Rechtbank Overijssel, 10-02-2015 / 08/770057-14


ECLI:NL:RBOVE:2015:678

Inhoudsindicatie
De rechtbank Overijssel veroordeelt een 34-jarige vrouw uit Enschede tot een gevangenisstraf van 240 dagen, waarvan 239 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met bijzondere voorwaarden. Zij maakte zich in een periode tussen 2001 en 2003 met haar vriend schuldig aan het plegen van ontuchtige handelingen met hun minderjarige buurmeisje in Enschede en Giethoorn. De vrouw is sterk verminderd toerekeningsvatbaar. Verder moet de vrouw een schadevergoeding betalen van 1.500 euro.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-02-10
Publicatiedatum
2015-02-10
Zaaknummer
08/770057-14
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht


Zittingsplaats Almelo


Parketnummer: 08/770057-14

Datum vonnis: 10 februari 2015


Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:


[verdachte],

geboren op [geboortedatum 1] 1980 in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats].



1Het onderzoek op de terechtzitting


Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 27 januari 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.Y. Huang en van hetgeen door de verdachte en haar raadsman mr. J. Keupink, advocaat te Hengelo, naar voren is gebracht.


2De tenlastelegging


De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]) de minderjarige [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) heeft gevingerd en gebeft en

feit 2: samen met medeverdachte [medeverdachte] ontucht heeft gepleegd met de minderjarige [slachtoffer].


Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:


1.


zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 maart 2001

tot en met 28 januari 2003 te Enschede, in de gemeente Enschede en/of te

Giethoorn, in de gemeente Steenwijkerland, tezamen en in vereniging met een

ander, althans alleen, met [slachtoffer] (geboren

[geboortedatum 2] 1987), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien

jaren had bereikt, buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handeling(en)

heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel

binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte en/of zijn

mededader:

- één of meermalen (één of meerdere) vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer]

geduwd en/of gebracht en/of

- één of meermalen aan/tussen de schaamlippen en/of de vagina van die

[slachtoffer] gelikt;

2.


zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 maart 2001

tot en met 28 januari 2003 te Enschede, in de gemeente Enschede en/of te

Giethoorn, in de gemeente Steenwijkerland, tezamen en in vereniging met een

ander, althans alleen, met [slachtoffer] (geboren

[geboortedatum 2] 1987), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt,

buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd,

hebben verdachte en/of zijn mededader één of meermalen:

—de ontblote borst(en) van die [slachtoffer] betast en/of gekust en/of

—de schaamstreek van die [slachtoffer] betast, gestreeld en/of bevoeld en/of

—die [slachtoffer] getongzoend en/of

—de penis van verdachtes mededader doen vastpakken en/of vasthouden,

althans doen aanraken.


3De vordering van de officier van justitie


De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden waarvan 7 maanden voorwaardelijk met aftrek van de tijd die verdachte in preventieve hechtenis heeft doorgebracht en met een proeftijd van 2 jaar met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht en een ambulante behandeling bij Trajectum of een soortgelijke instelling.

De officier van justitie heeft voorts geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met wettelijke rente en heeft oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.


4De voorvragen


De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.


5De beoordeling van het bewijs


Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Twente met als dossiernummer PL05KP 2014013816 van 17 juni 2014. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.


5.1

Standpunten van de officier van justitie en van de verdediging


Standpunt van de officier van justitie


De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.


Standpunt van de raadsman


De raadsman heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van de beide feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.


5.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank


De rechtbank is evenals de officier van justitie van oordeel dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.


De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens haar geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:


1. het proces-verbaal aangifte van aangeefster [slachtoffer] van 20 februari 2014, blz. 56 t/m 62;


2. de processen-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] van 23 april 2014, blz. 82 t/m 89 en 90 t/m 97, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin Sv;


3. een ander geschrift, te weten een tijdlijn, opgemaakt door [verbalisant], brigadier van politie Regiopolitie Twente, in verband met de inhoud van de processen-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte], voor zover inhoudende GBA gegevens over de in- en uitschrijving van verdachte [verdachte] en [medeverdachte] op het adres [adres 2] te Enschede.


5.2

De conclusie


De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


1.


zij in de periode van 1 maart 2001 tot en met 28 januari 2003 te Enschede, in de gemeente Enschede en te Giethoorn, in de gemeente Steenwijkerland, tezamen en in vereniging met een ander, met [slachtoffer] (geboren [geboortedatum 2] 1987), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel

binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte en haar

mededader:

- meermalen (een) vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en

- aan/tussen de schaamlippen en/of de vagina van die [slachtoffer] gelikt;

2.


zij in de periode van 1 maart 2001 tot en met 28 januari 2003 te Enschede, in de gemeente Enschede en te Giethoorn, in de gemeente Steenwijkerland, tezamen en in vereniging met een ander, met [slachtoffer] (geboren 3 april 1987), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, hebbende verdachte en haar mededader:

- de ontblote borsten van die [slachtoffer] betast en

- de schaamstreek van die [slachtoffer] betast en

- die [slachtoffer] getongzoend.


De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in haar verdediging geschaad.


De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.


6De strafbaarheid van het bewezenverklaarde


Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 245 juncto 47 en 247 juncto 47 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:


feit 1

het misdrijf: medeplegen van met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam;


feit 2

het misdrijf: medeplegen van met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen.


7De strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft ontslag van alle rechtsvervolging bepleit wegens psychische overmacht bij verdachte. Uit wat verdachte heeft verklaard over haar relatie met medeverdachte [medeverdachte] en het psychologisch rapport dat over verdachte is opgemaakt blijkt dat in de jarenlange relatie met [medeverdachte], verdachte al die tijd door [medeverdachte] is onderdrukt en dat bij verdachte sprake is van een afhankelijke en zwakbegaafde persoonlijkheid. Er was dan ook sprake van een van buiten komende drang waaraan verdachte geen weerstand kon bieden.


De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Van psychische overmacht is sprake bij een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kan en ook niet behoeft te bieden.

Uit de stukken en uit het verhandelde ter terechtzitting is echter onvoldoende gebleken van feiten of omstandigheden die nopen tot de conclusie dat op het moment van het plegen van de feiten sprake was van een zodanige van buiten komende drang, dat van verdachte redelijkerwijs niet gevergd kon worden dat zij daaraan weerstand kon bieden. Niet gebleken is van een situatie waarbij verdachte destijds niet in staat was om maatregelen te nemen om een einde te maken aan het (mede door haar) misbruiken van [slachtoffer]. De rechtbank heeft hierbij ook acht geslagen op de omstandigheid dat het misbruik meermalen, gedurende een langere periode, heeft plaatsgevonden, en verdachte gedurende deze langere periode op geen enkele wijze hulp heeft gezocht om een einde te maken aan de situatie waarin zij – naar eigen zeggen – door haar partner werd betrokken. Het beroep op psychische overmacht wordt verworpen.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.


8De op te leggen straf of maatregel


8.1

De gronden voor een straf of maatregel


Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met de minderjarige [slachtoffer]. Deze ontuchtige handelingen bestonden ook uit het seksueel binnendringen van [slachtoffer]. Door aldus te handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer]. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat de strafbare feiten een grote impact op haar hebben gehad en dat zij daar nog dagelijks de negatieve gevolgen van ondervindt in de vorm van gevoelens van angst en onzekerheid. De rechtbank rekent dit verdachte aan.


Als matigende omstandigheid houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest. Ook houdt de rechtbank in dit verband rekening met de omstandigheid dat verdachte niet degene was die het initiatief nam bij het plegen van de seksuele handelingen met het slachtoffer en voorts dat zij uiteindelijk zelf naar de politie is gegaan om melding te maken van misbruik dat destijds heeft plaatsgevonden en aldus haar verantwoordelijkheid heeft genomen en spijt heeft betuigd.

Verder zal de rechtbank bij de strafoplegging rekening houden met het over verdachte uitgebrachte psychologische rapport, opgesteld door de deskundige M. Kemink, d.d. 25 november 2014 en het reclasseringsrapport, opgesteld door B.C. Bast, reclasseringsmedewerker d.d. 25 november 2014.

Uit het psychologische rapport blijkt dat verdachte een zwakbegaafde vrouw is met een atypisch autistische stoornis (PDD-NOS). Van deze zwakbegaafdheid en atypische ontwikkelingsstoornis was ook sprake ten tijde van de tenlastegelegde feiten. De afgelopen jaren ontstonden er cognitieve disfuncties als gevolg van de MS, welke in 2007 werd gediagnostiseerd. Voorts blijkt uit het rapport, dat verdachte in sterke mate afhankelijk is van omgevingsinvloeden en daarmee in expliciete zin van haar partner. Verdachte heeft zeer weinig eigenheid, autonomie en innerlijke koers waarin zij haar leven en gedrag bepaalt. Verdachte is naïef en is niet in staat problemen op te lossen. Door angst en gebrek aan oplossingsvermogen was betrokkene nauwelijks in staat om de situatie anders op de lossen dan zij gedaan heeft. Verdachte is volgens de deskundige aan te rekenen dat zij ondanks de wetenschap dat het fout was wat er gebeurde met het slachtoffer, niet over haar schaamtegevoel en angst is gestapt om het misbruik te melden. Verdachte heeft het tenlastegelegde niet kenbaar gemaakt aan belangrijke anderen die hadden kunnen ingrijpen. De deskundige adviseert verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren. De rechtbank is van mening dat het rapport van de deskundige zorgvuldig tot stand is gekomen en stelt op grond daarvan vast dat verdachte de bewezenverklaarde feiten slechts in sterk verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Voor wat betreft de kans op herhaling merkt de deskundige op, dat een grote kwetsbaarheid gelegen is in een eventuele nieuwe relatie, waarbij verdachte opnieuw in angst verstrikt kan raken en tot handelingen kan komen die ze uit zichzelf niet wil en die ze uit zichzelf niet zou uitvoeren. Om die reden wordt geadviseerd een voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een assertiviteitstraining en een reclasseringscontact.


Uit het reclasseringsrapport blijkt dat het recidiverisico bij verdachte als laag/gemiddeld wordt ingeschat, gelet op de huidige situatie waarin verdachte zich bevindt. Verdachte heeft een stabiele relatie met een nieuwe partner. Er is sprake van een contra-indicatie voor een werkstraf vanwege de fysieke beperkingen van verdachte, zijnde MS. De reclassering adviseert verdachte een voorwaardelijke vrijheidsstraf op te leggen en een verplicht reclasseringstoezicht, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een ambulante behandelverplichting bij Trajectum of De Tender.


De rechtbank is, mede gelet op de rapportages van de psycholoog en de reclassering, van oordeel dat het van groot belang is dat verdachte wordt behandeld. De rechtbank zal het advies van de reclassering volgen en verdachte veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank zal verdachte ook veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zij het van zeer korte duur.


Alles afwegende acht de rechtbank het passend en geboden dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen, waarvan 239 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.


9De schade van benadeelden


9.1

De vordering van de benadeelde partij


[slachtoffer], wonende te [adres 1], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 1.500,- (vijftienhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit de volgende posten:

- immateriële schade van € 1.500,-.


Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.


Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering tot vergoeding van immateriële schade ontvankelijk en is de vordering gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door de bewezenverklaarde feiten rechtstreeks immateriële schade heeft toegebracht aan de benadeelde. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat het bewezenverklaarde feit een sterk negatieve invloed kan hebben op het (psychisch) welbevinden van een slachtoffer. De opgevoerde schadepost is tegen die achtergrond voldoende onderbouwd en aannemelijk. Omdat de exacte schade niet, of moeilijk in een vast bedrag te vertalen is, zal de rechtbank gebruik maken van haar bevoegdheid de omvang van de schade te schatten. De rechtbank acht in dit geval een bedrag van € 1.500,-- redelijk en billijk en zal de vordering toewijzen tot dat bedrag. De wettelijke rente acht de rechtbank toewijsbaar vanaf het einde van de pleegperiode, te weten 28 januari 2003. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis. Voor deze schade zijn verdachte en zijn medeverdachte hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat indien en voor zover de mededader heeft betaald, verdachte zal zijn bevrijd.


9.2

De schadevergoedingsmaatregel


De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door feit 1 en 2 is toegebracht.


10De toegepaste wettelijke voorschriften


De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 27 en 57 Sr.

11De beslissing


De rechtbank:


vrijspraak/bewezenverklaring

  • - verklaart bewezen, dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
  • - verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt haar daarvan vrij;

strafbaarheid

  • - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
  • - verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:feit 1: het misdrijf: medeplegen van met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam;

feit 2: het misdrijf: medeplegen van met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen.;

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezenverklaarde;


straf

  • - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van tweehonderdveertig (240) dagen, waarvan tweehonderdnegenendertig (239) dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;
  • - bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:- omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;- omdat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of omdat de veroordeelde geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden;

- omdat de veroordeelde geen medewerking aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr heeft verleend, medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- omdat de veroordeelde tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

  • - stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland;
  • - stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Trajectum of een soortgelijke instelling en op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die veroordeelde in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer)directeur van die instelling zullen worden gegeven;
  • - draagt deze reclasseringsinstelling op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
  • - bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
schadevergoeding
  • - bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer], wonende te [adres 1] ontvankelijk is in haar vordering;
  • - veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 1.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 januari 2003, voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;
  • - veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
  • - legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde onder 1 en 2 tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.500,- ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 25 dagen zal worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan);
  • - bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
  • - veroordeelt de verdachte tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt voor rechtsbijstand met betrekking tot deze vordering. De rechtbank begroot die kosten op nihil.


Dit vonnis is gewezen door mr. C.C.S. Koppes, voorzitter, mr. F.H.W. Teekman en mr. E.J.M. Bos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Akfidan-Turan, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2015.