Rechtbank Overijssel, 16-12-2015 / C/08/176540 / FA RK 15-2255


ECLI:NL:RBOVE:2015:5815

Inhoudsindicatie
Verzoek van de moeder tot vervangende toestemming om met de kinderen te mogen verhuizen naar Duitsland wordt afgewezen. Het belang van de moeder om terug te verhuizen naar haar familie, weegt niet zwaarder dan het belang van de minderjarige.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-12-16
Publicatiedatum
2016-02-12
Zaaknummer
C/08/176540 / FA RK 15-2255
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familierecht en Jeugdrecht


Zittingsplaats Almelo


zaaknummer: C/08/176540 / FA RK 15-2255 (SL(O)


beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel d.d. 16 december 2015


inzake


[verzoekster] ,

verder ook de vrouw of de moeder te noemen,

wonende te [woonplaats 1] , [adres 1]

verzoekster,

advocaat: mr. B. Bentem,


en


[belanghebbende] ,

verder ook de man of de vader te noemen,

wonende te [woonplaats 2] , [adres 2] ,

belanghebbende,

advocaat: mr. M. Kieft.



Het procesverloop

Bij op 21 september 2015 ter griffie ingekomen verzoekschrift met bijlagen heeft de moeder verzocht om vervangende toestemming ex artikel 1:253a Burgerlijk Wetboek (verder: BW) om te mogen verhuizen.


De zaak is behandeld ter zitting van 7 oktober 2015. Ter zitting zijn verschenen: de moeder vergezeld door mr. B. Bentem en de vader vergezeld door mr. M. Kieft. De Raad voor de Kinderbescherming is vertegenwoordigd door de heer [A] . De standpunten zijn toegelicht. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.


De minderjarige [B] is op 4 november 2015 door de kinderrechter gehoord. Van dit verhoor is een apart proces-verbaal opgemaakt.


De beschikking is bepaald op heden.


De vaststaande feiten

De ouders zijn gehuwd geweest. Uit dit huwelijk zijn geboren:


[B] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] ,

[C] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 2] .


Bij beschikking van 25 september 2013 van rechtbank Overijssel, locatie Almelo, is de echtscheiding uitgesproken. Bij die beschikking is verstaan dat beide ouders belast blijven met het ouderlijk gezag en is bepaald dat de inhoud van het aangehechte echtscheidingsconvenant, tevens bevattend een ouderschapsplan, deelt uitmaakt van die beschikking. Daarin is onder meer geregeld dat de kinderen hoofdverblijfplaats hebben bij hun moeder en een zorg- en contactregeling hebben met hun vader. In het ouderschapsplan hebben de ouders tevens schriftelijk afspraken vastgelegd met betrekking tot een eventuele wens in de toekomst om te verhuizen.


De standpunten van partijen

Moeder wil graag samen met de kinderen verhuizen naar [plaats] in Duitsland . Haar familie woont daar en ze wil daar ook graag weer gaan wonen.


Vader wil niet dat moeder met de kinderen gaat verhuizen. Als ze toch wil gaan, kunnen de kinderen wel bij hem wonen.


De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

1.

Moeder verzoekt vervangende toestemming van de kinderrechter ex artikel 1:253a BW om samen met de kinderen te kunnen verhuizen naar [plaats] in Duitsland , een plaats in de buurt van [D] . De vader geeft daartoe geen toestemming. De moeder garandeert dat de huidige omgangsregeling van een weekend per veertien dagen zal worden nagekomen. Als de vader vaker contact wil, zal zij dat stimuleren. Dit zou kunnen per social media: telefoon, WhatsApp of Skype. Moeder wenst het halen en brengen te verdelen tussen de ouders.

Moeder stelt vanwege haar relatie met de vader naar Nederland te zijn verhuisd. Zij heeft zelf geen familie in Nederland. Haar hele familie woont in Duitsland : haar ouders, haar zus, broer en ooms en tantes. Ook tijdens het huwelijk werd de familie in Duitsland regelmatig bezocht. Zij zou zich thans graag met de kinderen bij haar familie willen voegen. De enkele reisafstand is 187 km en in tijd betekent dit 1.47 uur reistijd.

Ter zitting van 7 oktober 2015 heeft mr. Bentem namens moeder te kennen gegeven dat zij nog geen enkele actie met betrekking tot een verhuizing heeft ondernomen. Er is niets concreet in gang gezet, ze wil eerst weten of ze mag verhuizen met de kinderen. Punt 2.4 van het ouderschapsplan, waarin staat dat de ouders afspreken gedurende de minderjarigheid van de kinderen niet te zullen verhuizen naar het buitenland, behoudens andersluidende schriftelijke afspraak, is aan de aandacht van moeder ontsnapt toen ze dit ondertekende. Ze heeft na de echtscheiding altijd al de bedoeling gehad terug naar Duitsland te gaan. Ze heeft de verhuizing besproken met de vader. Volgens moeder is vader altijd een weekendvader geweest, ook tijdens hun huwelijk. Als [B] bij de vader wil blijven wonen is dat iets waar moeder over mee wil denken, maar vader zal vanwege zijn werk door de week niet voor [B] kunnen zorgen. Verzocht wordt om [B] te horen. Ook een advies van de Raad voor de Kinderbescherming zal zeker op zijn plaats zijn. [B] heeft tegen moeder gezegd niet mee te willen naar Duitsland , vanwege zijn vrienden, de taal en zijn sportactiviteiten. Moeder accepteert dat.

Ter zitting stelt moeder zich op het standpunt zonder [B] niet te gaan verhuizen. Ze wil ook niet dat de kinderen afzonderlijk van elkaar opgroeien.


2.

Ter zitting van 7 oktober 2015 wordt door mr. Kieft gesteld dat vader het pertinent oneens is met een verhuizing van moeder en kinderen. Verzocht wordt het verzoek van de moeder af te wijzen. Een verhuizing is niet in het belang van de kinderen. In het ouderschapsplan is duidelijk afgesproken dat de ouders tijdens de minderjarigheid van de kinderen niet zullen verhuizen naar het buitenland. Er zijn bovengemiddeld specifieke afspraken gemaakt met betrekking tot verhuizen, juist vanwege moeders achtergrond. Moeder heeft overigens ook in Nederland goede contacten, ze heeft een baan en collega’s, vriendinnen en (een deel van) haar familie woont op korte afstand, ca een half uur van [woonplaats 3] vandaan. Moeder heeft de Nederlandse nationaliteit omdat ze haar toekomst in Nederland zag. Moeder heeft nooit overleg gehad met de vader over een verhuizing. Wel heeft zij aangegeven terug te willen naar Duitsland .

Vader acht de motivering van moeders verzoek onvoldoende: niet onderbouwd is hoe zij haar leven in Duitsland wil gaan inrichten, er wordt niets gesteld omtrent de noodzaak van een verhuizing. Uit niets blijkt dat de verhuizing is doordacht en voorbereid. Ook de omgangsregeling zou flink worden beperkt. Alle andere momenten, een spontaan contact of de judolessen, waar vader en zoon altijd samen naar toegaan, zouden vervallen. Ook bezoeken de kinderen nu wekelijks hun oma vaderszijde (vz) en genieten daarvan. Moeder geeft niet aan hoe zij het wegvallen van al die contacten verzacht. Vader wijst erop dat [B] is geworteld in [woonplaats 3] . Moeder gaat daar aan voorbij. [B] wil niet verhuizen. Vader verzoekt om [B] door de kinderrechter te laten horen.

Vader verzet zich tegen een verhuizing van moeder met de kinderen. De basis onder het bestaan van [B] wordt weggerukt door een verhuizing. Ook voor [C] zal een verhuizing een grote verandering vormen. Zij heeft eveneens aan vader te kennen gegeven niet te willen verhuizen. De lange reistijd bij contact met vader na verhuizing is een forse belasting voor de kinderen. Als moeder wil verhuizen mag ze dat van vader, maar dan zonder de kinderen. Vader is bereid om de kinderen bij hem te laten opgroeien. Moeder bagatelliseert de verhuizing, maar ze is er zelf een sprekend voorbeeld van hoe moeilijk het is om te aarden in een ander land. Een raadsonderzoek is niet nodig, tenzij enkel om met [B] te praten over zijn standpunt. [B] zelf wil graag door de kinderrechter worden gehoord.


3.

De heer [A] constateert ter zitting dat moeder een emotioneel belang heeft bij een verhuizing naar Duitsland . Voor de kinderen geldt dat ze een groot deel van hun emotionele achtergrond in Nederland hebben. Op dit moment woont moeder ver van de plek waar ze zich prettig voelt, na een verhuizing geldt hetzelfde voor de kinderen, zij voelen zich prettig in Nederland. De heer [A] ziet geen belang voor de kinderen bij deze verhuizing: soms gaat zo’n verhuizing goed, maar soms blijven er ook nadelen hangen.


4.

Op 4 november 2015 is de minderjarige [B] door de kinderrechter gehoord. [B] heeft aan de kinderrechter verteld dat hij absoluut niet naar Duitsland wil verhuizen. Hij begrijpt wel dat moeder graag bij haar familie wil wonen, maar ze heeft hier ook vrienden. Daar doet ze niets mee. Moeder weet dat hij niet naar Duitsland wil. Als moeder toch gaat verhuizen, wil hij bij vader wonen, met een omgangsregeling met moeder. Hij vindt de vriendin van vader ook wel aardig en zou graag de werkdagen van moeder, maandag en vrijdag, bij vader thuis willen doorbrengen. Hij benadrukt echt niet naar Duitsland te willen verhuizen.


5.

Artikel 1:253a lid 1 BW bepaalt dat in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag over een minderjarige, geschillen hieromtrent op verzoek van (een van) de ouders kunnen worden voorgelegd aan de rechtbank. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

Bij een verzoek tot vervangende toestemming voor verhuizing indien de ouders daarover van mening verschillen dient de rechter volgens vaste rechtspraak alle omstandigheden in acht te nemen en alle belangen af te wegen. De Hoge Raad oordeelde dat vooropgesteld dient te worden dat uit de omstandigheid dat in artikel 1:253a BW is bepaald dat de rechtbank zodanige beslissing neemt als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt, niet mag worden afgeleid dat het belang van het kind bij geschillen over gezamenlijke gezagsuitoefening altijd zwaarder weegt dan andere belangen.


6.

De kinderrechter overweegt dat in zaken als deze het belang van het kind meespeelt, maar niet het enige argument mag zijn. Het gaat ook om het welzijn van de volwassenen, wat weer afstraalt op de kinderen. Een wens van een 12 jarige is niet doorslaggevend. Een moeder bij wie de minderjarige kinderen hoofdverblijfplaats hebben, dient in beginsel de gelegenheid te krijgen om met de minderjarigen (en eventueel een nieuwe partner) elders een gezinsleven en een toekomst op te bouwen.

Ouders hebben in het ouderschapsplan duidelijk omschreven afspraken gemaakt met betrekking tot verhuizingen in de toekomst.


De kinderrechter overweegt met betrekking tot de noodzaak om te verhuizen, dat moeder er naar verlangt om in de directe nabijheid van haar familie te wonen. Dit is een legitieme wens, gebaseerd op de emoties die moeder daarbij ervaart. Met name [B] heeft een soortgelijke legitieme wens, namelijk dat hij graag in de directe nabijheid van zijn vader, school, vrienden en sportclub wil blijven wonen. Ook hij heeft daarbij zijn eigen emoties. Uit het voorgaande blijkt geen omstandigheid waaruit afgeleid kan worden dat het belang van de moeder om te verhuizen zwaarder weegt dan het belang van het kind. Moeder beschikt in Nederland over woonruimte en werk. De verhuizing heeft niet als doel elders een nieuw gezin op te bouwen.


Een verhuizing over een dergelijk grote afstand zal van invloed zijn op de contactmomenten tussen kinderen en vader. Er zal na een verhuizing minder contact kunnen zijn en elk bezoekje brengt veel reistijd met zich mee. Waar de kinderen, en zeker [B] , die ondertussen 12 jaar is, nu de gelegenheid hebben om ook eens spontaan naar vader te gaan, zal dat na een verhuizing naar Duitsland onmogelijk zijn. Ook het gezamenlijke sporten is dan niet langer mogelijk. Moeder biedt weliswaar aan om contact via telefoon, WhatsApp of Skype te stimuleren, maar voor vader en [B] betekent dit toch inleveren. [B] zal niet enkel op het contact met vader moeten inleveren, maar ook op dat met vriendjes, klasgenoten en sportvriendjes.

Voor [B] zitten er geen positieve kanten aan een verhuizing naar Duitsland : op school zal het zeker in het begin aanpassen worden vanwege de andere taal, andere gebruiken en leersystemen. Hij moet weer een vriendenkring opbouwen en hetzelfde geldt voor zijn sport. Hij woont weliswaar dichter bij zijn familie van moeders kant, maar verder van zijn vader en diens familie. Bovendien heeft [B] duidelijk te kennen gegeven niet mee te willen naar Duitsland en in dat geval bij zijn vader te willen wonen.

Moeder heeft te kennen gegeven de kinderen bij elkaar te willen houden zodat ze samen opgroeien. Dit kan door te verhuizen en de kinderen bij vader te laten wonen, danwel door zelf in Nederland te blijven wonen. [B] is consistent in wat hij zegt en vader heeft ook te kennen gegeven dat de kinderen bij hem mogen wonen.

Verhuizen zou voor de kinderen veel impact hebben, zeker nu het een verhuizing naar het buitenland betreft. Het zou veel verandering en onrust voor hen betekenen.


De kinderrechter is van oordeel dat het verzoek van moeder dient te worden afgewezen. Het belang van moeder om te verhuizen, terug naar haar familie weegt niet zwaarder dan het belang van de minderjarige [B] om bij zijn familie en vrienden te blijven. Het belang van [B] is om niet te verhuizen en vader en moeder dichtbij zich te hebben. Daarom wordt het verzoek van de moeder afgewezen.


De beslissing

De kinderrechter:


1. Wijst af het verzoek van de moeder om samen met de kinderen te mogen verhuizen naar [plaats] in Duitsland .


Deze beschikking is gegeven door mr. J.H. Olthof, in tegenwoordigheid van G. Masselink-Jasper als griffier en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2015.




Een afschrift van deze beschikking wordt gezonden aan de Raad voor de Kinderbescherming te Almelo en de in deze beschikking vermelde gegevens worden door die raad opgenomen in zijn registratie.


Tegen deze beschikking kan – uitsluitend door tussenkomst van een advocaat – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:

door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hen op andere wijze bekend is geworden.