Rechtbank Overijssel, 17-09-2015 / 4336260 \ EJ VERZ 15-179


ECLI:NL:RBOVE:2015:5973

Inhoudsindicatie
Ontbinding arbeidsovereenkomst. Beoordeling toekenning billijke vergoeding bij ontbinding.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-09-17
Publicatiedatum
2017-05-11
Zaaknummer
4336260 \ EJ VERZ 15-179
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • AR 2017/2450
  • AR-Updates.nl 2017-0589
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo


Zaaknummer : 4336260 \ EJ VERZ 15-179


Beschikking van de kantonrechter van 17 september 2015


in de zaak van


de maatschap [A],gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,

verzoekende partij, verder te noemen [A] ,

gemachtigde: mr. A.M. Wuisman


tegen


[B] ,wonende te [woonplaats] ,

verwerende partij, verder te noemen [B] ,

gemachtigde: mr. A. Gerards



1De procedure

1.1.

[A] heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. [B] heeft een verweerschrift ingediend.


1.2.

Op 10 september 2015 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.


2De feiten

2.1.

[B] , geboren [geboortedatum] , is op 15 juni 2000 in dienst getreden bij [A] . De laatste functie die [B] vervulde, is die van Dierenartsassistente, met een salaris van

€ 1876,72 bruto per maand exclusief vakantiegeld, overwerkloon, overwerktoeslag en overige emolumenten, op basis van een 35-urige werkweek.


3Het verzoek

3.1.

[A] verzoekt ingevolge artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW) de arbeidsovereenkomst met [B] te ontbinden op grond van artikel 7:669 lid 3, onderdeel g BW.


3.2.

Aan dit verzoek legt [A] ten grondslag dat sprake is van – kort gezegd – een verstoorde arbeidsverhouding die zodanig is dat van [A] redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

4. Het verweer

4.1.

[B] heeft het bestaan van de verstoorde arbeidsverhouding erkend. Andere passende functies zijn niet voorhanden. [B] maakt naast de wettelijke transitievergoeding van € 11.818,00, aanspraak op een extra ontslagvergoeding vanwege verwijten die de werkgever in deze te maken zijn, tot een totaal vergoeding ter grootte van de voorheen toe te kennen kantonrechtersformule met factor C=2, een bedrag van € 30.402,86. Het gaat in het bijzonder om de houding van [A] in de re-integratieperiode 2009-2012. [B] kreeg van het UWV tot augustus 2012 de tijd om te re-integreren en onder druk van [A] werkte zij al weer fulltime vanaf april 2012. [B] heeft in dit verband gewezen op de rapporten van de medisch maatschappelijk medewerker [C] .


5De beoordeling

5.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. In geval van ontbinding moet ook worden beoordeeld of aan de werknemer een billijke vergoeding dient te worden toegekend.


5.2.

De kantonrechter heeft zich ervan vergewist dat het onderhavige verzoek geen verband houdt met omstandigheden waarop de opzegverboden betrekking hebben.

De kantonrechter stelt vervolgens voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. Bij regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015 (Stcrt. 2015/12685) zijn daarvoor nadere regels gesteld (Ontslagregeling).


5.3.

Partijen voeren aan dat de redelijke grond voor ontbinding is gelegen in een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Naar het oordeel van de kantonrechter blijkt uit de door partijen in dat verband naar voren gebrachte feiten en omstandigheden, over en weer onderbouwd met producties, waar onder verklaringen van (ex-)collega’s, voldoende dat sprake is van een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding, zijnde een redelijke grond voor ontbinding als bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel g, BW.


5.4.

De kantonrechter is verder van oordeel dat er geen reden is om te oordelen dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn nog mogelijk is.


5.5.

De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van [A] zal toewijzen en dat de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 7:671b lid 8, onderdeel a, BW zal worden ontbonden met ingang van 1 december 2015. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure.


5.6.

De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan [B] een billijke vergoeding toe te kennen; slechts de transitievergoeding, waarover partijen het eens zijn, zal worden opgenomen in de beslissing. Gelet op artikel 7:671b lid 8, onderdeel c, BW is voor toekenning van een billijke vergoeding alleen plaats indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat of als een werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren (zie: Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34). Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor. [B] heeft niet gesteld dat sprake is van ernstige verwijten aan het adres van [A] en het concrete verwijt dat zij [A] maakt ten aanzien van het re-integratietraject 2009-2012 is, indien [A] ter zake al een verwijt kan worden gemaakt gelet op de rapporten van de medisch maatschappelijk werker (waaruit onder meer blijkt dat [B] weer fulltime kon werken), van onvoldoende gewicht.


5.7.

Nu aan de ontbinding geen vergoeding wordt verbonden, hoeft de werkgever geen gelegenheid te krijgen het verzoek in te trekken.


5.8.

Gelet op de uitkomst van de zaak, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.


6De beslissing

De kantonrechter:


6.1.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 december 2015;


6.2.

veroordeelt [A] om aan [B] te betalen een transitievergoeding van

€ 11.818,00 bruto.


6.3.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;


6.4.

wijst af het meer of anders verzochte.





Deze beschikking is gegeven door mr. G. van Eerden, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2015.