Rechtbank Overijssel, 23-12-2015 / C/08/152154 / HA ZA 14-89


ECLI:NL:RBOVE:2015:5770

Inhoudsindicatie
Erfrecht. Onwaardig. Ingevolge artikel 4:3 lid 1 sub e BW is van rechtswege onwaardig om uit een nalatenschap voordeel te trekken hij die de uiterste wil van de overledene heeft verduisterd, vernietigd of vervalst. Er is geen sprake van een vervalsing van de uiterste wil, omdat niet is voldaan aan alle vereisten van artikel 4:3 lid 1 sub e BW.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-12-23
Publicatiedatum
2016-01-12
Zaaknummer
C/08/152154 / HA ZA 14-89
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • ERF-Updates.nl 2016-0028
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht


Zittingsplaats Almelo


zaaknummer: C/08/152154 / HA ZA 14-89

datum vonnis: 23 december 2015


Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:



[A] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser in conventie, verweerder in reconventie,

verder te noemen: [A] ,

advocaat: mr. L.J.A. Eshuis-Nijmeijer, advocaat te Wierden,


tegen


1 [B] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

verder te noemen: [B] ,

advocaat: mr. G. van Lent te Almelo,


2 [C] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde in conventie,

verder te noemen: [C] ,

niet verschenen.


1Het procesverloop


1.1

Bij (tussen)vonnis van 6 augustus 2014, waarvan de inhoud hier als aangehaald en ingelast dient te worden beschouwd, heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast, welke comparitie op 14 oktober 2014 heeft plaatsgevonden en waarvan proces-verbaal is opgemaakt.


1.2

Partijen hebben ter comparitie verzocht om de zaak aan te houden, teneinde te bezien of deze kwestie kan worden opgelost door tussenkomst van een mediator.


1.3

Uiteindelijk hebben partijen om vonnis gevraagd.


2De feiten


2.1

Partijen zijn broers en erfgenamen van [X] en [Y] , hun ouders.

2.2

Partijen hebben de nalatenschappen van [X] en [Y] zuiver aanvaard. Op grond van beide testamenten is sprake van één onverdeeldheid, waarin partijen gelijkelijk gerechtigd zijn.


3De standpunten van partijen


In conventie


3.1

[A] vordert in conventie dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:


A. [B] en [C] hoofdelijk, aldus dat de betaling door de een de andere zal bevrijden, veroordeelt tot betaling aan [A] van de somma van (twee/derde van

€ 10.200,-- ofwel) € 6.800,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf

12 februari 2014 tot de dag der algehele voldoening;


de gemeenschap verdeelt die wordt gevormd door de nalatenschappen van [X] en [Y] , en aldus vaststelt dat daaruit door elk der erfgenamen wordt ontvangen een/derde van het saldo van de nalatenschappen (zoals dat saldo luidt inclusief bijgeschreven rente), met dien verstande dat aan [B] wordt toegerekend de vorderingen op hem inzake de verkoopprijs van de Opel Astra ad € 650,-- en de uitkering Ardanta van € 2.925,--, en aan [C] wordt toegerekend de vorderingen op hem inzake de uitkering Ardanta van € 2.925,-- en de restitutie uitvaart ad € 130,-- en voor zover nodig [A] te machtigen de bovenstaande verdeling tot stand te brengen door verdeling van het saldo van de bankrekeningen van de ouders conform het bovenstaande en de rekeningen vervolgens op te heffen;


onder compensatie van kosten.


3.2

[A] stelt daartoe dat partijen erfgenamen zijn van [X] en [Y] en geen overeenstemming kunnen bereiken over de verdeling van de nalatenschappen omdat geen overeenstemming bestaat over de omvang (de bestanddelen) van de onverdeeldheid.


3.3

[A] stelt geen schuld meer te hebben aan [X] en [Y] . De grafsteen en de bloemen die hij heeft besteld voor de uitvaart van [Y] , vallen onder de schulden van de nalatenschap en dienen ten laste van deze nalatenschap te komen.


3.4

Op 1 juli 2012 hebben [X] en [Y] een verklaring opgesteld waarin zij laten weten dat zij voor iedere maand dat zij met [A] en zijn gezin hebben samengewoond, een bedrag van € 100,-- per maand bijdragen in de energiekosten. Aan [A] komt uit dien hoofde in totaal een bedrag van € 10.200,-- toe.


3.5

Uitvaartverzekeraar Ardanta heeft een bedrag van € 5.850,-- aan [B] en [C] uitgekeerd in verband met de kosten van de uitvaarten van [X] en [Y] . [B] en [C] dienen dat bedrag aan de nalatenschappen te vergoeden, althans dat bedrag dient te worden verrekend met hetgeen hen toekomt. Datzelfde geldt voor het bedrag van € 130,-- dat de begrafenisondernemer teveel in rekening heeft gebracht en heeft terugbetaald aan [C] . Ten slotte heeft [B] de auto van de ouders van partijen verkocht. De opbrengst van

€ 650,-- dient hij aan de nalatenschappen te vergoeden, althans dat bedrag dient te worden verrekenend met hetgeen hem toekomt.


3.6

[B] voert verweer. Op de stellingen van partijen zal hierna, waar nodig, nader worden ingegaan.


In reconventie


3.7

[B] vordert in reconventie dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:


[A] veroordeelt een boedelbeschrijving aan hem af te geven, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 500,-- voor iedere dag, dat [A] in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen;


Een deskundige als taxateur benoemt die de taxatie van de ouderlijke woning van destijds aan de [adres] in [plaats] in ogenschouw neemt en die in aanvulling daarop en in aanvulling van de akte van levering en het daaraan gehechte taxatierapport van destijds, een aanvullende taxatie maakt, voor de situatie, dat wijlen de ouders van partijen, slechts een beperkt gebruik hebben gemaakt (te weten, aanzienlijk minder dan 66%, ofwel ƒ 148.500,-- (€ 67.386,36) van het verkochte, alsmede daarbij te beoordelen, wat de omvang en waarde is van de bouwkosten van het nieuwe appartement aan de [adres] te [plaats] , dat door de ouders van partijen zelf is bekostigd, voor welke situatie de akte van levering en het taxatierapport geen regeling heeft weergegeven, met het verzoek om die akte van levering daarop aan te vullen, om welke reden [B] mede op grond van onvoorziene omstandigheden zulks vordert, met voor zover vereist een beroep op zijn legitieme portie, het totale object aan de [adres] met weiland te [plaats] voor zover in verband met voorgaande vorderingen van belang opnieuw te laten taxeren;


[A] veroordeelt tot terugbetaling van een bedrag van € 500,-- als ongeoorloofde pinopname, een bedrag van € 2.714,--, een bedrag van € 240,--, alsmede [A] veroordeelt tot de terugbetaling van de ter leen ontvangen gelden, zulks conform de schuldbekentenis ter waarde van ƒ 73.500,-- ofwel € 33.352,84, althans tot de terugbetaling van een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen, zulks vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 februari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening aan de nalatenschap;


[A] veroordeelt tot de betaling van het bedrag van tenminste ƒ 148.500,--

(€ 67.386,36), althans een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen, aan de nalatenschap, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 februari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening;


[A] als erfgenaam onwaardig verklaart;


I. De omvang van de nalatenschap tussen partijen in goede justitie vaststelt en daarbij ieders deel in goede justitie bepaalt.


3.8

[B] stelt daartoe dat tot dusver geen boedelbeschrijving van de twee nalatenschappen heeft plaatsgevonden, waardoor partijen van mening blijven verschillen over de omvang van de nalatenschap. [B] wenst verdeling, maar uitdrukkelijk eerst een boedelbeschrijving.

3.9

[B] bestrijdt de authenticiteit van het door [A] in het geding gebrachte document van 1 juli 2012. Het document is getypt in woorden, die niet afkomstig zijn van [X] en [Y] , gelet op hun eenvoudige taalgebruik. [B] bestrijdt dat zij de handtekeningen op dat document daadwerkelijk hebben geplaatst. Hij brengt daartoe een deskundigenonderzoek in het geding. Op basis van vergelijkend handtekeningonderzoek komt de deskundige tot het oordeel dat er zeer veel steun bestaat voor de opvatting, dat de betwiste handtekeningen geen echte handtekeningen zijn van [X] en [Y] . Gelet op deze valselijk opgemaakte verklaring, meent [B] dat [A] als erfgenaam onwaardig is, ingevolge het bepaalde in artikel 4:3 lid sub d en/of e BW.


3.10

De bedragen van € 5.850,--, € 130,-- en € 650,-- zijn reeds verdeeld. [A] heeft een bedrag van € 2.210,-- contant ontvangen.


3.11

[B] heeft er bezwaar tegen dat de kosten van de grafsteen ten laste van de nalatenschap komen, omdat [A] deze grafsteen zonder overleg met [B] en [C] heeft uitgezocht, terwijl dit wel tussen partijen was afgesproken. [B] maakt ook bezwaar tegen de opgevoerde kosten van bloemen van € 240,--, omdat noch [B] en zijn gezin, noch [C] en zijn gezin zijn genoemd op de kaart die bij de bloemen hoorde.


3.12

[B] vordert dat [A] een bedrag van tenminste € 500,-- terugstort in de nalatenschap, omdat in de periode van 24 december 2012 tot en met 29 januari 2013 bedragen van respectievelijk € 250,--, € 300,-- en € 500,-- zijn gepind met de pinpas van [Y] , welke onttrekkingen niet door [B] of [C] zijn verricht, maar vermoedelijk door [A] zijn gedaan.


3.13

[A] voert verweer. Op de stellingen van partijen zal hierna, waar nodig, nader worden ingegaan.


4De beoordeling


Zowel in conventie als in reconventie:


4.1

De rechtbank zal eerst het meest verstrekkende verweer van [B] bespreken, inhoudende dat [A] onwaardig is om uit de nalatenschap voordeel te trekken, omdat hij de uiterste wil van [X] en [Y] heeft vervalst. Ingevolge artikel 4:3 lid 1 sub e BW is van rechtswege onwaardig om uit een nalatenschap voordeel te trekken hij die de uiterste wil van de overledene heeft verduisterd, vernietigd of vervalst.


4.2

Naar het oordeel van de rechtbank kan het document van 1 juli 2012, dat [B] in het geding heeft gebracht, niet worden aangemerkt als uiterste wil. Uit het bepaalde in artikel 4:94 BW volgt dat een uiterste wil alleen kan worden opgemaakt bij een notariële akte of bij een aan een notaris in bewaring gegeven onderhandse akte. Ook een codicil als bedoeld in artikel 4:97 BW wordt als een uiterste wil aangemerkt.


4.3

Het document van 1 juli 2012 is geen notariële akte en gesteld noch gebleken is dat het zou gaan om een aan een notaris in bewaring gegeven onderhandse akte. Evenmin kan het document worden aangemerkt als een codicil, omdat de inhoud van het document geen betrekking heeft op kleren, lijftoebehoren, bepaalde sieraden, bepaalde inboedelzaken of bepaalde boeken.


4.4

Uit het vorengaande volgt dat geen sprake is van een vervalsing van de uiterste wil, omdat niet is voldaan aan alle vereisten van artikel 4:3 lid 1 sub e BW. Het verweer van [B] zal om die reden dan ook worden verworpen.


4.5

Een andere vraag is het, of het document al dan niet is vervalst. [A] heeft erkend dat hij de verklaring ten behoeve van [X] en [Y] heeft opgesteld, en dat zij deze verklaring hebben ondertekend. Volgens [B] zijn de handtekeningen van zijn ouders vervalst. Ter onderbouwing van deze stelling heeft [B] verschillende argumenten naar voren gebracht. Zo heeft hij gesteld dat de handtekeningen afwijken van andere handtekeningen die [X] en [Y] in dezelfde periode hebben geplaatst onder andere documenten.


4.6

Daarnaast heeft [B] een forensisch schriftonderzoek laten uitvoeren door Justiniana, forensisch schriftexperts. Uit het rapport van Justiniana van 18 september 2014 blijkt het volgende:


“Tussen het betwiste materiaal enerzijds en het vgml. anderzijds hebben wij als meest opvallende en zwaarwegende verschil, de lijnvoering, vastgesteld. In het vgml. is sprake van een ernstige tremor met als gevolg een verlies aan controle in de vormgeving van de verschillende letters. In de betwiste handtekening is sprake van een “stevige” lijnvoering met duidelijke lettervormen.


Samenvattend zijn wij van mening, dat de betwiste handtekening met betrekking tot de categorie algemene kenmerken op alle relevante details buiten de bandbreedte valt van de variatie, zoals die uit de spreiding van het vgml. kan worden geconstrueerd. Mede vanwege de tremor in het vgml. komt een verdieping van het onderzoek naar microniveau te vervallen.


(…)


Conclusies


Deelonderzoek 1


Op basis van het ons ter beschikking gestelde materiaal zijn wij van mening, dat er zeer veel steun bestaat voor de opvatting, dat de betwiste handtekening geen echte handtekening is van [X] . Indicatoren, die op het tegendeel duiden hebben wij niet aangetroffen.


Deelonderzoek 2


Op basis van het ons ter beschikking gestelde materiaal zijn wij van mening, dat er zeer veel steun bestaat voor de opvatting, dat de betwiste handtekening geen echte handtekening is van [Y] . Indicatoren, die op het tegendeel duiden hebben wij niet aangetroffen.”


4.7

Ter comparitie van 14 oktober 2014 heeft [B] ten slotte onweersproken gesteld dat [X] , ten tijde van het vermeende plaatsten van de handtekeningen (op 1 juli 2012), eigenlijk niet meer kon schrijven en dat [B] zelfs zijn sigaretten voor hem moest draaien.


4.8

Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen deze feiten en omstandigheden de conclusie dat de handtekeningen die op het document van 1 juli 2012 zijn geplaatst, niet afkomstig zijn van [X] en [Y] . De verklaring van [B] wordt immers ondersteund door het deskundigenrapport, dat spreekt van een ernstige tremor met als gevolg een verlies aan controle in de vormgeving van de verschillende letters.


4.9

Dit klemt temeer, nu [A] geen inhoudelijke argumenten heeft aangevoerd om dit deskundigenrapport te weerspreken of te weerleggen, anders dan de stelling dat moet worden gekeken naar de omstandigheden waaronder de handtekeningen zijn gezet. Gesteld noch gebleken is echter dat die omstandigheden van elkaar verschillen. Gelet op de omstandigheid dat Erik zelf heeft gesteld dat hij de verklaring heeft opgesteld, komt de rechtbank tot het oordeel dat hij de handtekeningen van zijn ouders heeft vervalst.


4.10

De rechtbank zal het bewijsaanbod van [A] , zoals geformuleerd ter comparitie van

14 oktober 2014, passeren. Dit bewijsaanbod luidt namelijk dat sprake is van een overeenkomst (doelend op de verklaring van 1 juli 2012). In het licht van het hiervoren overwogene bezien kan een dergelijk bewijsaanbod – voor zover al relevant en concreet genoeg – geen gewicht in de schaal leggen, omdat dit niets afdoet aan de vaststelling dat sprake is van vervalsing van de handtekeningen.


4.11

Uit overwegingen van een goede proces-economie zal de rechtbank nu eerst overgaan tot het bespreken van de vorderingen van [B] (in reconventie). Voor zover [B] vordert dat de rechtbank [A] als erfgenaam onwaardig verklaart, moet deze vordering worden afgewezen, gelet op hetgeen daaromtrent reeds is overwogen in conventie.


4.12

[B] vordert dat [A] wordt veroordeeld om een boedelbeschrijving aan hem af te geven. Blijkens de toelichting in de conclusie van antwoord is deze vordering gestoeld op artikel 3:194 BW.


4.13

Artikel 3:194 BW bepaalt dat ieder der deelgenoten kan vorderen dat een verdeling aanvangt met een boedelbeschrijving. Indien alle partijen zich daarmee verenigen, kan een dergelijke beschrijving plaatsvinden bij onderhandse akte; in alle andere gevallen zal de boedelbeschrijving geschieden bij notariële akte.


4.14

Uit de stellingen van partijen wordt duidelijk dat er nog geen boedelbeschrijving is. Naar het oordeel van de rechtbank voorziet artikel 3:194 BW er niet in dat in casu [A] kan worden veroordeeld tot (het opstellen van een boedelbeschrijving voorafgaand aan) afgifte van een boedelbeschrijving aan [B] . De rechtbank zal deze vordering om die reden afwijzen.


4.15

[B] vordert voorts dat een taxateur wordt benoemd, die de taxatie van de ouderlijke woning van destijds aan de [adres] in [plaats] in ogenschouw neemt en die in aanvulling daarop en in aanvulling van de Akte van Levering het daaraan gehechte taxatierapport van destijds, een aanvullende taxatie maakt, voor de situatie dat wijlen de ouders van partijen slechts beperkt gebruik hebben gemaakt van het gekochte. Daarnaast dient de taxateur te beoordelen wat de omvang en de waarde is van de bouwkosten van het nieuwe appartement aan de [adres] te [plaats] , dat volgens [B] door de ouders zelf is bekostigd.



4.16

In de genoemde Akte van Levering was opgenomen dat de ouders van partijen het volledige zakelijke gebruiksrecht en dat van bewoning kregen van het totale object van de onroerende zaak, in ruil voor – zulks onder druk van die last – een verminderde kooprijs van slechts ƒ 76.500,--. [B] stelt dat in afwijking van deze Akte op kosten van zijn ouders een appartement op hetzelfde perceel is gebouwd waarin zij zijn gaan wonen.


4.17

De rechtbank maakt uit hetgeen [B] vordert en de stellingen die hij daaraan ten grondslag legt, op dat hij kennelijk meent dat de bepalingen in Akte van Levering door deze gang van zaken niet meer gelden en dat [A] alsnog de reële waarde van de woning aan de nalatenschap dient te vergoeden. Een dergelijke aanname van de zijde van [B] rust op een misvatting. Immers, de rechtbank houdt het er voor – bij gebrek aan stellingen en bewijsmiddelen die op het tegendeel wijzen – dat de ouders van partijen er vrijwillig voor hebben gekozen om in het appartement te gaan wonen en dus hun recht op bewoning van het woonhuis vrijwillig hebben prijsgegeven. [B] kan dit niet aan [A] tegenwerpen.


4.18

Gelet op het vorengaande is er geen noodzaak om een taxateur te benoemen, zodat deze vordering zal worden afgewezen. Hieruit volgt overigens eveneens dat de vordering van

€ 67.386,36 (ƒ 148.500) zal worden afgewezen. Deze vordering correspondeert immers, voor zover de rechtbank kan opmaken uit de onderbouwing van deze vordering, met de getaxeerde waarde van de woning (ƒ 225.000,00) minus de koopsom (ƒ 76.500,00,00).


4.19

[B] vordert daarnaast dat [A] wordt veroordeeld tot terugbetaling van € 500,--,

€ 2.714,--, € 240,--, € 33.352,84 en (ten minste) € 67.386,36.


4.20

Ten aanzien van de vordering van € 500,-- heeft [A] onweersproken gesteld dat hij dit bedrag voor [Y] heeft gepind en dat hij dit geld aan haar heeft afgegeven, zodat deze vordering zal worden afgewezen.


4.21

Ten aanzien van de vordering van € 2.714,-- staat tussen partijen vast dat dit bedrag ziet op de grafsteen, en dat deze kosten van lijkbezorging op de nalatenschap kunnen worden verhaald. [B] meent dat deze kosten in dit geval door [A] dienen te worden vergoed, omdat hij – anders dan tussen partijen was afgesproken – deze grafsteen uitgekozen zonder overleg met (onder meer) [B] . Alhoewel de rechtbank begrijpt dat deze gang van zaken pijnlijk is voor (onder meer) [B] , is dit geen reden om af te wijken van hetgeen voortvloeit uit de wet. Deze vordering zal om die reden dan ook worden afgewezen.


4.22

Dit geldt evenzeer ten aanzien van de kosten van de bloemen ter hoogte van € 240,--. Ook hier geldt dat het pijnlijk is voor (onder meer) [B] dat deze bloemen niet namens hem zijn aangeboden, maar dat laat overlet dat deze kosten kunnen worden aangemerkt als kosten van lijkbezorging. Ook deze vordering zal om die reden worden afgewezen.


4.23

De vordering van € 33.352,84 (ƒ 73.500,--) ziet op een door [A] getekende schuldbekentenis aan zijn ouders d.d. 8 juli 1998. [A] voert tot verweer aan dat hij deze schuld een jaar later, op 27 juli 1999, heeft voldaan door betaling van een bedrag van

ƒ 77.000,--. De stelling van [B] dat niet is gebleken van enige kwijting zal worden verworpen, omdat dit geen constitutief vereiste is voor het teniet gaan van een schuld. Bovendien is gesteld noch gebleken dat de betaling van dit bedrag zou zien op delging van een eventuele andere schuld van [A] aan [X] en [Y] . Deze vordering zal dientengevolge eveneens worden afgewezen.


4.24

[B] heeft ten slotte de rechtbank verzocht om de omvang van de nalatenschap tussen partijen in goede justitie vast te stellen en daarbij ieders deel in goede justitie te bepalen.


4.25

De rechtbank stelt vast, naar [A] overigens ook heeft aangevoerd, dat [B] heeft verzuimd om [C] in reconventie in het geding te roepen en dat voor verdeling is vereist dat alle deelgenoten in de uitspraak worden verbonden. De rechtbank zal [B] in de gelegenheid stellen om [C] alsnog in het geding in reconventie te roepen en verwijst de zaak daartoe naar de rol van 3 februari 2016.


Resumerend:


4.26

De beslissing op de vorderingen van [B] zal worden aangehouden uit oogpunt van een goede proces-economie, omdat – alvorens over te kunnen gaan tot enige vorm van verdeling van de nalatenschap – eerst de omvang daarvan moet worden vastgesteld (een en ander zoals gevorderd in reconventie).


4.27

Alle vorderingen van [A] , behoudens hetgeen hij vordert als verwoord onder r.o. 3.7 sub I, worden afgewezen.


4.28

Nu de rechtbank in dit vonnis over enkele cruciale punten die partijen verdeeld houden reeds beslist, is het niet ondenkbaar dat partijen deze duidelijkheid te baat nemen om met elkaar in gesprek te komen om alsnog tot overeenstemming te komen ten aanzien van de verdeling van de nalatenschap. De rechtbank geeft dit partijen in ieder geval in overweging.


4.29

Mochten partijen een eindoordeel van de rechtbank wensen, dan is de eerste stap die moet worden gezet dat [C] in het geding wordt geroepen.


4.30

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.


5De beslissing


De rechtbank:


In reconventie:


I. wijst de vorderingen van [A] als verwoord onder r.o. 3.7 sub D, E, F, G en H af.


II. Houdt de beslissing, om de omvang van de nalatenschap tussen partijen in goede justitie vast te stellen en daarbij ieders deel in goede justitie te bepalen, aan en verwijst de zaak naar de rol van 3 februari 2016 om [B] de gelegenheid te bieden om [C] in het geding te roepen.


Zowel in conventie als in reconventie:


III. Houdt iedere verdere beslissing aan.





Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. A.J. Louter, voorzitter, en mrs. A.E. Zweers en A.A.J. Lemain en op 23 december 2015 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.