april 2012 bij hen in Nederland. Bij aanvraag van 14 januari 2014 hebben eisers verweerder verzocht hen in aanmerking te brengen voor een tegemoetkoming in de adoptiekosten op grond van de Wobka en de Regeling tegemoetkoming adoptiekosten.


In het primaire besluit, gehandhaafd in de beslissing op bezwaar van 25 juli 2014, heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Hierbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat in casu niet is voldaan aan de eis - zoals neergelegd in artikel 9a, eerste lid, onder c, van de Wobka - dat de adoptie in overeenstemming met deze wet moet zijn afgerond tussen

1 januari 2009 en 1 januari 2013. Verweerder huldigt hierbij het standpunt dat eerst door middel van de akte van 30 januari 2013, waarbij de Filipijnse autoriteiten de “full adoption” hebben bevestigd, de adoptie is afgerond.


Deze rechtbank heeft in haar uitspraak van 19 januari 2015, voornoemde beslissing op bezwaar vernietigd. De rechtbank heeft hierbij, samengevat weergegeven, overwogen dat uit de Memorie van Toelichting (hierna MvT) bij de wijziging van de Wobka (Kamerstukken 2009-2010, 32 446, nr. 3, pag. 6) niet eenduidig blijkt wat de wetgever verstaat onder het begrip ‘afronden van de adoptie’ zoals neergelegd in artikel 9a van de Wobka. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de strikte uitleg die verweerder aan artikel 9a, eerste lid, onder c, van de Wobka heeft gegeven, te weten dat de adoptie is afgerond als de adoptiefouders beschikken over een (rechterlijke) uitspraak uit het land van herkomst van het kind, niet blijkt uit de wettekst en de MvT. Daarentegen doet de redactie van de MvT vermoeden dat de wetgever op dit punt minder vergaande eisen stelt, aldus de rechtbank. De rechtbank heeft de beslissing op bezwaar vernietigd vanwege een zorgvuldigheidsgebrek en een motiveringsgebrek. De rechtbank heeft verweerder opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaarschrift van eisers met inachtneming van deze uitspraak.


Verweerder heeft geen hoger beroep ingesteld tegen voornoemde uitspraak van deze rechtbank. Verweerder heeft een nieuwe beslissing genomen op het bezwaarschrift van eisers.


In deze nieuwe beslissing (het thans bestreden besluit) stelt verweerder dat de rechtbank, gelet op haar uitspraak van 19 januari 2015, heeft geoordeeld dat een adoptieprocedure in de zin van artikel 9a, eerste lid, onder c, van de Wobka als afgerond kan worden beschouwd wanneer het kind in Nederland is aangekomen. Verder vereist een adoptieprocedure krachtens de Wobka dat adoptiefouders ten tijde van het starten van de adoptieprocedure moeten beschikken over een geldige beginseltoestemming en dat zij gebruik hebben gemaakt van een vergunninghouder. Verweerder stelt dat hij, net als de rechtbank, van mening is dat de aanvraag van eisers voldoet aan artikel 9a, eerste lid, onder c, van de Wobka en dat de adoptie daarmee in overeenstemming met de Wobka is afgerond.


Verweerder stelt verder dat dit standpunt van hem, evenals de uitspraak van de rechtbank van 19 januari 2015, slechts zien op de interpretatie van de term ‘afgeronde adoptie’ zoals opgenomen in artikel 9a, eerste lid, onder c, van de Wobka. De rechtbank heeft zich niet uitgelaten over de term ‘geadopteerd zijn’ zoals dit is opgenomen in artikel 9c van de Wobka. Verweerder stelt zich op het standpunt dat ‘geadopteerd zijn’ niet hetzelfde is als ‘afgeronde adoptie’. Er is pas sprake van ‘geadopteerd zijn’ in de zin van artikel 9c van de Wobka op het moment dat de bevoegde autoriteit in het land van herkomst zich definitief over de adoptie heeft uitgelaten. In casu is dat bij adoptie-uitspraak van 30 januari 2013. Nu de zoon van eisers niet is geadopteerd voor 1 januari 2013, dient de aanvraag om een tegemoetkoming te worden afgewezen op grond van artikel 9c van de Wobka, aldus verweerder.


3. Eisers stellen in hun beroepschrift dat de rechtbank de eerdere beslissing op bezwaar heeft vernietigd. Nu verweerder hiertegen geen hoger beroep heeft ingesteld, dient verweerder zich te houden aan de door de rechtbank gestelde parameters. De nieuwe beslissing op bezwaar is feitelijk identiek aan de vernietigde beslissing op bezwaar. Dit is juridisch niet toegestaan, aldus eisers.


Verweerder stelt in zijn verweerschrift, samengevat weergegeven, dat de vernietigde beslissing op bezwaar was gebaseerd op artikel 9a, eerste lid, onder c, van de Wobka. Dit onderdeel schrijft naar het oordeel van verweerder niets anders voor dan dat adoptiefouders bij de adoptieprocedure alle in de Wobka gestelde voorschriften voor de opneming van een buitenlands kind in acht moeten hebben genomen. De thans voorliggende beslissing op bezwaar is gebaseerd op artikel 9c van de Wobka. Uit dit artikel volgt dat een tegemoetkoming in de adoptiekosten slechts kan worden verstrekt als het kind tussen 1 januari 2009 en 1 januari 2013 is geadopteerd. Dit ‘geadopteerd zijn’ betekent dat de bevoegde autoriteit een beslissing heeft genomen waardoor familierechtelijke betrekkingen tussen adoptiefouders en het kind tot stand zijn gekomen. Verweerder is van mening dat ‘is geadopteerd’ in de zin van artikel 9c van de Wobka overeenstemt met de term ‘is geadopteerd’ in artikel 9a, eerste lid, onder a, van de Wobka maar niet overeenstemt met ‘afgeronde adoptie’ in de zin van artikel 9a, eerste lid, onder c, van de Wobka.


Eisers stellen in hun nadere reactie, samengevat weergegeven, dat niet valt in te zien waarom ‘geadopteerd zijn’ als bedoeld in artikel 9c van de Wobka iets anders zou zijn dan ‘afgeronde adoptie’ als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, onder c, van de Wobka. Eisers verwijzen naar de toelichting op de Nota van Wijziging (Kamerstukken 2010-2011, 32 446, nr. 7) waarin staat verwoord dat de adoptie tussen 1 januari 2009 en 1 januari 2013 ‘tot stand moet zijn gekomen’.


4. De rechtbank overweegt als volgt.


4.1.

De rechtbank overweegt allereerst dat in het bestreden besluit wordt uitgegaan van de aanname dat de rechtbank in haar uitspraak heeft geoordeeld/vastgesteld dat er sprake is van een afgeronde adoptie ex artikel 9a, eerste lid, onder c, van de Wobka op het moment het kind in Nederland is aangekomen. Deze aanname is niet juist. De rechtbank heeft de beslissing op bezwaar vernietigd wegens een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. Het feit dat de rechtbank heeft aangegeven dat het standpunt dat het tijdstip van de komst naar Nederland goed verdedigbaar is, betekent niet dat de rechtbank dit tijdstip als finaal oordeel heeft gehanteerd.


Verder overweegt de rechtbank dat verweerder, indien hij van mening zou zijn geweest dat zijn aanvankelijke standpunt (te weten dat er sprake is van een afgeronde adoptie op het moment dat de bevoegde autoriteit de ‘full adoption’ heeft bevestigd) juist is en bovendien afdoende was onderbouwd, hoger beroep had moeten instellen tegen deze uitspraak van de rechtbank.


Verweerder heeft ervoor gekozen om geen hoger beroep in te stellen. Verder heeft verweerder zich in het thans bestreden besluit op het standpunt gesteld dat er sprake is van een afgeronde adoptie op het moment dat het kind in Nederland aankomt.


4.2.

Partijen zijn verdeeld over de vraag of de term ‘afgeronde adoptie’ als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, onder c, van de Wobka overeenstemt met dan wel identiek is aan de term ‘geadopteerd zijn’ in de zin van artikel 9c van de Wobka. Achterliggende vraag hierbij is of artikel 9a, eerste lid, onder c, van de Wobka enkel ziet op het doorlopen van de procedure zoals neergelegd in de Wobka.


Verweerder beantwoordt de eerste vraag ontkennend en de tweede vraag bevestigend. Eisers beantwoorden de eerste vraag bevestigend en de tweede vraag ontkennend.


De rechtbank overweegt als volgt.


Artikel 9a, eerste lid, van de Wobka bevat een cumulatieve opsomming van verleningsgronden: de tegemoetkoming in de adoptiekosten wordt door verweerder verleend indien is voldaan aan alle voorwaarden zoals neergelegd in dit lid. In artikel 9c wordt de regeling voor de tegemoetkoming in de adoptiekosten in tijdsduur begrensd.


Naar het oordeel van de rechtbank bestaat onderdeel c van artikel 9a, eerste lid, van de Wobka uit twee componenten dan wel voorwaarden. Ten eerste moet de adoptieprocedure overeenkomstig de bepalingen in de Wobka zijn doorlopen. Ten tweede moet de adoptie zijn afgerond. Dit ‘afronden’ moet naar het oordeel van de rechtbank worden geduid als ‘zijn voltooid’.


De rechtbank zoekt voor dit oordeel ten eerste aansluiting bij de uitleg die in het Van Dale woordenboek aan de term ‘afgerond’ wordt gegeven, te weten: ‘zijn volle vorm hebbend, zonder gapingen of leemten = compleet’. Indien verweerders interpretatie van dit onderdeel c juist zou zijn, zou de term ‘afgerond’ geen enkele betekenis hebben.

Ten tweede impliceert verweerders standpunt - dat onderdeel c ‘slechts’ ziet op het doorlopen van de procedure - dat het toetsingskader voor het verlenen van een tegemoetkoming in de adoptiekosten is verdeeld over twee verschillende artikelen. Immers, artikel 9a, eerste lid, bevat cumulatieve verleningsgronden en artikel 9c van de Wobka bevat alsdan niet alleen een begrenzing in tijdsduur maar tevens een separate (en eveneens cumulatieve) verleningsgrond. Dit laatste betreft de (verlenings)grond dat de adoptie moet zijn voltooid. Verweerders standpunt resulteert dan ook in het ‘verdelen’ van de verleningsgronden over twee separate artikelen, die gescheiden zijn door een andersoortig artikel, te weten het financiële artikel 9b. Het opnemen van cumulatieve verleningsgronden in twee afzonderlijke artikelen, die ook nog eens ‘gescheiden’ worden door een andersoortig artikel, is onnodig verwarrend. De rechtbank vermag niet in te zien dat de formele wetgever een dergelijke wijze van redigeren zou hebben beoogd.


De (achterliggende) vraag of artikel 9a, eerste lid, onder c, van de Wobka enkel ziet op het doorlopen van de procedure zoals neergelegd in de Wobka, wordt door de rechtbank dan ook ontkennend beantwoord. Dit betekent dat de vraag of de term ‘afgeronde adoptie’ als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, onder c, van de Wobka en de term ‘geadopteerd zijn’ in de zin van artikel 9c van de Wobka met elkaar overeenstemmen dan wel identiek zijn, door de rechtbank bevestigend wordt beantwoord. Dit betekent dat de termen ‘afgeronde adoptie’ als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, onder c, van de Wobka en ‘geadopteerd zijn’ als bedoeld in artikel 9c van de Wobka, hetzelfde stadium in de adoptie c.q. hetzelfde tijdstip behelzen.


Nu verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld dat een ‘afgeronde adoptie’ overeenstemt met het moment dat het kind in Nederland aankomt, dit tijdstip is gelegen voor 1 januari 2013 (hetgeen tussen partijen niet in geschil is) en de rechtbank in deze uitspraak heeft geoordeeld dat het tijdstip van de ‘afgeronde adoptie’ identiek is aan het tijdstip van ‘geadopteerd zijn’, is de zoon van eisers geadopteerd voor 1 januari 2013. Van strijd met artikel 9c van de Wobka is daarom geen sprake. Nu verweerder zich in het thans bestreden besluit tevens op het standpunt heeft gesteld dat er van strijd met artikel 9a, eerste lid, van de Wobka geen sprake is, is er geen grond om de gevraagde tegemoetkoming te weigeren.


5. Het beroep is dan ook gegrond wegens strijd met artikelen 9a, eerste lid, en 9c van de Wobka. Het bestreden besluit kan in rechte niet in stand blijven en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen.


Eisers hebben de rechtbank gevraagd het geschil finaal te beslechten en, zelf in de zaak voorziend, te bepalen dat zij in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de adoptiekosten ten bedrage van € 3.700,-. Verweerder heeft de rechtbank ter zitting meegedeeld dat een dergelijke uitspraak consequenties heeft voor lopende aanvragen.


De rechtbank overweegt hieromtrent dat tegen deze uitspraak hoger beroep open staat. Hangende hoger beroep kan verweerder de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verzoeken om de voorlopige voorziening te treffen dat verweerder geen uitvoering aan de uitspraak van de rechtbank hoeft te geven voordat op het hoger beroep is beslist.


Verder doet de rechtbank uitspraak in een aan haar voorgelegd geschil. Dit oordeel strekt zich niet uit over komende besluitvorming in andere aanvragen die bij verweerder zijn ingediend.

De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak voorzien in de zin dat zij bepaalt dat verweerder een tegemoetkoming in de adoptiekosten ten bedrage van € 3.700,- aan eisers verleent.


6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht ad € 167,- vergoedt.


7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1). De reiskosten van eiser Ter Haar voor het bijwonen van de zitting komen eveneens voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank stelt deze kosten vast op € 17,60 (kosten openbaar vervoer; tweede klasse).



Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit, bepaalt dat verweerder aan eisers een tegemoetkoming in de adoptiekosten verleent ten bedrage van € 3.700,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167,- aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 997,60.



Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.E.M. Lever, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op








griffier rechter



Afschrift verzonden aan partijen op:



Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.