Rechtbank Overijssel, 11-12-2015 / ak_zwo_15_1461


ECLI:NL:RBOVE:2015:5449

Inhoudsindicatie
Weigering eiseres in aanmerking te brengen voor de inkomstenvrijlating als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel n, van de Participatiewet; beleid verweerder niet in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever; beroep gegrond.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-12-11
Publicatiedatum
2015-12-14
Zaaknummer
ak_zwo_15_1461
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JWWB 2016/16
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle


Bestuursrecht


zaaknummer: AWB 15/1461


uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , te Zwolle, eiseres,

gemachtigde: mr. L. Orie en mr. M.L.M. Klinkhamer.


en


het college van burgemeester en wethouders van Zwolle, verweerder.

Procesverloop


Bij besluit van 7 april 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten eiseres niet in aanmerking te brengen voor de inkomstenvrijlating als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel n, van de Participatiewet (PW).


Bij besluit van 8 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.


Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2015.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. M.L.M. Klinkhamer.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Mulderij.



Overwegingen


1. Eiseres ontvangt sinds 5 september 2013 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Met ingang van 1 januari 2015 is de PW in werking getreden en is de WWB komen te vervallen.

Per emailbericht van 26 februari 2015 heeft eiseres verweerder verzocht om met terugwerkende kracht de vrijlatingsregeling van artikel 31, tweede lid, onderdeel n, van de PW op haar inkomsten toe te passen.


Bij besluit van 7 april 2015 heeft verweerder het verzoek van eiseres voor inkomstenvrijlating afgewezen, omdat zij niet voldoet aan (één van) de aanvullende voorwaarden die de gemeente Zwolle heeft gesteld aan de inkomstenvrijlating, namelijk dat de arbeid in deeltijd binnen uiterlijk zes maanden moet leiden tot uitkerings-onafhankelijkheid van de uitkeringsgerechtigde, hetgeen moet blijken uit een door de werkgever en de uitkeringsgerechtigde getekende arbeidsovereenkomst.

Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard.


2. In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat de genoemde aanvullende voorwaarde is neergelegd in een interne beleidsregel (B147) welke tot 1 januari 2013 nog specifiek was opgenomen in het uitvoeringsbesluit reïntegratieverordening Wet Werk en Bijstand. In het uitvoeringsbesluit dat geldt vanaf 1 januari 2013 is dit beleid niet langer specifiek opgenomen, maar dit beleid wordt intern nog steeds toegepast en betreft een bestendige gedragslijn.


3. Eiseres voert aan dat verweerder via artikel 31 van de PW een zekere beoordelingsvrijheid heeft gekregen, maar deze beoordelingsvrijheid gaat naar de mening van eiseres niet zo ver dat het begrip “bijdragen aan de arbeidsinschakeling” slechts aan de orde is bij een volledige uitstroom na zes maanden. Vrijlatingen betreffen de situatie waarin bijstandsgerechtigden die naast de uitkering betaald werk verrichten, een deel van dat arbeidsinkomen mogen behouden.

Ter onderbouwing is gewezen op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 2 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3989, en de bij het beroepschrift gevoegde uitspraak van de rechtbank Zeeland West Brabant van 25 juni 2015.


Verweerder stelt zich op het standpunt dat om in aanmerking te komen voor een inkomensvrijlating er zicht dient te zijn op verdere arbeidsinschakeling dan er al was. Dit impliceert ook dat vooraf verzocht dient te worden om inkomstenvrijlating en het college daarmee een mogelijkheid te geven om dit vooraf te beoordelen. Wanneer het de bedoeling van de wetgever zou zijn geweest dat inkomstenvrijlating per definitie bijdraagt aan arbeidsinschakeling, zou de beoordeling of hiervan sprake is niet aan het college zijn gelaten. Het gaat er om dat het college bepaalt of de inzet van het instrument van inkomstenvrijlating in het individuele geval wel of niet bijdraagt aan arbeidsinschakeling. Verweerder hanteert een vaste gedragslijn die bepaalt dat aan een aantal voorwaarden moet zijn voldaan alvorens men in aanmerking komt voor de reguliere inkomstenvrijlating. Eiseres voldoet niet aan die voorwaarden nu zij geen, door de werknemer en –gever ondertekende arbeidsovereenkomst heeft overgelegd waaruit blijkt dat de arbeid binnen zes maanden tot uitkerings-onafhankelijkheid leidt.


4. De rechtbank overweegt als volgt.


Artikel 31, tweede lid, aanhef en onder n, van de PW, luidt:

“Niet tot de middelen van de belanghebbende worden gerekend:

n. inkomsten uit arbeid tot 25 procent van deze inkomsten, met een maximum van € 196,00 per maand, voor zover hij algemene bijstand ontvangt, waarbij voor een persoon die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt geldt dat die inkomsten gedurende ten hoogste zes aaneengesloten maanden niet tot de middelen worden gerekend en dat dit naar het oordeel van het college moet bijdragen aan zijn arbeidsinschakeling.”


Zoals in dit artikel is weergegeven is het aan het oordeel van het college overgelaten of de vrijlating van inkomsten bijdraagt aan de arbeidsinschakeling van de betrokken uitkeringsgerechtigde.


Verweerder hanteert ter uitvoering van dit artikel een beleid waarin het volgende is opgenomen:

‘Het college kan, conform artikel 31 lid 2 onderdeel n van de wet een inkomstenvrijlating aanbieden voor het werken in deeltijd. Naast de voorwaarden die de wet aan de inkomstenvrijlating stelt, gelden de volgende aanvullende voorwaarden:

  • - De arbeid in deeltijd moet binnen uiterlijk zes maanden leiden tot uitkeringsonafhankelijkheid van de uitkeringsgerechtigde. Dit moet blijken uit een door de werkgever en uitkeringsgerechtigde getekende arbeidsovereenkomst.
  • - De arbeid in deeltijd wordt gedurende minimaal twaalf uren per week verricht.
  • - De arbeid in deeltijd levert de uitkeringsgerechtigde een inkomen op dat minder bedraagt dan de voor de uitkeringsgerechtigde van toepassing zijnde norm.”

5. Het geschil beperkt zich tot de vraag of het college onder verwijzing naar het gevoerde beleid had mogen afzien van toepassing van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder n, van de WWB. Uit vaste jurisprudentie blijkt dat het aan het college is om nadere regels te stellen over de invulling van de voorwaarden voor inkomensvrijlating (zie onder meer de uitspraak van de CRvB van 27 april 2010, met ECLI:NL:CRVB:2010:BM4484). Dit betekent dat de rechtbank een marginale toetsing moet uitvoeren. De omstandigheid dat het college vrijheid geniet om nadere regels te stellen over de invulling van de voorwaarden voor inkomensvrijlating, laat naar het oordeel van de rechtbank evenwel onverlet dat het beleid waarop het bestreden besluit is gebaseerd de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten mag gaan.


6. De rechtbank stelt vast dat verweerder op grond van het gevoerde beleid vooraf met zekerheid wil weten dat de arbeid door de uitkeringsgerechtigde binnen zes maanden leidt tot uitstroom uit de bijstand, alvorens over te gaan tot toepassing van artikel 31, aanhef en onder n, van de PW. Dit betekent dat er geen belangenafweging plaatsvindt.


Naar het oordeel van de rechtbank gaat een dergelijk beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten. Daartoe overweegt de rechtbank in de eerste plaats dat de woorden "zijn arbeidsinschakeling" in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder n, van de PW, wijzen op een door het college te verrichten individuele beoordeling. Een dergelijke individualisering volgt ook uit de wetsgeschiedenis van genoemde bepaling, nu de regering bij invoering van (destijds) artikel 31, tweede lid, aanhef en onder o, van de WWB, heeft toegelicht dat gemeenten de mogelijkheid moeten hebben "om in individuele gevallen te bepalen dat een deel van de inkomsten uit arbeid gedurende maximaal een half jaar niet worden verrekend met de bijstand" (zie Kamerstukken II 2002-2003, 28 870, nr. 68).


Het beleid van het college is gezien het voorgaande niet in overeenstemming met de wet, en evenmin met de bedoeling van de wetgever, nu naar het oordeel van de rechtbank met de bepaling in artikel 31, aanhef en onder n, van de PW juist beoogd is uitkeringsgerechtigden te stimuleren arbeid te zoeken.


De rechtbank is dan ook van oordeel dat het beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten gaat, op grond waarvan dit beleid buiten toepassing moet blijven.

Reeds op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven.


7. Verweerder heeft in het verweerschrift nog aangegeven dat eiseres verzocht heeft om met terugwerkende kracht de inkomensvrijlating toe te passen en dat verweerder vooraf wenst te beoordelen of de inkomsten uit arbeid (gaan) bijdragen aan de (verdere) arbeidsinschakeling.


Nog afgezien van het feit dat deze weigeringsgrond eerst in het verweerschrift is aangevoerd, is de rechtbank uit de door verweerder overgelegde stukken niet gebleken dat eiseres verzocht heeft de inkomensvrijlating met terugwerkende kracht toe te passen. Deze stelling is ook niet anderszins onderbouwd. De enkele verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 december 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY6572, is onvoldoende, nu het in die situatie ging om het verzwijgen van inkomsten en niet om een verzoek om met terugwerkende kracht de inkomensvrijlating toe te passen.


Evenmin blijkt uit het door verweerder gehanteerde beleid dat een verzoek om inkomensvrijlating niet met terugwerkende kracht mag worden ingediend.


8. Gezien het voorgaande zal het beroep gegrond worden verklaard. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen.


Het college zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van 12 weken. Het college zal bij het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar moeten beslissen op het verzoek van eiseres om vergoeding van de kosten die zij in de bezwaarfase heeft gemaakt.


9. Nu het beroep gegrond wordt verklaard ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,00 en wegingsfactor 1).























Beslissing


De rechtbank


  • - verklaart het beroep gegrond;
  • - vernietigt het bestreden besluit;
  • - draagt het college op binnen 12 weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
  • - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 980,00;
  • - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,00 aan eiseres te vergoeden.


Deze uitspraak is gedaan door mr. H.R. Schimmel, voorzitter, en mr. G. Edelenbos en mr. D. Hardonk-Prins, leden, in aanwezigheid van Y. van der Zaan-van Arnhem, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op











griffier rechter
















Afschrift verzonden aan partijen op:


Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.