Rechtbank Overijssel, 09-12-2015 / 08/041689-15


ECLI:NL:RBOVE:2015:5616

Inhoudsindicatie
Klaagschrift over het uitblijven van een last tot teruggave. Klaagster heeft een lichtmast door diefstal verloren. Het OM heeft de lichtmast in beslag genomen onder een persoon die de lichtmast heeft gekocht van een derde. Hij stelt dat hij de lichtmast te goeder trouw heeft gekocht en dat hij daarom een sterker recht op de lichtmast heeft dan klaagster. De raadkamer is van oordeel dat deze persoon geen aanspraak kan maken op de bescherming van artikel 3:86 lid 3 sub a BW en verklaart het klaagschrift gegrond. De lichtmast dient afgegeven te worden aan klaagster. Zie ook ECLI:NL:RBOVE:2015:5617.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-12-09
Publicatiedatum
2016-01-11
Zaaknummer
08/041689-15
Procedure
Raadkamer
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Afdeling Strafrecht


Zittingsplaats Almelo


Parketnummer: 08/041689-15

Klaagschriftnummer: 15/6560


Beschikking van de enkelvoudige raadkamer op het klaagschrift, op grond van artikel 552a Sv van:


[klaagster] B.V.,

gevestigd te [plaats] ,


verder te noemen: klaagster.



1Het verloop van de procedure


Het klaagschrift, gedateerd 27 november 2015, is op 30 november 2015 op de griffie van de rechtbank ontvangen. Het is ingediend namens klaagster, door mr. E. Dekker, advocaat te Amsterdam.


Het klaagschrift betreft een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag op een Cube Tower Light, kleur geel, serienummer [serienummer] .


Zakelijk weergegeven wordt geklaagd over het uitblijven van een last tot teruggave. Gesteld is dat klaagster op grond van artikel 3:86 lid 3 BW het recht heeft om het beslag op te eisen.


Het klaagschrift is behandeld op de openbare zitting van de raadkamer van 9 december 2015.

Bij de behandeling zijn de officier van justitie, klaagster, vertegenwoordigd door dhr. [vertegenwoordiger klaagster] en bijgestaan door mr. Dekker voornoemd, alsmede dhr. [belanghebbende] , belanghebbende, gehoord.


De raadkamer heeft kennis genomen van het door de officier van justitie overgelegde strafdossier van de (aanvankelijke) strafzaak tegen de belanghebbende [belanghebbende] voornoemd, naar aanleiding waarvan de inbeslagneming heeft plaatsgevonden.


De raadkamer heeft ook kennisgenomen van de volgende stukken:

  • - het op 28 oktober 2015 ingekomen klaagschrift van [belanghebbende] tegen het per brief van 15 oktober 2015 aangekondigde voornemen van de officier van justitie om het inbeslaggenomen voorwerp terug te geven aan de oorspronkelijk rechthebbende, te weten [klaagster] . [belanghebbende] verzoekt teruggave van het voorwerp aan hem;
  • - een ongedateerde schriftelijke reactie van de officier van justitie op het klaagschrift van klaagster en dat van belanghebbende.



2. De standpunten van klaagster, de raadsman, de belanghebbende en de officier van justitie

Namens klaagster is bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een last tot teruggave, daartoe stellende dat klaagster de oorspronkelijke eigenaar is van de lichtmast, waarvan zij het bezit immers door diefstal op of omstreeks 2 februari 2015 heeft verloren. Belanghebbende [belanghebbende] kan niet met succes een beroep doen op de in artikel 3:86 lid 3 sub a van het Burgerlijk Wetboek (BW) genoemde uitzondering, inhoudende – zakelijk weergegeven – dat belanghebbende een verkrijger te goeder trouw is. Aan de in genoemd artikel gestelde eisen is niet voldaan omdat belanghebbende niet als natuurlijk persoon de lichtmast heeft gekocht, terwijl de vervreemder [betrokkene] uitsluitend handelde in metaal en [betrokkene] de lichtmast niet heeft verkocht in een daartoe bestemde bedrijfsruimte.


Belanghebbende [belanghebbende] maakt bezwaar tegen het voornemen van de officier van justitie om het onderhavige beslag (kort omschreven: een lichtmast) aan [klaagster] B.V. (hierna ook: [klaagster] ) terug te geven. [belanghebbende] stelt dat hij een sterker recht heeft aangezien hij de lichtmast gekocht heeft van iemand – ene [betrokkene] - die een metaalhandel had en dus handelde vanuit zijn reguliere bedrijfsvoering, terwijl de lichtmast tegen een normale prijs is aangeboden. [belanghebbende] was daarom te goeder trouw en genoot daarom de bescherming van artikel 3:86 lid 1 jo 3:11 van het Burgerlijk Wetboek (BW).


Het standpunt van de officier van justitie luidt samengevat dat het klaagschrift gegrond moet worden verklaard. De belangen van strafvordering verzetten zich niet langer tegen teruggave en klager [klaagster] kan redelijkerwijs als rechthebbende op de lichtmast worden aangemerkt nu onomstreden is dat de lichtmast aan [klaagster] toebehoorde toen deze werd gestolen. [belanghebbende] kan zich niet beroepen op de uitzondering vervat in art. 3:86 lid 3 sub a BW. Dat geldt te meer nu alle stickers en andere kenmerkende gegevens van [klaagster] op de lichtmast waren weggekrast en bovendien ook het slot was geforceerd. [belanghebbende] kan niet gelden als koper te goeder trouw met de daaraan verbonden aanspraken op eigendomsbescherming.


3De bevoegdheid van de rechtbank


De rechtbank Overijssel is bevoegd van het klaagschrift kennis te nemen.


4De ontvankelijkheid


Het klaagschrift is ontvankelijk.


5De beoordeling


Op grond van de stukken en de behandeling op de zitting stelt de raadkamer het volgende vast.


Maatstaf

Het beklag richt zich tegen een beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv. De officier van justitie heeft gesteld dat het belang van strafvordering bij het voortduren van het beslag niet langer aanwezig is zodat toetsing aan de toepasselijke maatstaf achterwege kan blijven. Bovendien is de strafzaak tegen [belanghebbende] inmiddels definitief geëindigd met de onherroepelijke vrijspraak op 14 september 2015 waarbij overigens verzuimd is een beslissing te nemen over het beslag. Volgens de hoofdregel van artikel 116 Sv wordt het inbeslaggenomen voorwerp dan teruggegeven aan degene onder wie het inbeslaggenomen is. De lichtmast is op 2 maart 2015 onder [belanghebbende] inbeslaggenomen en [belanghebbende] claimt eigenaar te zijn van die lichtmast. Vast staat dat de lichtmast toebehoorde aan klaagster [klaagster] en op omstreeks 2 februari 2015 is gestolen.


Feiten en omstandigheden

Op 2 februari 2015 is namens klaagster aangifte van diefstal gedaan van de onderhavige lichtmast. Nadat de lichtmast werd aangeboden op Marktplaats is [belanghebbende] op 2 maart 2015 aangehouden als verdachte van schuldheling. Hij is hiervoor door de politierechter in de rechtbank Overijssel op 14 september 2015 vrijgesproken. De officier van justitie heeft per brief van 15 oktober aangegeven voornemens te zijn de lichtmast aan klaagster terug te geven.


Overwegingen

De officier van justitie heeft gesteld dat het belang van strafvordering bij het voortduren van het beslag niet langer aanwezig is. Volgens de hoofdregel van artikel 116 Sv wordt het inbeslaggenomen voorwerp dan teruggegeven aan de degene onder wie het inbeslaggenomen is. De lichtmast is op 2 maart 2015 onder [belanghebbende] inbeslaggenomen en [belanghebbende] claimt eigenaar te zijn van die lichtmast. Vast staat dat de lichtmast toebehoorde aan [klaagster] en op omstreeks 2 februari 2015 is gestolen. De raadkamer dient de vraag te beantwoorden of teruggave in dit geval volgens de hoofdregel van artikel 116 Sv moet plaatsvinden aan [belanghebbende] als degene onder wie de lichtmast inbeslaggenomen is ofwel dat klaagster [klaagster] redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt en om die reden teruggave aan [klaagster] moet worden gelast overeenkomstig het voornemen van de officier van justitie.


Uit artikel 3:86 lid 3 BW volgt dat de (oorspronkelijke) eigenaar van een roerende zaak, die het bezit daarvan door diefstal heeft verloren, deze gedurende drie jaren, te rekenen vanaf de dag van diefstal, als zijn eigendom kan opeisen. In beginsel dient een gestolen goed te worden geretourneerd aan de oorspronkelijke eigenaar, tenzij de koper van het gestolen goed te goeder trouw is. Dat is het geval indien koper – zijnde in dit geval de belanghebbende [belanghebbende] – zich kan beroepen op de in artikel 3:86 lid 3 sub a BW genoemde voorwaarden, zakelijk weergegeven inhoudende dat [belanghebbende] de lichtmast als natuurlijk persoon heeft gekocht, [betrokkene] (zijnde de verkoper) van het verhandelen van lichtmasten zijn bedrijf heeft gemaakt, [betrokkene] op het moment van de verkoop handelde in de normale uitoefening van zijn bedrijf en zijn bedrijf uitoefende in een daartoe bestemde bedrijfsruimte.


Uit een door klaagster overgelegd uittreksel uit de Kamer van Koophandel blijkt dat [betrokkene] een groothandel in ijzer- en staalschroot en oude non-ferrometalen exploiteert en dat deze onderneming vanuit een woning – en dus niet in een bedrijfsruimte – werd gedreven. Voorts heeft [belanghebbende] verklaard dat hij een inkomen genereert uit de verhuur van aggregaten en lichtmasten en staat vast dat [belanghebbende] de lichtmast wilde verhuren. De stelling van [belanghebbende] dat hij de lichtmast voor privé-doeleinden had aangeschaft is niet onderbouwd en gelet op zijn eigen verklaring en op hetgeen uit het onderzoek naar voren is gekomen, niet geloofwaardig en niet aannemelijk.


De raadkamer is dan ook van oordeel dat [belanghebbende] geen aanspraak kan maken op de bescherming van artikel 3:86 lid 3 sub a BW. Het is voorts onomstreden dat klaagster eigenaar was van de lichtmast en deze lichtmast door diefstal heeft verloren. Klaagster kan dan ook worden aangemerkt als rechthebbende van die inbeslaggenomen lichtmast en de lichtmast dient onder gegrondverklaring van het klaagschrift aan klaagster te worden afgegeven.



6De beslissing


De raadkamer

  • - verklaart het klaagschrift gegrond;
  • - gelast de teruggave van het in beslag genomen voorwerp, te weten: een Cube Tower Light, kleur geel, serienummer [serienummer] , aan klaagster voornoemd.

Deze beschikking is gegeven door mr. Hendriks, voorzitter, in tegenwoordigheid van Endlich, griffier, ondertekend door de voorzitter en de griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2015.