Rechtbank Overijssel, 29-12-2015 / 08.760171-15 (P)


ECLI:NL:RBOVE:2015:5743

Inhoudsindicatie
De rechtbank Overijssel veroordeelt een 42-jarige man Zwollenaar voor een straatroof op de Deventerstraatweg in Zwolle tot een gevangenisstraf van 7 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en bijzondere voorwaarden. Hij beroofde op 5 augustus 2015 een vrouw van zo'n 20 euro om in zijn drugsverslaving te voorzien. De man moet een schadevergoeding betalen van 270 euro.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-12-29
Publicatiedatum
2015-12-29
Zaaknummer
08.760171-15 (P)
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht


Zittingsplaats Zwolle


Parketnummer: 08.760171-15 (P)

Datum vonnis: 29 december 2015


Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:


[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1973 in [geboorteplaats] (Turkije),

wonende aan de [woonplaats] ,

nu verblijvende in PI Almelo, De Karelskamp te Almelo.



1Het onderzoek op de terechtzitting


Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 17 december 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Brunsveld en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. M.J. Jansma, advocaat te Kampen, naar voren is gebracht.


2De tenlastelegging


De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van geld van [slachtoffer] , waarbij verdachte geweld heeft gebruikt.


Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:


hij op of omstreeks 05 augustus 2015 te Zwolle - op of aan de openbare weg, Deventerstraatweg - met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij verdachte,

- die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of (vervolgens)

- de broekzak(ken) van die [slachtoffer] heeft bevoeld en/of onderzocht en/of (vervolgens)

- die [slachtoffer] naar de grond heeft geduwd en/of

- die [slachtoffer] - terwijl zij op haar rug op de grond lag - haar meermalen (met kracht) geduwd heeft (waardoor haar rug op de grond bonkte) en/of

- de vingers van die [slachtoffer] met kracht uit elkaar heeft gebogen en/of losgetrokken en/of geopend en/of (vervolgens)

- haar hand (waarmee die [slachtoffer] haar (rechter) broekzak afdekte/dichtklemde) met kracht heeft losgetrokken van haar broekzak en/of (vervolgens)

- een hoeveelheid geld uit de (rechter) broekzak van die [slachtoffer] heeft gepakt.


3De vordering van de officier van justitie


De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als dat inhoudt de medewerking aan “overbruggingszorg” en opname in een forensische kliniek voor klinische behandeling voor de duur van een jaar.

Verder heeft de officier van justitie toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] tot een bedrag van € 706,- gevorderd, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.


4De voorvragen


De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.


5De beoordeling van het bewijs


Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of het tenlastegelegde feit bewezenverklaard kan worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken.


5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging


De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.


De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het onderdeel van de tenlastelegging dat ziet op het duwen van [slachtoffer] . Voor het overige heeft de raadsman zich gerefereerd.


5.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank


[slachtoffer] (hierna: aangeefster) heeft aangifte gedaan van een straatroof door verdachte, waarbij een geldbedrag is gestolen.


De rechtbank constateert dat niet ter discussie staat dat verdachte op 5 augustus 2015 op de Deventerstraatweg in Zwolle aangeefster heeft beroofd van een geldbedrag, nu ook verdachte dit heeft bekend. Verdachte heeft daarbij aangeefster vastgepakt en vastgehouden, de broekzakken van aangeefster bevoeld en de vingers van aangeefster met kracht uit elkaar gebogen en geopend. Verdachte heeft vervolgens geld uit haar rechterbroekzak gepakt. Dit verklaren zowel aangeefster als verdachte.


Ten aanzien van het duwen van aangeefster, is het enkel aangeefster die hierover heeft verklaard. Haar verklaring vindt onvoldoende steun in andere bewijsmiddelen, waardoor er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor dit onderdeel. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte van dit deel van de tenlastelegging moet worden vrijgesproken.


5.3

De conclusie


De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij op 5 augustus 2015 te Zwolle - op de openbare weg, Deventerstraatweg - met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld, toebehorende aan [slachtoffer] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte,

- die [slachtoffer] heeft vastgepakt en vastgehouden en vervolgens

- de broekzak(ken) van die [slachtoffer] heeft bevoeld en vervolgens

- de vingers van die [slachtoffer] met kracht uit elkaar heeft gebogen en losgetrokken en geopend en vervolgens

- haar hand (waarmee die [slachtoffer] haar rechterbroekzak afdekte/dichtklemde) met kracht heeft losgetrokken van haar broekzak en vervolgens

- een hoeveelheid geld uit de rechterbroekzak van die [slachtoffer] heeft gepakt.


De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.


De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.


6De strafbaarheid van het bewezenverklaarde


Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 310 en 312 van het wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:


het misdrijf: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken.


7De strafbaarheid van de verdachte


Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.


8De op te leggen straf of maatregel


8.1

De gronden voor een straf of maatregel


Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.


Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal met geweld om in zijn drugsverslaving te voorzien. Verdachte heeft daarbij de broekzakken van aangeefster betast waardoor zij in eerste instantie dacht dat verdachte haar wilde verkrachten. Aangeefster heeft zich daardoor onveilig en angstig gevoeld.


Er is op 14 december 2015, in het kader van deze strafzaak, over verdachte gerapporteerd door D. Breuker, forensisch psycholoog. Uit dat rapport komt naar voren dat bij verdachte ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde feit sprake was van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de zin van afhankelijkheid van verschillende middelen (heroïne, cocaïne en speed). Daarnaast is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens door de aanwezigheid van een persoonlijkheidsstoornis NAO met vooral borderline trekken en een verstandelijke beperking lopende van zwakbegaafdheid tot zwakzinnigheid.

Volgens de psycholoog is sprake van verminderde toerekeningsvatbaarheid. Geadviseerd wordt om verdachte in een (deels) voorwaardelijk strafkader een klinische behandeling op te leggen bij een forensische verslavingskliniek waar men ook deskundig is op het gebied van behandeling aan mensen met een verstandelijke beperking en met persoonlijkheidsproblematiek, zoals OBC Berkelland. Vanuit de kliniek kan verdachte geresocialiseerd worden richting een beschermde woonvorm. Verdachte heeft er baat bij als de binding met zijn oude leefomgeving wordt verbroken en als er geen of minimaal contact is met andere (ex)drugsgebruikers.


De rechtbank neemt de conclusie van de psycholoog dat het tenlastegelegde feit in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend over en acht de verdachte in zoverre strafbaar.


Tactus Reclassering heeft op 16 december 2015 een reclasseringsadvies uitgebracht, opgemaakt door L. Willems, reclasseringswerker. Tactus Reclassering kan zich vinden in het voorstel van de psycholoog om verdachte eerst te plaatsen in een klinische behandelsetting met aansluitend een beschermde woonvorm. Daarnaast wordt geadviseerd een drugs- en alcoholverbod op te leggen, gelet op het verband tussen de verslavingsproblematiek van verdachte en zijn delict gedrag. Er wordt geadviseerd verdachte vanuit detentie in een klinische setting te plaatsen.

Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog, vanwege criminogene factoren als financiën, middelengebruik en het ontbreken van dagbesteding.


Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 19 november 2015. Daaruit blijkt dat verdachte tot en met 2006 regelmatig is veroordeeld voor vermogensdelicten. Vanaf 2006 tot de datum van het onderhavige strafbare feit is verdachte niet met justitie in aanraking gekomen. De rechtbank weegt dit ten voordele van verdachte mee.


De rechtbank heeft rekening gehouden met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).


De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat hij zich zelf na het strafbare feit, en nog voor de aangifte, heeft gemeld bij de politie.


Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij inziet dat hij behandeling nodig heeft en dat dit in een klinische setting dient te gebeuren. Hij geeft blijk van ziekte-inzicht en lijkt gemotiveerd te zijn om aan de behandeling mee te werken. Ook heeft verdachte verklaard dat hij bang is om terug te vallen.


Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest, passend en geboden is.

De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke gevangenisstraf als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als dat inhoudt de medewerking aan “overbruggingszorg” en opname in een forensische kliniek voor klinische behandeling voor de duur van een jaar.


9De schade van benadeelden


9.1

De vordering van de benadeelde partij


[slachtoffer] , wonende te [adres] , heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 726,- (zegge: zevenhonderdzesentwintig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit de volgende posten:

  • - ontvreemd cash geld € 40,-
  • - kleding € 114,-
  • - reiskosten € 72,-
  • - immateriële schade € 500,-

Dit is gevorderd als “voorschot”. De rechtbank begrijpt dit als een vordering tot schadevergoeding van slechts een deel van de geleden schade. De benadeelde partij behoudt zich kennelijk het recht voor een ander deel van de schade buiten het strafgeding van verdachte te vorderen.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.


Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering ontvankelijk en is de vordering deels gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De opgevoerde schadeposten zijn betwist.

Naar het oordeel van de rechtbank komt slechts een bedrag van € 20,- aan ontvreemd contant geld voor vergoeding in aanmerking, aangezien verdachte uitdrukkelijk heeft betwist dat hij meer dan € 20,- heeft gestolen.

De vordering voor zover die ziet op de vergoeding van kleding zal niet ontvankelijk worden verklaard omdat het slachtoffer bij haar aangifte niets heeft vermeld over kleding die gescheurd zou zijn door het strafbare feit.

Ook de vordering voor zover die ziet op de vergoeding van taxikosten zal niet ontvankelijk worden verklaard, aangezien deze vordering onvoldoende is onderbouwd.

Aan immateriële schade zal de rechtbank een bedrag van € 250,- toewijzen.


De rechtbank zal het gevorderde daarom deels toewijzen tot een bedrag van € 270,-, te vermeerderen met de van rechtswege verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

De gestelde schade zal voor het overige niet ontvankelijk worden verklaard. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om zijn stellingen alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onaanvaardbare vertraging van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partij ten aanzien van deze schadeposten niet-ontvankelijk zal verklaren. De benadeelde partij kan zijn vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.


9.2

De schadevergoedingsmaatregel


De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde feit is toegebracht.


10De toegepaste wettelijke voorschriften


De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c en 27 Sr.

11De beslissing


De rechtbank:


vrijspraak/bewezenverklaring

  • - verklaart bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
  • - verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
  • - verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken


- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;


straf

  • - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;
  • - bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:- omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;- omdat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of omdat de veroordeelde geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden;

- omdat de veroordeelde geen medewerking aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr heeft verleend, medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- omdat de veroordeelde tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Tactus Reclassering voor zover en voor zolang de reclassering dat noodzakelijk acht, ook als dat inhoudt de medewerking aan “overbruggingszorg” en opname in een forensische kliniek voor klinische behandeling voor de duur van een jaar;

  • - draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;
  • - bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

  • - bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer] , wonende te [adres] , voor een deel van € 456,- niet-ontvankelijk is in haar vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
  • - veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 270,- (vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 augustus 2015);
  • - veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
  • - legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 270,- ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van vijf dagen zal worden toegepast;
  • - bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.


Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. Milani, voorzitter, mr. L.J.C. Hangx en mr. B.T.C. Jordaans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.W. de Boer als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 29 december 2015.



Buiten staat

Mr. Hangx en mr. Milani zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen


Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.


Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer PL0600-2015382486. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.


Nu verdachte zowel bij de politie als ter terechtzitting het ten laste gelegde feit heeft bekend, volstaat de rechtbank op grond van het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, met een opgave van de bewijsmiddelen:


  • - het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 6 augustus 2015, bijlage 1;
  • - het proces-verbaal van inverzekeringstelling van verdachte van 12 augustus 2015, bijlage 4;
  • - het proces-verbaal van verhoor verdachte van 12 augustus 2015, bijlage 6;

- de bekennende verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 17 december 2015.