Rechtbank Overijssel, 29-09-2015 / C08/15/391 R


ECLI:NL:RBOVE:2015:5871

Inhoudsindicatie
Schuldsanering; tussentijdse beëindiging; niet nakomen verplichtingen
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-09-29
Publicatiedatum
2016-09-09
Zaaknummer
C08/15/391 R
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht; Insolventierecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Team toezicht

Zittingsplaats Almelo


insolventienummer: C08/15/391 R

uitspraakdatum: 29 september 2015 (mbh)


Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken in de wettelijke schuldsaneringsregeling van:


[A] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

thans wonende te [woonplaats] , [adres] .


In deze schuldsaneringsregeling is M.L. Wijlens, werkzaam bij Robers Advocaten te Hengelo (O), tot bewindvoerder benoemd.


Het procesverloop


De bewindvoerder heeft bij brief van 16 juli 2015 bericht over de stand van zaken in deze schuldsaneringsregeling. Die brief is, met goedvinden van de bewindvoerder, aangemerkt als een verzoek tot tussentijdse beëindiging.

De bewindvoerder heeft bij brief van 21 augustus 2015 de laatste stand van zaken doorgegeven.


Het verzoek tot tussentijdse beëindiging is behandeld ter zitting van 22 september 2015, waar [A] en de bewindvoerder zijn verschenen. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.


De uitspraak is bepaald op vandaag.


De beoordeling


Het – zakelijk weergegeven - verzoek van de bewindvoerder:


Het is de bewindvoerder gebleken dat:

  • - [A] meerdere stukken niet overlegt, hoewel de bewindvoerder hem bij het huisbezoek uitdrukkelijk om die stukken heeft gevraagd;
  • - [A] een Kreidler brommer op zijn naam heeft staan, waarover hij de bewindvoerder niet heeft geïnformeerd;
  • - [A] geen informatie verstrekt over zijn sollicitaties.

Uit de brief van de bewindvoerder van 21 augustus 2015 blijkt dat de bewindvoerder, ondanks mondelinge toezegging van [A] van 12 augustus 2015, behoudens twee e-mails met bankafschriften waarvan één e-mail niet te raadplegen was, niets meer van zich heeft laten horen.

Bewijsstukken dat [A] heeft gesolliciteerd heeft de bewindvoerder evenmin ontvangen.



Ter zitting heeft de bewindvoerder verklaard dat zij inmiddels beschikt over de bankafschriften. [A] komt wel op kantoor om de post op te halen, maar de bewindvoerder hoort of ziet niets van hem. De bewindvoerder heeft tot op dit moment geen sollicitaties gezien.


Het – zakelijk weergegeven – standpunt van [A] :


[A] is kwaad geworden op de bewindvoerder omdat zijn pinpas was geblokkeerd. Het vertrouwen van [A] in de bewindvoerder was op dat moment weg. [A] zag de brief waarin de bewindvoerder om informatie vroeg als een dreigement.

De Kreidler is van de zoon van [A] . De brommer staat op naam van [A] omdat de zoon zich anders scheel betaalt aan verzekering. [A] heeft geen contact meer met zijn zoon en weet ook niet of die de brommer nog heeft.

[A] heeft niet gesolliciteerd. Hij wordt volgende week 61 jaar en als er een baan mocht vrijkomen dan gaat die naar de Syrische vluchtelingen.


De overwegingen van de rechtbank:


Ten aanzien van het niet naar behoren verstrekken van gegevens aan de bewindvoerder, in het bijzonder bankafschriften en gegevens over de Kreidler overweegt de rechtbank het volgende.

Gebleken is dat [A] de bewindvoerder inmiddels van de bankafschriften heeft voorzien en informatie over de Kreidler heeft verstrekt.


Niettemin is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de bewindvoerder tot tussentijdse beëindiging moet worden toegewezen. Dat is niet alleen omdat de bewindvoerder onevenredig veel tijd kwijt was om de hierboven genoemde gegevens van [A] te krijgen (de informatieplicht houdt in dat [A] gevraagd én ongevraagd de informatie moet verschaffen die voor de schuldsaneringsregeling van belang kan zijn en niet dat hij mondjesmaat reageert op voortdurende verzoeken van de bewindvoerder) maar ook omdat is komen vast te staan, [A] heeft dit immers toegegeven, dat [A] niet heeft gesolliciteerd. De rechtbank acht dit te meer verwijtbaar omdat [A] op de zitting waarop zijn schuldsaneringsverzoek werd behandeld heeft toegezegd te zullen solliciteren, nadat hij op die zitting door de rechtbank daarover is onderhouden.

Gelet op de thans door [A] ter zitting afgelegde verklaring heeft de rechtbank er echter geen enkel vertrouwen meer in dat [A] , indien deze schuldsaneringsregeling zou worden voortgezet, die sollicitatieplicht zal gaan nakomen. De rechtbank heeft de overtuiging dat [A] , gelet op zijn houding, niet wil solliciteren en dat dus ook niet op een serieuze wijze zal gaan doen. Het ontbreekt [A] aan een saneringsgezinde houding.

Dit laatste is voor de rechtbank dan ook reden om de duur van de schuldsaneringsregeling niet te verlengen, maar om de schuldsaneringsregeling nu tussentijds te beëindigen op grond van artikel 350 derde lid onder c Fw.


Gebleken is dat er onvoldoende baten zijn om de vorderingen geheel of gedeeltelijk te voldoen. Om die reden is artikel 350 vijfde lid Faillissementswet niet van toepassing en zal deze schuldsaneringsregeling eindigen op de dag dat deze uitspraak in kracht van gewijsde gaat.


De rechtbank zal de vergoeding van de bewindvoerder berekenen en diens salaris vaststellen conform het daartoe door de bewindvoerder ingediende verzoek, een en ander als hiernavolgend te bepalen.


De beslissing


De rechtbank:


- beëindigt de toepassing van de schuldsaneringsregeling;


- berekent het bedrag van de vergoeding van de bewindvoerder op € 1.443,00 (inclusief onkosten en omzetbelasting);


- stelt het salaris van de bewindvoerder vast op € 647,14.




Gewezen door mr. Verhoeven, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 29 september 2015, in tegenwoordigheid van de griffier.

1 Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van de zaak kennis moet nemen. (Art. 351 jo 361 Fw)