Rechtbank Overijssel, 22-12-2015 / 07.650130-10


ECLI:NL:RBOVE:2015:5638

Inhoudsindicatie
Vordering verlenging TBS. De rechtbank verlengt de termijn met twee jaar.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-12-22
Publicatiedatum
2015-12-22
Zaaknummer
07.650130-10
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Afdeling Strafrecht - Strafraadkamer

Locatie Zwolle


Parketnummer : 07.650130-10

Uitspraak : 22 december 2015


Beslissing op de vordering van het openbaar ministerie tot verlenging van de termijn, gedurende welke:


[betrokkene] ,

geboren op [geboortedag] 1988,

thans verblijvende FPC Oostvaarderskliniek, Carl Barkweg 3, 1336 ZL Almere,

hierna te noemen: betrokkene,


ter beschikking is gesteld teneinde van overheidswege te worden verpleegd.


Betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 25 oktober 2013 ter beschikking gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege, van welke terbeschikkingstelling de termijn is ingegaan op 9 november 2013. Deze terbeschikkingstelling eindigt behoudens nadere voorziening op 9 november 2015.


Het openbaar ministerie heeft op 28 september 2015 een vordering ingediend tot verlenging van bovenvermelde termijn met twee jaar. Bij die vordering zijn de door de wet voorgeschreven stukken overgelegd.


Het onderzoek in raadkamer heeft plaatsgevonden op 8 december 2015.

In raadkamer zijn in het openbaar gehoord:

  • - betrokkene, bijgestaan door zijn raadsman mr. W. Hendrickx, advocaat te Utrecht,
  • - de officier van justitie mr. A.M. Tromp,
  • - M.L. Sikkens, hoofd behandeling, verbonden aan FPC Oostvaarderskliniek, als deskundige.

Op 3 september 2015 is door FPC Oostvaarderskliniek rapport en advies uitgebracht over de eventuele verlenging van de termijn van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege. Geadviseerd is om deze maatregel voor de duur van twee jaar te verlengen.


De officier van justitie heeft in raadkamer gepersisteerd bij de vordering tot verlenging van de termijn van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege voor de duur van twee jaar.

Betrokkene en zijn raadsman hebben in raadkamer verklaard geen bezwaar te hebben tegen verlenging van de maatregel van terbeschikkingstelling, mits de verlengingstermijn wordt beperkt tot één jaar.





OVERWEGINGEN


De rechtbank dient op grond van het bepaalde in artikel 38d van het Wetboek

van Strafrecht te bepalen of de termijn van de maatregel van terbeschikkingstelling moet worden verlengd.


De maatregel van terbeschikkingstelling is toegepast ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.


De vordering is op 28 september 2015 en derhalve tijdig ingediend.


De rechtbank overweegt op grond van het advies van de kliniek en het verhandelde ter zitting, waaronder de door de deskundige gegeven toelichting, het volgende.


Betrokkene is een beneden gemiddeld intelligente 27-jarige man, gediagnosticeerd met een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken en ADHD, die meerdere geweldsdelicten heeft gepleegd, onder invloed van middelen. Er is daarbij sprake van een verstoorde agressieregulatie - zich uitend in snel verbaal en fysiek agressief reageren - die snel tot uiting komt door krenking, kleinering en bemoeienis van buitenaf en fors ondermijnd wordt door het gebruik van middelen. Naast de persoonlijkheidsstoornis kan er gesproken worden van ernstige verslavingsproblematiek. Het middelengebruik heeft onder andere als functie om niet te verdragen gevoelens en gedachten te dempen.


Betrokkene verblijft sinds januari 2014 in FPC de Oostvaarderskliniek en heeft in de afgelopen ruim anderhalf jaar een ontwikkeling doorgemaakt van oppositioneel en afwerend naar enigszins meewerkend. Betrokkene blijft zeer veel moeite houden met beperkingen in zijn autonomie, waarbij hij langdurig koppig blijft als hij begrensd wordt. Gelijktijdig profiteert hij van de extern geboden structuur en kan dit na enige tijd ook wel erkennen. Zijn impulsiviteit en hyperactiviteit, ten gevolge van ADHD, zijn goed zichtbaar op de afdeling. Betrokkene is meermalen gekomen tot verbale en fysieke agressie en hij heeft een aantal malen softdrugs gebruikt. Betrokkene is daarom overgeplaatst naar een afdeling voor intensieve begeleiding. Op deze afdeling functioneerde hij op een gegeven moment dermate stabiel en zonder agressie dat hij medio juli 2015 naar een reguliere behandelafdeling is verhuisd. De medicatie (methylfenidaat) neemt hij inmiddels trouw, wat zichtbaar effect geeft. Terugval in middelengebruik vindt nog nauwelijks plaats, maar wordt grotendeels door verveling of spanning veroorzaakt.


Het aangevraagde begeleid verlof is recentelijk door het Adviescollege Verloftoetsing TBS afgewezen. De omstandigheid dat betrokkene in de daaraan voorafgaande periode tweemaal agressief gedrag heeft getoond, het feit dat hij werd verdacht van drugshandel en hij de onderliggende delicten bagatelliseert, hebben bij die afwijzing een rol gespeeld. Zowel betrokkene als de kliniek is teleurgesteld over de afwijzing. De kliniek had ingeschat dat van een begeleid verlof een sterk motiverende werking uit zou gaan, omdat progressie hiermee duidelijker is voor betrokkene, evenals de eisen waaraan hij moet voldoen voor vervolgstappen. De deskundige heeft ter zitting verklaard dat allereerst aan de punten zal worden gewerkt die aan de afwijzing van de verlofaanvraag ten grondslag liggen. Daarna zal zo spoedig mogelijk een nieuwe aanvraag worden ingediend. Ter zitting is verder aan de orde gekomen dat betrokkene nog nauwelijks therapieën heeft gevolgd omdat deze hem, mede vanwege een wachtlijst, niet zouden worden aangeboden. De deskundige heeft dit bevestigd maar heeft daaraan toegevoegd dat de therapieën die wel zijn gestart deels moeizaam verlopen omdat betrokkene niet voor alle indexdelicten zijn verantwoordelijkheid heeft genomen. Daarnaast heeft betrokkene aangegeven dat de samenwerking met zijn hoofd behandelaar niet goed verloopt omdat deze veelal zijn afspraken richting betrokkene niet na zou komen. De deskundige heeft ter zitting verklaard dat dit punt bij de kliniek bekend is en dat daar aandacht voor is.


Het recidiverisico op de korte termijn, zowel binnen de kliniek als bij een begeleid verlof, kan als matig worden ingeschat. Wanneer betrokkene op dit moment hypothetisch gezien met ontslag zal gaan, zullen zijn vaardigheden tekort schieten om op een adequate manier om te gaan met spanningen, conflicten of verveling. De kans is aanzienlijk dat hij zal reageren met baldadigheid, verbale of fysieke agressie op het moment dat iemand hem ergens op aanspreekt. Wanneer betrokkene tevens terugvalt in middelengebruik, zal dit zorgdragen voor een verdere ontremming van zijn gedrag en kan fors agressief gedrag vergelijkbaar met het indexdelict niet uitgesloten worden. Het recidiverisico op de lange termijn, waarbij alle zorg en ondersteuning zal wegvallen, wordt dan ook als onverminderd hoog ingeschat.


In de behandeling zal de nadruk blijven liggen op externe structuur en controle, ook voor de toekomst. De verwachting is dat betrokkene zonder voldoende controle, begrenzing en begeleiding niet zelfstandig zal kunnen functioneren. De voorgenomen uitstroomkoers is afhankelijk van de mate waarin betrokkene zich committeert aan het risicomanagement en de externe structuur inclusief controle. Afhankelijk hiervan wordt via kliniekvoorzieningen gekoerst op een vorm van (begeleid) zelfstandig wonen. De snelheid van dit traject hangt af van de inzet en de mate waarin betrokkene zijn afspraken nakomt. Na toekenning van begeleid verlof wordt gepoogd na een jaar onbegeleid verlof aan te vragen, zij het op voorwaarde dat het risicomanagement en behandelverloop dit toelaat. Het volledig afronden van de delictscenarioprocedure en een passend terugvalpreventieplan is daarvoor een voorwaarde. De kliniek heeft gezien de weg die nog moet worden bewandeld, geadviseerd de TBS met dwangverpleging met twee jaar te verlengen.


Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen onverkort eisen dat de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege wordt verlengd.

De rechtbank ziet onvoldoende grond voor een verlengingstermijn van een jaar, zoals door de raadsman van betrokkene is bepleit. Het uitgangspunt van de rechtbank is dat, wanneer aannemelijk is geworden dat de behandeling meer tijd in beslag zal nemen dan een jaar, de terbeschikkingstelling in principe verlengd dient te worden met een termijn van twee jaar. De rechtbank stelt vast dat niet te verwachten is dat binnen een jaar gronden aanwezig zullen zijn die een beëindiging van de terbeschikkingstelling rechtvaardigen, mede gelet op de omstandigheid dat betrokkene in de beginfase van de behandeling staat en de verloven nog niet zijn aangevangen. Een verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar zou bij betrokkene in dit geval ten onrechte de verwachting kunnen wekken dat er mogelijk binnen een jaar wel gronden aanwezig zijn die een beëindiging van de terbeschikkingstelling mogelijk zouden kunnen maken.


De rechtbank heeft gelet op de artikelen 38d en 38e van het Wetboek van Strafrecht, alsmede de artikelen 509o, 509p, 509s en 509t van het Wetboek van Strafvordering.




BESLISSING


De rechtbank verlengt de termijn gedurende welke [betrokkene] voornoemd ter beschikking is gesteld, met bevel dat hij van overheidswege zal worden verpleegd, met twee jaar.


Aldus gegeven door mr. B.T.C. Jordaans, voorzitter, mrs. L.J.C. Hangx en M. van Bruggen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.E. Martini als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 december 2015.