Rechtbank Overijssel, 22-04-2015 / C/08/153451 / HA ZA 14-153


ECLI:NL:RBOVE:2015:5967

Inhoudsindicatie
Bewijswaardering in het kader van tegenbewijs. Competentie na vermindering van eis.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-04-22
Publicatiedatum
2017-01-24
Zaaknummer
C/08/153451 / HA ZA 14-153
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht


Zittingsplaats Zwolle


Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 22 april 2015


in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/08/153451 / HA ZA 14-153 van


vennootschap onder firma

[X] ,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

eiseres,

advocaat mr. F.J.M. Kobossen te Apeldoorn,


tegen


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[Y] ,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. A. Neophitou te Berghem,


en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/08/160729 / HA ZA 14-406 van


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[Y] ,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

eiseres,

advocaat mr. A. Neophitou te Berghem,


tegen


[Z] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. A.F. Ammerlaan te Dordrecht.



Partijen zullen hierna [X] , [Y] en [Z] genoemd worden.


1De procedure in de hoofdzaak

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - het vonnis in het vrijwaringsincident van 30 juli 2014 en de daarin genoemde processtukken,
  • - de conclusie van repliek,
  • - de akte zijdens [X] van 5 november 2014,
  • - de akte houdende productie zijdens [X] van 5 november 2014,
  • - de conclusie van dupliek,
  • - de akte uitlating producties zijdens [X] van 19 november 2014,
  • - de akte partijberaad tevens overlegging producties zijdens [Y] van 19 november 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.


2De procedure in de vrijwaringszaak

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • - de dagvaarding,
  • - de conclusie van antwoord,
  • - de conclusie van repliek,
  • - de conclusie van dupliek.

2.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.


3De feiten

3.1.

In oktober 2013 heeft de heer [A] , een van de vennoten van [X] , telefonisch zijn betalingsgegevens verstrekt aan een derde die zich valselijk voordeed als een medewerker van de Rabobank.


3.2.

Op 11 oktober 2013 heeft [Z] een tweedehands Mercedes-Benz E-Klasse (hierna: de auto) gekocht bij [Y] voor een bedrag van € 44.950,00. Op dezelfde dag heeft een derde bedoeld bedrag van de (Rabobank)rekening van [X] bijgeschreven op de rekening van [Y] , waarna de auto op naam van [Z] is gezet en aan haar is geleverd.


3.3.

Op het door [X] overgelegde transactieoverzicht van de overboeking wordt onder het kopje ‘Omschrijvingsregels’ onder andere vermeld: ‘eklasse 10xdg’. Onder het kopje ‘Tegenrekening gegevens’ wordt onder andere vermeld ‘ [Y] automotor’. Op het door [Y] overgelegde transactieoverzicht van de overboeking wordt onder het kopje ‘Omschrijving’ vermeld ‘eklasse 10xdg’ en onder het kopje ‘Naam’ [X] VOF.


3.4.

Op 15 oktober 2013 heeft [A] ter zake aangifte gedaan van oplichting. Op 17 april 2014 is namens [Y] eveneens aangifte gedaan van oplichting. Op 8 augustus 2014 heeft ook [Z] aangifte gedaan van oplichting.


3.5.

De auto is inmiddels terecht en wordt thans gehouden door de Rijksoverheid.




4Het geschil

in de hoofdzaak 4.1.

[X] vordert veroordeling van [Y] tot betaling van een bedrag van € 44.950,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 11 oktober 2013 althans 10 januari 2014 tot de dag der algehele voldoening. Tevens vordert [X] de veroordeling van [Y] in de kosten van deze procedure.


4.2.

Aan haar vordering legt [X] ten grondslag dat zij bedoeld bedrag onverschuldigd heeft betaald aan [Y] . [X] voert aan dat derden onder valse voorwenselen de bankgegevens van [A] hebben weten te ontfutselen, waardoor zij in staat waren om de overboeking tegen de wil van [X] uit te voeren (hierna: “phishing”). [A] was niet op de hoogte van het verschijnsel “phishing” en heeft niet verwijtbaar gehandeld omdat hij een telefoongesprek afkomstig van de Rabobank niet hoefde te wantrouwen. [X] betoogt dat [Y] onzorgvuldig heeft gehandeld bij de verkoop van de auto: [Y] heeft op geen enkele wijze de door [Z] verstrekte informatie geverifieerd. Volgens [X] hadden bij [Y] , na de mededeling van [Z] dat zij de auto van haar vader cadeau zou krijgen, de spreekwoordelijke alarmbellen moeten gaan rinkelen op het moment dat zij betaling ontving van [X] . [X] wijst daarnaast op de stellingen van [Z] in de conclusie van antwoord in vrijwaring: [Z] betwist dat zij bij de koop van de auto tegen [Y] heeft gezegd dat de betaling “waarschijnlijk van [A] ” afkomstig zou zijn. Ook had [Y] vraagtekens moeten plaatsen bij de haast die gemoeid was met de (ver)koop van de auto, aldus [X] .


4.3.

[Y] voert verweer en betoogt dat de overboeking heeft kunnen plaatsvinden omdat [A] zijn betalingsgegevens aan onbekende derden heeft verstrekt. Toewijzing van de vordering tot terugbetaling zou naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Bij conclusie van dupliek voert [Y] aan dat zij ervan uit mocht gaan dat [X] de betaling voor [Z] voldeed en dat haar wil daar tevens op was gericht. Volgens [Y] kan haar ten aanzien van haar handelwijze bij de verkoop van de auto geen verwijt worden gemaakt en hoefde zij geen vraagtekens te plaatsen bij de transactie. Het ontvangen bedrag correspondeerde met de overeengekomen koopprijs en bij het betalingskenmerk was tevens het kenteken van de auto vermeld. Volgens [Y] heeft een van haar werknemers, de heer [C] , ook bij [Z] geïnformeerd van wie [Y] de betaling zou ontvangen, waarop zij antwoordde “waarschijnlijk [A] ”. [Y] betoogt dat van haar niet kan worden verwacht dat zij een betaling verder onderzoekt dan dat zij heeft gedaan. Dit past niet binnen een vlot handelsverkeer. Ook het tijdsverloop van de (ver)koop is volgens [Y] niet ongewoon.


in de vrijwaringszaak

4.4.

[Y] vordert - samengevat - dat [Z] wordt veroordeeld om aan [Y] te betalen al hetgeen waartoe [Y] in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, inclusief de proceskosten van de hoofdzaak, met veroordeling van [Z] in de kosten van de vrijwaring. Alsdan heeft [Z] volgens [Y] niet voldaan aan haar betalingsverplichtingen uit hoofde van de koopovereenkomst betreffende de auto en zou [Y] recht hebben op betaling door [Z] van hetgeen zij aan [X] zou moeten voldoen. Ook op grond van onrechtmatige daad is [Z] dan gehouden [Y] te vrijwaren van de vorderingen van [X] , aldus [Y] .


4.5.

[Z] voert verweer en betoogt dat van een toerekenbaar tekort schieten geen sprake is. [Z] stelt evenmin onrechtmatig te hebben gehandeld jegens [Y] . Bovendien zou toewijzing van de vordering van [Y] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn, aldus [Z] . [Z] voert aan dat zij slachtoffer is geworden van de handelwijze van een derde en betoogt dat juist [Y] onzorgvuldig en onvoorzichtig heeft gehandeld ten tijde van de (ver)koop van de auto.


5De beoordeling

in de hoofdzaak 5.1.

In de stellingen van [Y] ligt besloten dat zij de betaling van [X] heeft opgevat als een betaling ter voldoening van de verbintenis van [Z] jegens [Y] en dat haar ter zake geen verwijt kan worden gemaakt omdat zij geen rekening hoefde te houden met het feit dat de betaling heeft plaatsgevonden door middel van “phishing”. Ook betoogt [Y] dat zij geen nader onderzoek diende in te stellen naar de achtergrond van de betaling anders dan dat zij heeft gedaan. De rechtbank begrijpt deze stellingen als een beroep op artikel 3:35 BW.


5.2.

Op basis van artikel 6:30 BW kan een verbintenis door een ander dan de schuldenaar worden nagekomen, tenzij haar inhoud of strekking zich daartegen verzet. De prestatie verricht door de derde kan echter alleen als nakoming van deze verbintenis worden aangemerkt indien de derde beoogde de verbintenis te voldoen. Hoewel [X] niet beoogde de verbintenis tot betaling van [Z] jegens [Y] te voldoen, kan [X] geen beroep doen op het ontbreken van haar wil ter zake als [Y] een verklaring of gedraging van [X] zo heeft opgevat dat zij die verbintenis heeft willen voldoen en als [Y] dit in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs ook zo mocht opvatten.


5.3.

De hiervoor gemelde verklaring of gedraging van [X] is gelegen in de litigieuze betaling. Dat de betreffende betaling heeft kunnen plaatsvinden is in zoverre te wijten aan de handelwijze van [A] dat hij onbekende derden de mogelijkheid heeft verschaft om te beschikken over de bankrekening van [X] , waarna die derden op oneigenlijke gronden daarvan gebruik hebben gemaakt. Dienaangaande overweegt de rechtbank nog als volgt. Deelnemers aan het girale betalingsverkeer moeten vertrouwen kunnen hebben in de juistheid en rechtsgeldigheid van betalingen die ten gunste van hen worden verricht, een en ander behoudens aanwijzingen van het tegendeel, zoals wetenschap van een fout, een vergissing of fraude (Rechtbank Amsterdam 11 juli 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BX2298). De enkele omstandigheid dat een betaling door een derde wordt gedaan is geen aanwijzing voor een onregelmatigheid van een betaling. Betaling van een schuld door een derde is immers niet uitzonderlijk (Gerechtshof Amsterdam 25 november 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:4905). Uit de door [X] en [Y] overgelegde transactieoverzichten (productie 1 bij dagvaarding en productie 3 bij de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring tevens houdende conclusie van antwoord in de hoofdzaak) blijkt dat het overgeschreven bedrag overeenkomt met de voor de auto overeengekomen (verkoop)prijs. Tevens blijkt uit deze overzichten dat bij de omschrijving het met de auto corresponderende model, alsook het kentekennummer is vermeld.


5.4.

Voor beantwoording van de vraag of [Y] nader onderzoek had moeten doen naar de (herkomst van de) betaling en zij niet zonder meer daaruit mocht afleiden dat [X] de verbintenis van [Z] jegens [Y] heeft willen voldoen, zijn alle omstandigheden van het geval van belang, waarbij ook gewicht moet worden toegekend aan de eisen van het rechtsverkeer. [Z] heeft [Y] (in de persoon van [C] ) vóór de koop medegedeeld dat zij de auto van haar vader cadeau zou krijgen. In dat verband rijst de vraag of, hoewel [Z] te kennen heeft gegeven dat zij de auto niet zelf zou betalen, ontvangst van de betaling van [X] aansloot op het verhaal van [Z] . Daarbij kan ook een rol spelen of [C] na ontvangst van de betaling bij [Z] navraag heeft gedaan naar de herkomst van de betaling. [Y] stelt dat [C] deze navraag heeft gedaan, hetgeen door [X] wordt betwist.


5.5.

Zoals hiervoor aangegeven zijn alle omstandigheden van het geval van belang voor beantwoording van de vraag of [Y] de betaling van [X] mocht opvatten als een verklaring dat [X] de verbintenis van [Z] jegens [Y] wilde voldoen. Alvorens hierover te beslissen heeft de rechtbank behoefte aan nadere informatie.

De rechtbank zal daarom een comparitie van partijen gelasten ter verkrijging van inlichtingen. Die inlichtingen betreffen onder meer de feitelijke gang van zaken ten tijde van de (ver)koop van de auto en hetgeen tussen [C] en [Z] is besproken ten aanzien van de (ver)koop van de auto en de betaling. Tevens wenst de rechtbank nader te worden ingelicht over het tijdsverloop van de (ver)koop, waarbij ook aan de orde zal komen de door [Y] bij conclusie van dupliek ingenomen stelling dat bedoeld tijdsverloop niet ongewoon is. Ook zal de meest recente stand van zaken met betrekking tot de auto aan bod komen. In dat verband zal ook de door [Y] bij conclusie van dupliek onder randnummer 13 uitgesproken bereidheid om het geschil te beperken – tot het verschil tussen de huidige waarde en de ontvangen koopsom – worden besproken. De comparitie zal eveneens worden benut om te bezien of partijen tot een schikking kunnen komen. Om voor de hand liggende redenen zal de rechtbank naast de aanwezigheid van partijen tevens de aanwezigheid van [C] bij de comparitie gelasten.


5.6.

De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan.


in de vrijwaringszaak

5.7.

Omdat de hoofdzaak niet in staat van wijzen is, zal de rechtbank de beslissing in de vrijwaringszaak aanhouden.


5.8.

Om proceseconomische redenen acht de rechtbank de aanwezigheid van [Z] bij de in de hoofdzaak gelaste comparitie noodzakelijk. De rechtbank zal derhalve tevens de aanwezigheid van [Z] bij deze comparitie gelasten. De rechtbank wenst door [Z] nader te worden ingelicht over onder meer de feitelijke gang van zaken ten tijde van de (ver)koop van de auto en hetgeen tussen [C] en [Z] is besproken ten aanzien van de (ver)koop van de auto en de betaling. Ook zal de meest recente stand van zaken met betrekking tot de auto aan bod komen. De comparitie zal eveneens worden benut om te bezien of partijen – in de hoofd- en/of vrijwaringszaak – tot een schikking kunnen komen.

6. De beslissing

De rechtbank


in de hoofdzaak


6.1.

beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. T.R. Hidma in het gerechtsgebouw te Zwolle aan Schuurmanstraat 2 op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,


6.2.

bepaalt dat de heer [A] en mevrouw [B] als vennoten van [X] dan in persoon aanwezig moeten zijn en dat [Y] dan vertegenwoordigd moet zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,


6.3.

bepaalt dat tevens aanwezig moet zijn in persoon de heer [C] , werknemer van [Y] ,


6.4.

wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij ter comparitie de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten,


6.5.

bepaalt dat de zaak weer op de rol van zal komen van woensdag 6 mei 2015 voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden mei tot en met augustus 2015, waarna dag en uur van de comparitie zullen worden bepaald,


6.6.

bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de comparitie zelfstandig zal bepalen,


6.7.

bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de comparitie dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,


6.8.

wijst partijen er op, dat voor de zitting twee uur zal worden uitgetrokken,


6.9.

houdt iedere verdere beslissing aan,


in de vrijwaringszaak

6.10.

bepaalt dat [Z] in persoon aanwezig moet zijn bij de comparitie van partijen in de hoofdzaak voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. T.R. Hidma in het gerechtsgebouw te Zwolle aan Schuurmanstraat 2 op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,


6.11.

wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij ter comparitie de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten,


6.12.

bepaalt dat de zaak weer op de rol van zal komen van woensdag 6 mei 2015 voor het opgeven van de verhinderdagen van [Z] en haar advocaat in de maanden mei tot en met augustus 2015, waarna dag en uur van de comparitie zullen worden bepaald,


6.13.

bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de comparitie zelfstandig zal bepalen,


6.14.

bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de comparitie dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,


6.15.

wijst erop, dat voor de zitting twee uur zal worden uitgetrokken,


6.16.

houdt de beslissing in deze vrijwaringszaak aan.


Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Hidma en in het openbaar uitgesproken door mr. M.H.S. Lebens-de Mug op 22 april 2015.