Rechtbank Overijssel, 09-12-2015 / C/08/140690 HA ZA 13-263


ECLI:NL:RBOVE:2015:5620

Inhoudsindicatie
Faillissement. Bestuurdersaansprakelijkheid.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-12-09
Publicatiedatum
2015-12-21
Zaaknummer
C/08/140690 HA ZA 13-263
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Civiel recht; Insolventierecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • AR 2015/2604
  • OR-Updates.nl 2016-0017
  • INS-Updates.nl 2015-0368
  • prof. mr. A.W. Jongbloed annotatie in UDH:TvCu/12800
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht


Zittingsplaats Almelo


Zaaknummer: C/08/140690 HA ZA 13-263 Datum vonnis: 9 december 2015


Vonnis van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:


Mr. Pieter Lettinga, wonende te Haren (Gn), in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap IJK Totaal Onderhoud B.V.,

eiser,

verder aan te duiden als de curator,

advocaat: mr. G.W. Breuker te Groningen,

tegen


1 [gedaagde 1] , wonende te [woonplaats] , verder aan te duiden als ‘ [gedaagde 1] ’,

advocaat: mr. H.G.M. van Zutphen te Almelo


2 [gedaagde 2] , wonende te [woonplaats] , verder aan te duiden als ‘ [gedaagde 2] ’,advocaat: mr. D.F. Briedé te Almelo,

3 3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde 3] , gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna [gedaagde 3] te noemen,gedaagden,

verder gezamenlijk ook aan te duiden als [gedaagden] ,advocaat: mr. H.G.M. van Zutphen te Almelo.

1 1. Het procesverloop1.1. Bij tussenvonnis van 11 juni 2014 heeft de rechtbank aan [gedaagden] opgedragen om bewijs te leveren van feiten en omstandigheden waaruit valt af te leiden: - dat zij ten tijde van de verkoop en de levering van de aandelen in IJk Totaal niet wisten, en ook niet behoorden te weten dat de koper een katvanger was, - dat zij ten tijde van de verkoop en de levering van de aandelen niet hebben begrepen en ook niet konden en behoefden te begrijpen dat de verkoop van de aandelen in IJk Totaal geen ander doel diende dan om zich door middel van deze verkoop te ontdoen van de crediteuren van IJk Totaal, en- dat de volledige administratie van IJk Totaal Onderhoud BV op het moment van de overdracht van de op 28 december 2009 aandelen aanwezig was.


1.2.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:- een ‘akte overlegging stukken’ zijdens [gedaagde 1] , met producties, - een ‘akte overlegging stukken’ zijdens [gedaagde 2] , met producties, - een proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 8 december 2014,- een proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 19 mei 2015.- een ‘akte overlegging stukken’ zijdens de curator, met producties,- een ‘conclusie na enquête en contra-enquête en akte nadere uitlating’ zijdens [gedaagde 1] ,- een ‘conclusie na enquête en contra-enquête en akte nadere uitlating’ zijdens [gedaagde 2] , en- een ‘antwoordconclusie na enquête en contra-enquête en antwoordakte nadere uitlating’ zijdens de curator.1.3. Partijen hebben opnieuw vonnis gevraagd. De datum van de uitspraak is,na aanhouding, vastgesteld op vandaag.2. Het standpunt van [gedaagden]


2.1.

De bewijsopdracht aan [gedaagden] was onjuist. De rechtbank is van onjuiste uitgangspunten uitgegaan. [gedaagden] ging uit en mocht uitgaan van de betrouwbaarheid van [H] en van de door [H] voorgestelde koper van de aandelen in IJK Totaal. [gedaagden] waren toen niet op de hoogte van de later gebleken onrechtmatige praktijken van [H] . De curator heeft een volkomen verkeerd beeld gegeven van de werkelijkheid. De rechtbank heeft in zijn bewijsopdracht ten onrechte geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende verantwoordelijkheden van de drie afzonderlijke gedaagden.


2.2.

[gedaagden] stellen dat zij het hun opgedragen bewijs hebben geleverd. Zij hebben geen boekhouding verbrand. Zij hoefden niet te twijfelen aan een correcte afwerking van de aandelentransactie door notaris Holtmaat. [gedaagden] maakten geen deel uit van de groep van [H] en diens onrechtmatige praktijken, en zij wisten niets van de inzet van een katvanger bij de verkoop van IJk Totaal.


2.3.

[gedaagde 1] heeft verder het volgende aangevoerd: - Van hoofdelijke aansprakelijkheid van de drie gedaagden kan geen sprake zijn. [gedaagde 1] stond als financier van IJk Totaal op afstand van die onderneming. [gedaagde 2] was de materiële bestuurder van IJk Totaal. [gedaagde 1] kan daarom niet met zijn zoon en/of het bedrijf worden vereenzelvigd;- [gedaagde 1] ging er van uit dat zijn zoon alles met hem besprak. Het besluit om met [H] in zee te gaan was gebaseerd op een voorstel van [gedaagde 2] [gedaagde 1] hoefde niet bedacht te zijn op eventuele ongebruikelijke handelingen. - [gedaagde 1] heeft niets aan de boedel onttrokken. Hij heeft meer dan € 600.000,- in IJk Totaal geïnvesteerd. Het was daarom juist in zijn belang dat de onderneming overeind zou blijven.- [gedaagde 1] kan zich als middellijk bestuurder disculperen zoals bedoeld in artikel 2:9 BW.


2.4.

Aan het beroep van [gedaagde 1] op disculpatie in de zin van artikel 2:9 BW legt hij de volgende feiten en omstandigheden ten grondslag:- notaris Holtmaat heeft een onderzoek gedaan, althans [gedaagde 1] mocht verwachten dat de notaris dit zou doen;- de eerdere ervaringen van [gedaagde 2] met [H] waren positief;- [N] presenteerde zich als een serieuze partij;- het internet en andere informatiebronnen gaven geen negatieve informatie over [N] ;- [gedaagde 1] heeft steeds toezicht gehouden via [gedaagde 2] en andere leidinggevenden zoals [B] ;- de boekhoudplicht is volledig nagekomen, tot op het laatste moment voor de aandelenoverdracht;- er bestond adequaat toezicht op de werknemers;- er is sprake van niet tekort schietende debiteuren;- er was voldoende toezicht op de administratie, onder meer door het gebruik van moderne administratieve systemen (het Gilde systeem).


2.5.

Met betrekking tot afzonderlijke getuigenverklaringen heeft [gedaagde 1] (zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang) het volgende aangevoerd.


2.6.

Over de verklaring van [gedaagde 2] : [gedaagde 2] had begin 2009 zaken gedaan met [H] . Over die transacties heeft [gedaagde 1] nooit iets negatiefs gehoord. Niets wees erop dat [N] een katvanger was. [gedaagde 1] had tot de onderhavige procedure nog nooit van dit woord gehoord. [gedaagde 2] heeft verklaard dat hij op 23 december 2009 de administratie van IJk Totaal heeft neergezet in de berging bij [H] thuis, en dat hij toen ook een computer in de berging heeft gezet, waarop een digitale versie van de boekhouding stond.


2.7.

Over de verklaring van [S] : Ook [S] heeft bevestigd dat [H] geen aanleiding gaf voor achterdocht. De getuige verklaarde dat hij zich goed kon voorstellen dat de familie [van gedaagden 1 en 2] , dus ook [gedaagde 1] , aanvankelijk de indruk opdeed dat hij ( [H] ) hun zaken zeer goed, netjes en correct zou afhandelen.


2.8.

Over de verklaring van [W 1] : Anders dan deze getuige heeft verklaard was het ten tijde van de aanvankelijke contacten tussen [gedaagden] en [N] (in of omstreeks december 2009) onmogelijk om, door de naam [N] in te voeren in Google, achter diens katvangerspraktijken te komen. Gedurende de maand januari 2010 was nog helemaal niet bekend dat [N] geen serieuze koper was. Daarover is pas na 14 juni meer bekend geworden. [gedaagde 1] kon aan de hand van de in december 2009 beschikbare informatie niet afleiden dat [N] niet zuiver op de graat was. [W 1] deed de administratie bij IJk. Zij legt de zaken negatief uit voor [gedaagde 1] , omdat IJk haar laatste rekeningen niet heeft betaald.


2.9.

Over de verklaring van [W 2] : De curator wil door middel van de verklaring van de getuige [W 2] aantonen dat IJk Totaal (na de aandelenverkoop aan [N] ) niet serieus is voortgezet en dat dit ook niet de bedoeling was. Dat is onjuist. [gedaagde 2] heeft geprobeerd om na de verkoop [N] tot actie te bewegen. [gedaagde 1] heeft ook tot het laatste moment gehoopt en geloofd dat [N] de onderneming zou voortzetten. [W 2] werkte tijdens zijn dienstverband bij IJk op projecten bij Cargill. [W 2] vergist zich als hij zegt, dat hij tot in 2011 [gedaagde 1] en jr. nog regelmatig op het werk bij Cargill heeft gezien.


2.10.

[gedaagde 1] heeft daarnaast benadrukt dat hij heeft gehandeld overeenkomstig het inzicht en de zorgvuldigheid die van hem mochten worden verwacht. Tenslotte betwist hij de berekening van de hoogte van de vordering.


2.11.

[gedaagde 2] heeft in aanvulling op zijn bezwaar tegen de bewijslastverdeling onder meer het volgende aangevoerd. Hij heeft niets te maken met het verdwijnen van de administratie. Aannemelijk is dat die administratie ten tijde van de overdracht wel aanwezig was, omdat [H] dat tegen [N] had gezegd dat dit het geval was. Er waren geen redenen waarom [gedaagde 2] had moeten twijfelen aan de betrouwbaarheid van [H] . Pas later is aan [gedaagde 2] duidelijk geworden dat hij in de kluwen van het netwerk van [H] terecht is gekomen.


2.12.

[gedaagde 2] droeg geen bestuurlijke verantwoordelijkheid op grond waarvan hij hoofdelijk aansprakelijk kan worden gesteld zoals de curator vordert. Hij was slechts manager bij Colourwave. Het te volgen beleid werd hem opgedragen en hij voerde dat uit. In die functie heeft hij [gedaagde 1] geadviseerd om IJk Totaal te verkopen, maar dat maakt hem nog niet tot feitelijk leidinggevende van die vennootschap.


2.13.

Voor [gedaagde 2] stond voorop dat de onderneming van IJk Totaal in beter vaarwater moest worden gebracht, zodat [gedaagde 1] nog (een deel van) de hem in IJk geïnvesteerde bedragen terug zou kunnen ontvangen. Daarom heeft [gedaagde 2] [gedaagde 1] geadviseerd om met [H] in zee te gaan. Dit is ook zorgvuldig besproken in het management van Colourwave. [gedaagde 2] had daarbij geen aanleiding om te twijfelen aan de bedoelingen en de voorstellen van [H] .


2.14.

De rechtbank heeft in het tussenvonnis ten onrechte alle drie partijen over één kam geschoren. De positie van [gedaagde 1] en zijn vennootschap enerzijds is een geheel andere dan die van [gedaagde 2] [gedaagde 1] was middellijk bestuurder van IJk Totaal. Hij was slechts financier van de eerdere vennootschappen van [gedaagde 2] Van hoofdelijke aansprakelijkheid van [gedaagde 2] kan daarom geen sprake zijn.


2.15.

Het commentaar van [gedaagde 2] op de afgelegde getuigenverklaringen komt naar zakelijke inhoud en strekking overeen met het desbetreffende commentaar van [gedaagde 1] , zoals hiervoor weergegeven in rechtsoverwegingen 2.6. tot en met 2.9.


2.16.

Ook [gedaagde 2] heeft de berekening van de vordering van het gevorderde voorschot betwist.3. Het standpunt van de curator


3.1.

De curator handhaaft zijn stellingen. De na het tussenvonnis overgelegde producties en de verklaringen van de in contra-enquête gehoorde getuigen bevestigen volgens de curator de juistheid van het in het tussenvonnis neergelegde rechterlijk vermoeden.


3.2.

[gedaagde 1] heeft weliswaar gesteld dat hij het voortbestaan van IJk Totaal belangrijk vond (alleen al omdat hij daarin € 600.000,- had geïnvesteerd), maar die mededeling strookt niet met de feitelijke handelwijze van [gedaagde 1] Immers, nadat hij [H] medio december 2009 had ontmoet heeft hij nagelaten om vóór de datum van de aandelenoverdracht op 28 december 2009 kennis te maken met de koper, en heeft de koper ook geen kennis gemaakt met het bedrijf, met het management, met de werknemers en met de administratie. Dat was geen deugdelijke voorbereiding en uitvoering van de overdracht van een onderneming met voldoende aandacht voor de continuïteit daarvan.


3.3.

Ook [gedaagde 2] heeft kennelijk geen voorafgaand onderzoek naar de koper gedaan. Hij heeft verklaard dat [N] hem wel netjes leek, dat hij zijn verhaal wel had en dat hij werk had voor de jongens. [N] heeft geen enkel contact gehad met de werknemers van IJk, en was bereid om, zonder voorafgaand onderzoek naar de financiële administratie, de vennootschap te kopen voor € 1,-. Dat is geen normale gang van zaken, en het kan niet anders dan dat [gedaagden] dat als ervaren zakenlieden hebben begrepen.


3.4.

De getuige [W 2] was gedurende tientallen jaren als schilder in dienst van IJk Totaal. Hij werkte bij IJk al jaren op (onder meer) projecten in opdracht van Cargill. In de tweede week van 2010 hoorde hij dat hij via een uitzendbureau aan het werk zou gaan (samen met een paar andere werknemers van IJk). Van de bedrijfsleider van IJk Totaal, [B] , hoorde hij dat IJk werd gesloten.


3.5.

[IJK] Totaal Onderhoud BV was een vennootschap van, of onder controle van, [gedaagden] . Op 8 januari 2010 zond [gedaagde 2] namens [IJK] Totaal Onderhoud BV aan Personeel Service Twente BV een e-mailbericht. Daaruit blijkt dat [W 2] en een aantal andere IJk-medewerkers vanaf begin 2010 via een uitzendbureau werkzaamheden zouden verrichten voor [IJK] Totaal Onderhoud BV.


3.6.

In de (eveneens overgelegde) uitzendovereenkomst tussen [W 2] en Personeel Twente Service BV d.d. 4 januari 2010 staat [IJK] Totaal Onderhoud BV vermeld als opdrachtgever. [W 2] moest aan het werk op hetzelfde project bij Cargill als waar hij werkte tijdens zijn dienstverband met IJk Totaal.


3.7.

[W 2] heeft ook verklaard dat hij na de verkoop van IJk Totaal aan [N] op het werk bij Cargill nog steeds regelmatig beide [gedaagden] tegenkwam. Hij was dus na de aandelenoverdracht feitelijk werkzaam gebleven voor de [gedaagden] op hetzelfde project.


3.8.

De curator stelt dat uit deze feiten blijkt dat [gedaagden] kennelijk al ruim vóór de aandelenoverdracht hadden voorbereid, dat werknemers van IJk Totaal via een uitzendbureau werkzaamheden zouden gaan verrichten voor [IJK] Totaal Onderhoud BV. Het contract tussen Personeel Service Twente BV en [IJK] BV dateerde immers al van 24 december 2009, dus vier dagen vóór de overdracht van de aandelen van IJk Totaal aan [N] .


3.9.

Kennelijk gingen [gedaagden] er toen al van uit dat [N] de exploitatie van IJk Totaal niet daadwerkelijk zou voortzetten. Dit valt niet te verenigen met de stelling van [gedaagde 1] , dat hij meer dan € 600.000,- in IJk Totaal geïnvesteerd had en het daarom in zijn belang was dat die onderneming overeind zou blijven. Uit deze feiten blijkt daarentegen duidelijk dat het [gedaagden] er bij de aandelenverkoop slechts om ging om zich te ontdoen van de crediteuren van IJk.


3.10.

De getuige [W 1] (die voor [gedaagden] de boekhouding deed) heeft verklaard dat van de boekhouding van IJk een papieren exemplaar en een digitale versie bestonden. De digitale versie was aanwezig op een server en een werkstation, die bij elkaar stonden bij [gedaagde 1] thuis. De getuige [W 3] heeft verklaard dat [W 1] op afstand op dit systeem kon inloggen en daarmee dan kon werken.


3.11.

[W 1] heeft verklaard dat zij het digitale systeem in januari 2010 bij [gedaagde 1] thuis heeft zien staan. Zij heeft ook verklaard dat zij begin 2010 nog kon inloggen op dit systeem. Daaruit volgt dat dit digitale systeem niet op 28 december 2009 aan [N] is overgedragen, nog afgezien van diens verklaring dat hij de administratie nooit heeft gezien.

3.12.

De getuige [W 1] heeft onder meer verklaard dat zij in januari 2010 ook de papieren administratie van IJk bij [gedaagde 1] thuis heeft zien staan, en dat dat daaraan toen volgens haar sinds december 2009 niets veranderd was.


3.13.

Ook deze verklaring is onverenigbaar met de niet met enig bewijsmateriaal ondersteunde stelling van [gedaagden] , dat zij in december de volledige papieren administratie van IJk bij [H] hebben afgeleverd.


3.14.

[gedaagde 3] als bestuurder van IJk Totaal, en [gedaagde 1] als middellijk bestuurder van IJk Totaal, en ook [gedaagde 2] uit hoofde van artikel 2:11 BW zijn hoofdelijk aansprakelijk voor het faillissementstekort. Die schade is ontstaan als gevolg van de hiervoor beschreven frauduleuze handelingen, die de curator aan zijn vorderingen ten grondslag heeft gelegd.


3.15.

De hoofdelijke aansprakelijkheid van [gedaagde 2] volgt uit (onder meer) de volgende feiten:- [gedaagde 2] heeft met [gedaagde 1] overlegd over de verkoop van IJk,- [gedaagde 1] heeft aan [gedaagde 2] toestemming gegeven om IJk te verkopen,- [W 1] heeft verklaard dat zij op 23 december 2009 met [gedaagde 1] en met [gedaagde 2] heeft gesproken over het oplossen van de aanzienlijke financiële problemen van IJk, en- op 28 december 2009 zijn beide heren [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bij [W 1] thuis geweest om te vertellen over de verkoop van IJk.- uit door de curator overlegde schriftelijke stukken, waaronder een door [gedaagde 2] “ondertekend” e-mailbericht, en uit de verklaring van de getuige [W 2] blijkt dat hij na de aandelenoverdracht op verzoek van [gedaagde 2] via een uitzendbureau moest gaan werken voor [IJK] Totaal Onderhoud BV op hetzelfde project, waaraan hij voordien werkte als werknemer van IJk Totaal. - De getuige [W 2] heeft zakelijk verklaard dat hij na de overdracht van de aandelen aan [N] tot medio 2011 [gedaagde 1] en [gedaagde 2] herhaaldelijk heeft gezien op het project, waaraan hij ook werkte toen de aandelen van IJk nog niet aan [N] waren geleverd.


4De (verdere) beoordeling4.1. De rechtbank ziet geen grond voor heropening van het debat over de bewijslastverdeling. De rechtbank handhaaft het daarover gegeven oordeel overeenkomstig de in het tussenvonnis gegeven motivering. [gedaagden] zullen die overwegingen en beslissingen in hoger beroep kunnen voorleggen aan het gerechtshof.


4.2.

De rechtbank acht [gedaagden] niet geslaagd in de hun verstrekte bewijsopdracht. Zij hebben geen feiten of omstandigheden aangetoond waaruit kan blijken dat zij niet wisten of konden begrijpen dat [N] een katvanger was, en dat zij niet konden en behoefden te begrijpen dat de verkoop van de aandelen in IJk Totaal geen ander doel diende dan om zich door middel van deze verkoop te ontdoen van de crediteuren van IJk Totaal. Evenmin hebben zij aangetoond dat de volledige administratie van IJk Totaal Onderhoud BV op het moment van de overdracht van de aandelen op 28 december 2009 aanwezig was.


4.3.

De rechtbank kan zich daarentegen geheel verenigen met de door de curator ingenomen stellingen, die in belangrijke mate berusten op door de curator na het tussenvonnis van 11 juni 2014 aangedragen nieuw bewijsmateriaal. Als dat materiaal al vóór het tussenvonnis voor de rechtbank beschikbaar zou zijn geweest had deze reeds toen kunnen oordelen dat de curator het voor toewijzing van de eis vereiste bewijs had geleverd, zodat een bewijsopdracht aan [gedaagden] niet nodig zou zijn geweest.


4.4.

De rechtbank is door het na het tussenvonnis overgelegde schriftelijke bewijsmateriaal en door de in verband met die stukken door de getuige [W 2] afgelegde verklaring (een en ander zoals hiervoor zakelijk weergegeven in rechtsoverwegingen 3.4 tot en met 3.8) overtuigd geraakt van de juistheid van de stellingen van de curator, die inhouden dat [gedaagden] met de levering van de aandelen in IJk Totaal op 28 december 2009 aan [N] geen ander doel nastreefden dan om zich te ontdoen van de schuldeisers van IJk, dat zij daarbij moeten hebben geweten dat [N] niet van plan was om de onderneming daadwerkelijk voort te zetten en dat hij (daarom) een katvanger was.


4.5.

Anders dan [gedaagden] benadrukken blijkt duidelijk genoeg dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de door de curator gestelde schade. Dat [gedaagde 1] en jr. samen verantwoordelijk zijn voor de besluitvorming en de uitvoering van die besluiten, die hebben geleid tot het faillissement van IJk Totaal blijkt uit de door de curator gestelde feiten en omstandigheden, zoals hiervoor weergegeven in r.o. 3.15.


4.6.

Uit die feiten blijkt met name van de feitelijke leiding, die [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tezamen en in vereniging hebben gegeven aan de in dit dossier gebleken frauduleuze praktijken. [gedaagde 1] is daarvoor als (middellijk) bestuurder van IJk aansprakelijk op grond van artikel 2:11 BW, en [gedaagde 2] is aansprakelijk op grond van artikel 2:248 lid 7 BW, omdat hij het beleid van IJk (mede) heeft bepaald.


4.7.

De rechtbank weegt in deze beoordeling mee dat [gedaagden] kennelijk willens en wetens hebben gehandeld. Zij zijn door hun eigen boekhouder tijdig uitdrukkelijk gewaarschuwd voor de mogelijke consequenties van een handelwijze, zoals waarvoor de curator hen nu aansprakelijk stelt. De getuige [W 1] heeft op dit punt onder meer verklaard als volgt:Ik heb in opdracht van [gedaagde 2] vanaf eind 2008 tot omstreeks januari 2010 op freelance basis gewerkt in de administratie van IJk Totaal en [IJK] . (…) Ook werkte ik in de financiële administratie, de boekhouding. De boekhouding was digitaal en werd gevoerd op een speciale applicatie van de schilderbedrijven. (…) In het begin van 2009 hoorde ik [van gedaagden 1 en 2] dat de B.V.’s IJk en [K] zo moesten worden ingericht, dat alle debiteuren worden ondergebracht in [K] en dat alle kosten en het personeel werden ondergebracht bij IJk. Ik heb hen toen direct gewaarschuwd voor de mogelijke gevolgen van zo’n administratie, die zouden kunnen inhouden dat zij als bestuurders aansprakelijk zouden worden gesteld als één van die B.V.’s (met name IJk) failliet zou gaan. Met die waarschuwing deden [gedaagden] niets en ze zeiden zoiets als: “nou ja, we willen het toch zo.”


4.8.

Het beroep van [gedaagde 1] op disculpatie als bedoeld in artikel 2:9 lid 2 BW faalt reeds hierom, omdat onder de in deze zaak gebleken omstandigheden niet in redelijkheid valt vol te houden dat hem geen ernstig verwijt treft in de zin van die bepaling.


4.9.

[gedaagden] hebben enkele schadeposten betwist. Zij hebben echter niet cijfermatig onderbouwd, laat staan aannemelijk gemaakt dat het totale schadebedrag op een lager bedrag moet worden bepaald dan door de curator gesteld.


4.10.

Omdat de hoogte van het faillissementstekort kennelijk nog niet definitief is vastgesteld draagt de hoogte van een als voorschot toe te wijzen bedrag een voorlopig en globaal karakter. De rechtbank zal dit bedrag bij gebreke aan een adequate betwisting vaststellen op een bedrag van € 1.000.000,-.


4.11.

De curator vordert om [gedaagden] te veroordelen tot betaling van een bedrag ter hoogte van het faillissementstekort, op te maken bij staat. Een schadestaatprocedure is hier echter niet nodig. De rechtbank zal in het dictum toewijzen als het bedrag, zo hoog als het totale tekort na verificatie in het faillissement zal blijken te zijn.


4.12.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering toewijsbaar is zoals hieronder vermeld. [gedaagden] dienen als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de proceskosten, zoals gevorderd.


5 5. De beslissing

De rechtbank:


I. Verklaart voor recht dat [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] , wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het totale faillissementstekort van IJk Totaal.


II. Veroordeelt gedaagden hoofdelijk om aan de curator te betalen een bedrag, gelijk aan het totale tekort van IJk Totaal, bedoeld in artikel 2:248 lid 1 BW, zoals dat totale tekort na verificatie in het faillissement zal blijken te zijn.


III. Veroordeelt gedaagden hoofdelijk tot betaling van een voorschot van € 1.000.000,00, zijnde een gedeelte van het totale boedeltekort, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag van de datum van de dagvaarding (19 juni 2013) tot de dag der voldoening,


IV. Veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de kosten van deze procedure, aan de zijde van de curator tot deze uitspraak begroot op € 1.897,29 voor verschotten (dagvaarding € 103,29, vast recht € 1.474,- en getuigengeld € 320,-) en op € 12.844,- voor salaris van zijn advocaat (vier punten, Tarief VIII), een en ander te vermeerderen met de nakosten ten bedrage van € 131,- zonder betekening, verhoogd met € 68,- in het geval van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis en, voor het geval voldoening van de nakosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten, te rekenen vanaf de hiervoor gestelde termijn van voldoening.


V. Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.


VI. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mrs. Hangelbroek, Lorist en Verhoeven, en op 9 december 2015 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.