Rechtbank Overijssel, 16-09-2015 / C/08/174467 / FA RK 15-1747


ECLI:NL:RBOVE:2015:5745

Inhoudsindicatie
Rechtbank vernietigt de door de man gedane erkenning, nu hij niet de biologische vader is van de minderjarige, haar feitelijk niet (heeft) verzorgt en tussen de man en de kinderen geen family-life bestaat.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-09-16
Publicatiedatum
2016-01-04
Zaaknummer
C/08/174467 / FA RK 15-1747
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familierecht en Jeugdrecht


Zittingsplaats Almelo


zaaknummer: C/08/174467 / FA RK 15-1747

datum beschikking:16 september 2015(SL(O)


Beschikking van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:


[verzoekster] ,

verder ook de vrouw te noemen,

wonende te [woonplaats 1] , [adres 1] ,

verzoekster,

advocaat: mr. J.F. Sabaroedin,


tegen


1. [belanghebbende] ,

verder ook de man te noemen,

wonende te [woonplaats 2] , [adres 2] ,

advocaat: mr. J.F. Sabaroedin,

2. mr. [E] , bijzonder curator,

belanghebbenden.


Het procesverloop

Op 22 juli 2015 is een verzoekschrift van de vrouw ter griffie ingekomen.


Op 24 juli 2015 is een aangepast verzoekschrift ter griffie ingekomen.


Bij tussenbeschikking van 24 juli 2015 is mr. [E] benoemd tot bijzonder curator.


De zaak is behandeld ter zitting van 1 september 2015. Ter zitting zijn verschenen: de vrouw, bijgestaan door mr. Sabaroedin en de bijzonder curator, mr. [E] . De Raad voor de Kinderbescherming (verder ook: de Raad) is vertegenwoordigd door de heer [A 1] . De standpunten van partijen zijn toegelicht. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.


De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan mevrouw [B] , wijkcoach.


De beschikking is bepaald op heden.


De vaststaande feiten

De man en de vrouw hebben een relatie gehad.

Op [geboortedatum] is te [geboorteplaats 1] geboren [D] .De man heeft dit kind op 28 mei 2014 erkend.

Het ouderlijk gezag over [D] wordt uitgeoefend door de vrouw en de man.

De standpunten van partijen

De vrouw, in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigster van [D] , verzoekt de rechtbank om, voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad, een bijzonder curator te benoemen op grond van het bepaalde in artikel 1:212 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Tevens verzoekt de vrouw om de erkenning door de man op grond dat hij niet de biologische vader is van [D] uit te spreken. De vrouw stelt daartoe dat partijen een korte affectieve relatie hebben gehad en nooit hebben samengewoond. Tussen de man en [D] is geen sprake van family-life en de man is niet haar biologische vader. De vrouw stelt voorts dat er geen sprake is van een affectieve band tussen [D] en de man. [D] wil niets met de man van doen hebben.


De kinderrechter gaat ervan uit dat in het verzoekschrift van moeder sprake is van een omissie. Hij zal het verzoek opvatten als een verzoek tot vernietiging van de op 28 mei 2014 gedane erkenning door de man van [D] .

De man

De man is, hoewel daartoe op de wettelijk voorgeschreven wijze te zijn opgeroepen, niet verschenen. Hij heeft wel zijn standpunt aan de bijzonder curator kenbaar gemaakt.


De bijzonder curator

In haar adviesbrief van 20 augustus 2015 stelt de bijzonder curator dat in het gesprek met de man, hij te kennen heeft gegeven dat hij het niet eens is met het verzoek van de vrouw. Hij is van mening dat hij [D] zeker nog een rol als vader heeft te bieden. Hij zou ook graag een contactregeling met [D] willen. Hij vindt dat het verzoek van moeder dient te worden afgewezen.

De bijzondere curator stelt voorts in voornoemde adviesbrief dat de vrouw in haar tweede verzoek, vernietiging van de erkenning door de man van [D] op 28 mei 2014, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. In art. 1:212 BW is bepaald dat in zaken van afstamming het minderjarige kind, optredend als verzoeker of belanghebbende, wordt vertegenwoordigd door een bijzonder curator daartoe benoemd door de rechtbank die over de zaak beslist. Dit betekent dat slechts de bijzonder curator voor de minderjarige een verzoek betreffende afstammingskwesties kan indienen. Als belangenbehartiger van de minderjarige is de bijzonder curator van mening dat het door de wettelijk vertegenwoordigster gedane verzoek in het belang is van de minderjarige. Om die reden verzoekt de bijzonder curator de wettelijk vertegenwoordigster wel ontvankelijk te verklaren.

Voor het geval de rechtbank de wettelijk vertegenwoordigster niet-ontvankelijk verklaart, neemt de bijzonder curator het verzoek van haar over en verzoekt zij subsidiair de erkenning van [D] door de man te vernietigen.

De Raad voor de Kinderbescherming

De Raad voor de Kinderbescherming heeft ter zitting laten weten te kunnen instemmen met het verzoek van de bijzondere curator namens de minderjarige, strekkende tot vernietiging van de erkenning van het vaderschap.


De beoordeling van het verzoek en de motivering van de beslissing

De inhoud van de tussenbeschikking geldt als hier herhaald en ingelast.


De ontvankelijkheid

Allereerst dient beoordeeld te worden of het verzoek van de vrouw, in haar hoedanigheid als wettelijk vertegenwoordigster van [D] kan worden ontvangen. Daaromtrent overweegt de rechtbank het volgende.


Artikel 1:212 BW bepaalt het volgende:


“In zaken van afstamming wordt het minderjarige kind, optredende als verzoeker of belanghebbende, vertegenwoordigd door een bijzondere curator daartoe benoemd door de rechtbank die over de zaak beslist.”


Hieruit volgt dat het aan de bijzondere curator is voorbehouden om in afstammingskwesties namens de minderjarige verzoeken in te dienen. Het door de moeder als wettelijk vertegenwoordigster namens de minderjarige ingediende verzoek dient om die reden niet-ontvankelijk te worden verklaard.


Thans in nog aan de orde het verzoek van de bijzondere curator namens [D] . In haar adviesbrief van 20 augustus 2015 heeft de bijzondere curator eveneens een verzoek tot vernietiging van de erkenning namens [D] gedaan. Hieromtrent overweegt de rechtbank als volgt.


Het verzoek van de bijzondere curator namens de minderjarige is gebaseerd op artikel 1:205 lid 1 sub a BW waarin is bepaald dat het kind een verzoek tot vernietiging van de erkenning kan indienen op de grond dat de erkenner niet de biologische vader van het kind is. Een dergelijk verzoek moet op grond van het vierde lid van deze bepaling worden ingediend binnen drie jaren nadat het kind bekend is geworden met het feit dat de man vermoedelijk niet haar biologische vader is. Indien het kind evenwel gedurende zijn minderjarigheid bekend is geworden met dit feit kan het verzoek tot uiterlijk drie jaren nadat het kind meerderjarig is geworden worden ingediend. Het verzoek is tijdig ingediend. De bijzondere curator kan daarom in zijn verzoek worden ontvangen.


Vernietiging van de erkenning

Uit artikel 1:205 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) volgt dat een verzoek tot vernietiging van de erkenning, op de grond dat de erkenner niet de biologische vader van het kind is, kan worden ingediend door het kind zelf. Niet in geschil is dat de man niet de biologische vader is van [D] , maar enkel die vaststelling is nog onvoldoende om tot vernietiging van de erkenning door de man over te gaan. Bij de beoordeling van een verzoek als het onderhavige staat namelijk het belang van het kind centraal en is een nadere afweging van de belangen van alle betrokkenen noodzakelijk.


Naar het oordeel van de kinderrechter is het in het belang van [D] dat de erkenning door de man wordt vernietigd. De man is pas in het leven van [D] gekomen, toen zij reeds 9 jaren oud was. Hij heeft nooit met de moeder en [D] samengewoond. Er is geen sprake van family-life geweest en de man speelt al langere tijd geen rol meer in het leven van [D] . Zij heeft door de vernietiging geen juridische vader meer, maar de kinderrechter is van oordeel dat dit niet aan toewijzing van het verzoek van de bijzondere curator in de weg staat, nu het niet in het belang van [D] is te achten dat een man die niet haar biologische vader is en die haar feitelijk niet meer verzorgt in de geboorteakte vermeld staat.

Gelet op vorenstaande zal de kinderrechter de door de man gedane erkenning van [D] vernietigen.


Het gezamenlijk gezag

Zoals hiervoor vermeld wordt ingevolge artikel 1:206 lid 1 BW de erkenning door de man geacht nimmer gevolg te hebben gehad, nadat de beschikking houdende vernietiging van de erkenning in kracht van gewijsde is gegaan. Het gezamenlijk gezag van de vrouw en de man komt derhalve te vervallen.

De griffier van de rechtbank dient op grond van artikel 3 sub c Besluit Gezagsregisters de griffier van het gezagsregister onverwijld in kennis te stellen van de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak inhoudende de vernietiging van de erkenning, zodat hiervan aantekening zal worden gedaan.

De indertijd door de vrouw en de man gedane aantekening van het uitoefenen van gezamenlijk gezag in het gezagsregister is gebaseerd op het rechtsfeit van zijn (juridisch) vaderschap, welk rechtsfeit is vernietigd. Hierdoor is de rechtsgrond van de aantekening komen te vervallen. Het voorgaande brengt mee dat de vrouw van rechtswege alleen het ouderlijk gezag over [D] uitoefent.


De beslissing

De kinderrechter:


I. Verklaart het verzoek van de vrouw tot vernietiging van de erkenning van het vaderschap niet-ontvankelijk;

II. Vernietigt de op 28 mei 2014 gedane erkenning door [belanghebbende] , van [D] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum] .


III Gelast de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Enschede een latere vermelding aan de geboorteakte van [D] toe te voegen, inhoudende de vernietiging van de erkenning.


IV. Draagt de griffier op krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo ter attentie van het centraal gezagsregister, niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking en indien daartegen geen hoger beroep is ingesteld.


V. Wijst af het meer of anders verzochte.


Deze beschikking is gegeven door mr. J.H. Olthof, in tegenwoordigheid van H.-J. van der Woude als griffier en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2015.