Rechtbank Overijssel, 07-12-2015 / ak_15_1495


ECLI:NL:RBOVE:2015:5362

Inhoudsindicatie
Verleende beginseltoestemming tot het opnemen van een buitenlands kind met het oog op adoptie ingetrokken; verweerder heeft advies van de Raad voor de Kinderbescherming aan dit besluit ten grondslag mogen leggen; beroep ongegrond.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-12-07
Publicatiedatum
2015-12-08
Zaaknummer
ak_15_1495
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle


Bestuursrecht


zaaknummer: AWB 15/1495


uitspraak van de meervoudige kamer in het geschil tussen

[eiseres] , eiseres en [eiser] , eiser,te Nijverdal, hierna aan te duiden als eisers,


en


de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

Procesverloop


Bij besluit van 27 september 2011 heeft verweerder aan eiseres beginseltoestemming verleend tot het opnemen van een buitenlands kind met het oog op adoptie.


Bij besluit van 11 juni 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan eiseres verleende beginseltoestemming tot het opnemen van een buitenlands kind met het oog op adoptie ingetrokken. Eisers hebben daartegen bezwaar gemaakt.


Bij besluit van 12 december 2013 heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 26 augustus 2014 (Awb 14/197) heeft de rechtbank het beroep van eisers gegrond verklaard en het besluit van 12 december 2013 vernietigd.


Bij besluit van 15 juni 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers wederom ongegrond verklaard.


Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2015.

Eisers zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door M.C. van Muiswinkel, D. Bourne, G.M. Nijzing, P.C.M.A. Verstegen en J. Smit.



Overwegingen


1.1

Eisers zijn onvrijwillig kinderloos. Zij hebben begin 2010 een aanvraag gedaan om een voorafgaande schriftelijke mededeling van de minister, dat deze in beginsel toestemming verleent voor de opname van een buitenlands kind ter adoptie (hierna: beginseltoestemming). In de loop van 2011 is de aanvraag gewijzigd in een aanvraag op naam van eiseres alleen. Door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: RvdK) is een onderzoek ingesteld. De RvdK heeft op 14 september 2014 geadviseerd om de beginseltoestemming te verlenen. Bij besluit van 27 september 2011 heeft verweerder beginseltoestemming verleend voor de opneming van één buitenlands kind ter adoptie.


1.2

Naar aanleiding van een eind 2012 ontvangen anonieme melding heeft verweerder de Raad verzocht een aanvullend onderzoek in te stellen naar de geschiktheid van eisers om een buitenlands kind te adopteren.


1.3

Op 12 april 2013 heeft de Raad een aanvullend rapport uitgebracht, waarin geadviseerd wordt om de beginseltoestemming voor een periode van één jaar op te schorten. Verweerder heeft vervolgens, bij het primaire besluit, de aan eiseres verleende beginseltoestemming tot het opnemen van een buitenlands kind met het oog op adoptie ingetrokken. .


1.4

Vervolgens heeft nieuw onderzoek door de RvdK plaatsgevonden. Op 14 april 2015 is een nieuw rapport uitgebracht door de RvdK. In dit rapport wordt geconcludeerd dat eisers niet geschikt zijn om een adoptiekind op te nemen in hun gezin.


2.1

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de RvdK, het bezwaar van eisers wederom ongegrond verklaard. Eisers beschikken onvoldoende over de extra vaardigheden die de opvoeding van een adoptiefkind vereist. Eisers hebben onvoldoende inzicht om op een goede manier om te kunnen gaan met de specifieke opvoedingsvragen die komen kijken bij de opvoeding van een adoptiefkind. Eisers hebben geen realistisch beeld van hun eigen vaardigheden. Daarnaast is de psychische en lichamelijke draagkracht van eisers beperkt. Bovendien is binnen de familie van eiser sprake van een verstoorde relatie, wat tot stress kan leiden.


2.2

Eisers stellen zich op het standpunt dat het bestreden besluit op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen en niet deugdelijk is gemotiveerd. Het advies van de RvdK, waar verweerder zich op heeft gebaseerd, is niet deugdelijk onderbouwd. Conclusies in dit advies zijn onjuist en onzorgvuldig getrokken. Uit de verklaringen van de keuringsarts Ten Hove en de psychiater Walrave (hierna: Walrave) blijkt dat eisers wel degelijk beschikken over voldoende lichamelijke en psychische draagkracht om een adoptiefkind op te voeden. Verweerder heeft onredelijk laat op het bezwaar beslist, waardoor de mogelijkheden om tot daadwerkelijke adoptie te kunnen komen verkleind zijn.


3.1

De rechtbank stelt voorop dat de bij besluit van 27 september 2011 verleende beginseltoestemming geldig was tot 5 augustus 2015. De rechtbank heeft ter zitting ambtshalve de vraag aan de orde gesteld wat het belang is van de beoordeling van dit geschil nu de geldigheid van de ingetrokken beginseltoestemming reeds van rechtswege geëindigd was.


3.2

Gebleken is dat eisers een aanvraag hebben gedaan om verlenging van de geldigheid van de eerder verleende (en ingetrokken) beginseltoestemming. Ter zitting is namens verweerder verklaard dat verlenging van de geldigheidsduur van de beginseltoestemming mogelijk is, indien zou blijken dat de bij besluit van 27 september 2011 verleende beginseltoestemming ten onrechte is ingetrokken wegens de vermeende ongeschiktheid van eisers voor de verzorging en opvoeding van een buitenlands kind. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangenomen dat eisers geen belang meer hebben bij de beoordeling van dit beroep.


4. De rechtbank stelt voorop dat bij uitspraak van 26 augustus 2014 (Awb 14/197) het beroep van eisers tegen het besluit van 12 december 2013 gegrond is verklaard en dat dat besluit bij deze uitspraak is vernietigd. Verweerder is opgedragen om met inachtneming van wat in die uitspraak is overwogen opnieuw op het bezwaar te beslissen. Tegen de uitspraak van 26 augustus 2014 is geen hoger beroep ingesteld, zodat deze onherroepelijk is geworden. De rechtbank zal bij de beoordeling van het bestreden besluit dan ook uitgaan van hetgeen in voornoemde uitspraak van 26 augustus 2014 is overwogen.


5.1

De rechtbank stelt vast dat bij de hiervoor genoemde uitspraak van 26 augustus 2014 geen termijn is bepaald waarbinnen opnieuw op het bezwaar diende te worden beslist. Onder deze omstandigheden volgt uit het bepaalde in artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat in beginsel binnen zes weken opnieuw op het bezwaar diende te worden beslist.


5.2

Op grond van het bepaalde in artikel 7:10, vierde lid, onder c, van de Awb is verder uitstel evenwel mogelijk indien dit nodig is in verband met de naleving van wettelijke procedurevoorschriften. In de uitspraak van 26 augustus 2014 heeft de rechtbank evenwel geconstateerd dat het rapport van de RvdK van 12 april 2013, waar verweerder zich voorheen op gebaseerd had, een aantal gebreken bevatte en dat de in dat rapport getrokken conclusies onvoldoende waren onderbouwd. Gelet op dit oordeel van de rechtbank was een nieuw onderzoek door de RvdK in dit geval noodzakelijk. Een dergelijk onderzoek is in het geval van intrekking van een beginseltoestemming op grond van het bepaalde in artikel 6, tweede lid, van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie (Wobka) voorgeschreven. Verweerder heeft, na overleg met eisers, het naar aanleiding van dit onderzoek op te stellen nieuwe rapport van de RvdK afgewacht alvorens opnieuw het bezwaar is beslist. Van schending van enig wettelijk voorschrift is dan ook geen sprake.


6.1

Artikel 2 van de Wobka bepaalt dat de opneming in Nederland van een buitenlands kind met het oog op adoptie uitsluitend is toegestaan, indien van Onze Minister een voorafgaande schriftelijke mededeling is verkregen, dat deze in beginsel voor zodanige opneming toestemming verleent.


6.2

In artikel 6, eerste lid, van de Wobka is bepaald dat indien blijkt dat aspirant-adoptiefouders aan wie een beginseltoestemming is verleend, niet langer geschikt zijn voor de verzorging en opvoeding van een buitenlands kind, Onze Minister besluit tot intrekking van de beginseltoestemming.


7.1

Naar het oordeel van de rechtbank hanteert verweerder bij interlandelijke adoptie terecht het uitgangspunt dat hierbij het belang van het kind voorop dient te staan. Verweerder wijst er naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte op dat kinderen die worden geadopteerd vaak een problematische achtergrond hebben en dat zij vaak ervaringen zullen hebben opgedaan die hun ontwikkeling negatief hebben beïnvloed. Met het oog op het belang van deze kinderen stelt verweerder daarom hoge eisen aan aspirant-adoptiefouders.


7.2

Verweerder heeft zijn oordeel volledig gebaseerd op het advies van de RvdK. Een dergelijke handelwijze is in overeenstemming met artikel 3:49 van de Awb en is daarom op zichzelf genomen aanvaardbaar, nu het advies waarnaar verwezen wordt zelf de motivering bevat en van het advies tevens kennis is gegeven. De rechtbank zal daarom toetsen of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en of dit advies deugdelijk is gemotiveerd.


7.3

De rechtbank stelt in dit verband voorop dat de RvdK te beschouwen is als een deskundige instantie voor wat betreft de beantwoording van de vraag of aspirant-adoptiefouders geschikt zijn om een buitenlands kind te verzorgen en op te voeden. Verweerder mag in beginsel op de door de RvdK uitgebrachte adviezen afgaan. Wel dient verweerder zich ervan te vergewissen dat het door de RvdK verrichte onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.


7.4

De rechtbank is van oordeel dat het advies van de RvdK tegemoetkomt aan hetgeen waartoe verweerder op grond van de uitspraak van 26 augustus 2014 gehouden was. In het huidige rapport wordt rekening gehouden met de verklaringen van artsen die eisers hadden ingebracht. Evenmin wordt in het huidige advies – anders dan bij het vernietigde besluit van 12 december 2013 - op grond van het enkele feit dat sprake is (geweest) van een psychiatrische behandeling geconcludeerd dat eisers niet geschikt zijn als aspirant-adoptiefouders. In het door verweerder overgenomen advies heeft een opsomming plaatsgevonden van beschermde factoren en van risicofactoren, die vervolgens tegen elkaar zijn afgewogen.


7.5

De rechtbank is van oordeel dat de beschermende factoren en de risicofactoren in het door verweerder overgenomen advies op zorgvuldige wijze tegen elkaar zijn afgewogen.

Als beschermende factoren worden in het advies onder meer genoemd het gegeven dat eisers een goede relatie hebben, dat aannemelijk is dat zij een adoptiefkind liefdevol zullen benaderen, een warm gezinsklimaat zullen bieden en dat zij basale zorg en veiligheid zullen bieden. Ook beschikken eisers over een sociaal netwerk van familie, vrienden en kennissen, waarop zij kunnen terugvallen.

Als risicofactoren worden in het advies onder meer genoemd de verstoorde verhouding met een deel van eisers familie, de beperkte lichamelijke en psychische belastbaarheid van eisers, de omstandigheid dat zij voor hun functioneren sterk afhankelijk zijn van structuur, een gebrek aan inlevingsvermogen in de specifieke behoeften van een adoptiefkind en dat zij geen realistische verwachting hebben ten aanzien van de opvoedingsbelasting.

Naast een inventarisatie van de hiervoor genoemde factoren zijn ook andere vragen die verweerder op 2 oktober 2014 aan de RvdK had gesteld in het advies op zorgvuldige wijze beantwoord. In het advies wordt geconcludeerd dat de huidige situatie van eisers en hun relatie stabiel zijn. Eisers hebben een leerproces doorgemaakt en zij hebben samen een nieuwe balans gevonden die tegemoet komt aan hun beider behoeften. Naar het oordeel van de rechtbank is in het advies voldoende gemotiveerd dat aannemelijk is dat een adoptiefkind mogelijk een te groot beroep zal doen op de belastbaarheid van eisers, die nu eenmaal beperkt is. Voorts is voldoende gemotiveerd waarom aannemelijk wordt geacht dat eisers te weinig inzicht hebben in wat adoptie voor een adoptiefkind betekent en van wat voor emoties sprake zal zijn en dat zij hun eigen mogelijkheden niet realistisch inschatten.


7.6

De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van het door de RvdK uitgebrachte advies. Het door verweerder overgenomen advies is niet in tegenspraak met de verklaringen van de artsen Ten Hove en Walrave. De keuringsarts Ten Hove heeft aangegeven dat eisers niet lijden aan een ernstige besmettelijke ziekte, een binnen afzienbare tijd ernstig invaliderende of tot overlijden leidende ziekte of een ernstige psychiatrische stoornis. Uit zijn verklaring volgt echter niet dat in het geheel geen sprake is van lichamelijke of psychische problematiek, welke in het kader van de afweging van beschermende factoren en van risicofactoren een rol mag spelen. Volgens psychiater Walrave is eisers deeltijdbehandeling succesvol verlopen en afgerond en is nog slechts sprake van laagfrequente behandelcontacten. Volgens Walrave is bij eiser geen sprake van een psychiatrische stoornis, maar wel van milde psychiatrische problematiek. Walrave heeft voorts aangegeven dat het zowel sociaal-emotioneel als medisch gezien belangrijk is dat het adoptiefkind een niet te veel belaste voorgeschiedenis kent. Dit zal gunstiger zijn voor eisers, omdat het minder stressoren met zich brengt. Hetgeen Walrave heeft verklaard, bevestigt dat bij eisers sprake is van beperkte psychische belastbaarheid, wat in het advies van de RvdK als een risicofactor is aangemerkt. Eisers hebben geen andere stukken ingebracht die een aanknopingspunt kunnen vormen om aan te nemen dat het advies mogelijk onjuist is dan wel dat dit op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.


7.7

De rechtbank is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat verweerder het advies van de RvdK aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen.


7.8

Het bestreden besluit kan daarom in rechte worden gehandhaafd.


8. Het beroep is daarom ongegrond.


9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. W.R.H. Lutjes, voorzitter, en mr. W.F. Bijloo en mr. A. Oosterveld, leden, in aanwezigheid van mr. A. van der Weij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op





griffier voorzitter




Afschrift verzonden aan partijen op:


Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.