Rechtbank Overijssel, 11-02-2015 / 166593/ KGRK 17/15


ECLI:NL:RBOVE:2015:730

Inhoudsindicatie
Rechtbank wijst verzoek tot wraking af.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-02-11
Publicatiedatum
2015-02-12
Zaaknummer
166593/ KGRK 17/15
Rechtsgebied
Civiel recht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

beslissing

RECHTBANK OVERIJSSEL

Wrakingskamer

Zittingsplaats Almelo


zaaknummer / rekestnummer: 166593/ KGRK 17/15



Beslissing van 11 februari 2015


op een verzoek van:


de besloten vennootschap Bear Optima Wood B.V. ,

gevestigd te Nijverdal (gemeente Hellendoorn),

verzoekster tot wraking,

verder ook te noemen: Bear,

advocaat: mr. J.H. van den Sigtenhorst,

kantoorhoudende te Zutphen.



1De procedure

1.1.

Op 12 januari 2015 heeft Bear het verzoek tot wraking gedaan van mr. A.J. Louter, rechter in deze rechtbank en in die hoedanigheid belast met de behandeling van de zaken die zijn geregistreerd onder C/08/157937 / HA ZA 14-322 en C/08/157069 HA RK 14-87 (WS), tussen Bear en Global Wood Import B.V., hierna ook te noemen: Global.


1.2.

Mr. Louter heeft niet berust in de wraking en heeft op 28 januari 2015 schriftelijk gereageerd op het wrakingsverzoek.


1.3.

Het wrakingsverzoek van Bear is op dinsdag 3 februari 2015 in het openbaar behandeld. Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:

 [naam 1], directeur bij Bear, bijgestaan door haar raadsman mr. Van den Sigtenhorst.


1.4

Mr. Louter heeft laten weten niet te zullen verschijnen.



2De feiten

2.1.

Mr. Louter heeft in zijn hoedanigheid van rechter onder zaaknummers:

C/08/157937 / HA ZA 14-322 en C/08/157069 HA RK 14-87 (WS) op 24 december 2014, na een gehouden comparitie van partijen tevens mondelinge behandeling van het verzoek tot het gelasten van een voorlopig deskundigenonderzoek, een tussenvonnis gewezen en heeft daarbij onder meer een deskundigenonderzoek gelast, met benoeming van de heer [naam 2], projectleider hout in de bouw, Innovatie Centrum Bouw, TNO, als deskundige.





3Het wrakingsverzoek

3.1.

Bear heeft -samengevat- het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd.

Mr. Louter heeft bij gelegenheid van de comparitie van partijen aan de raadsman van Bear toegezegd dat de raadsman nog in de gelegenheid gesteld zou worden nadere vragen te formuleren voor de te benoemen deskundige en dat de rechtbank zich voordien een oordeel zou vormen over het al dan niet van toepassing zijn van de algemene voorwaarden van Bear. Indien de rechtbank zou oordelen dat die voorwaarden van toepassing zijn, is een deskundigenonderzoek niet meer nodig.

Van de toezeggingen van mr. Louter is blijkens het na de comparitie van partijen gewezen vonnis in het geheel niets terecht gekomen. Niet alleen blijkt uit het vonnis dat Bear in het geheel geen ruimte heeft gekregen voor het formuleren van nadere vragen aan een eventueel te benoemen deskundige, doch ook dat aan de principiële discussie of het verzoek tot het houden van een voorlopig deskundigenonderzoek zou moeten worden toegewezen, volledig voorbij wordt gegaan. Bear stelt dat mr. Louter zijn fout erkent door haar in ieder geval nog de gelegenheid te geven nadere vragen te formuleren voor de benoemde deskundige. Dit neemt evenwel slechts een deel van het bezwaar weg nu het bezwaar zich primair richt tegen de benoeming van een deskundige als zodanig. Kort gezegd kan Bear zich niet aan de indruk onttrekken dat mr. Louter in deze vooringenomen is. Bear wordt, in vergelijking tot de andere procesdeelnemer, door haar geen gelegenheid te bieden tot het indienen van een verweerschrift en het stellen van vragen aan de deskundige, geen gelijkwaardige gelegenheid gegeven om aan de behandeling van de zaak deel te nemen.



4Het standpunt van mr. Louter

4.1.

Mr. Louter verweert zich tegen de wraking en voert daartoe het navolgende aan. In deze kwestie is sprake van twee zaken, die gelijktijdig op dezelfde zitting zijn behandeld.

Er is een dagvaardingsprocedure aanhangig gemaakt door mr. Van den Sigtenhorst namens Bear, en er is een verzoekschrift tot het gelasten van een voorlopig deskundigenonderzoek ingediend door de wederpartij Global. In het tussenvonnis in de dagvaardingsprocedure waarbij de comparitie van partijen wordt gelast, staat vermeld dat beide zaken gelijktijdig op de comparitie zullen worden behandeld. Mr. Van den Sigtenhorst was hiervan op de hoogte en had daartegen geen bezwaar. Indien mr. Van den Sigtenhorst een verweerschrift had willen indienen tegen het verzoekschrift, dan had hij dat vóór de comparitie kunnen doen. Tijdens de comparitie is door Global voorgesteld om een deskundige van TNO te benoemen, met verwijzing naar de in het verzoekschrift verwoorde vraagpunten. Mr. Van den Sigtenhorst heeft zich noch tegen de benoeming noch tegen de vraagstelling verweerd, zodat het verzoek van Global is gehonoreerd. Desalniettemin is mr. Van den Sigtenhorst nadien alsnog de gelegenheid gegeven om vragen te formuleren aan de deskundige. In zoverre is aan zijn bezwaren tegemoetgekomen.

Mr. Louter kan zich niet herinneren of hij ter zitting heeft verklaard dat hij, voorafgaand aan de vraag of een deskundige moet worden benoemd, eerst een oordeel zou geven over de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden. Mr. Louter kan zich evenmin herinneren dat mr. Van den Sigtenhorst nog de gelegenheid zou krijgen een verweerschrift in te dienen. Mr. Van Sigtenhorst heeft alle gelegenheid gehad tot de aanvang van de mondelinge behandeling een verweerschrift in te dienen.


5De beoordeling

5.1.

Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. De vrees dat dit het geval zal zijn, dient objectief gerechtvaardigd te zijn. Dat betekent dat sprake moet zijn van concrete feiten en omstandigheden waaruit objectief de vrees voor partijdigheid van de rechter kan worden afgeleid. Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien - geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak - de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn.


5.2.

De eerste klacht van Bear is gericht tegen de beslissing van mr. Louter om een deskundigenonderzoek te gelasten ter beantwoording van de in het vonnis van 24 december 2014 opgenomen vraagpunten en de benoeming van [naam 2] tot deskundige. In dat kader voert mr. Van den Sigtenhorst namens Bear aan dat door mr. Louter tijdens de comparitie van partijen is toegezegd dat hij eerst een beslissing zou nemen over de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden. Mr. Louter kan zich deze toezegging niet herinneren. Feit is dat in het proces-verbaal van comparitie van partijen, dat mede is ondertekend door zowel [naam 1], namens Bear, en mr. Van den Sigtenhorst, niets is opgenomen met betrekking tot de beweerde toezegging. Wel blijkt uit het proces-verbaal dat door mr. Van den Sigtenhorst is aangegeven dat het houden van een voorlopig deskundigenonderzoek hem prematuur voorkomt.

Voor de wrakingskamer is de inhoud van het proces-verbaal leidend. Van de zijde van mr. Van den Sigtenhorst is geen enkele opmerking in het proces-verbaal opgenomen dat eerst een beslissing omtrent de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden zou worden genomen. Een en ander zou in de gegeven omstandigheden wel voor de hand hebben gelegen. Wat daarvan ook zij, de juistheid van de beslissing om een deskundigenonderzoek te gelasten kan op zichzelf niet door middel van een wrakingsverzoek aan de orde worden gesteld.


5.3.

De tweede klacht van Bear is gericht tegen het feit zij in vergelijking tot de andere procesdeelnemer, geen gelijkwaardige gelegenheid heeft gekregen om aan de behandeling van de zaak deel te nemen. Meer concreet stelt mr. Van den Sigtenhorst dat mr. Louter, nadat bij tussenvonnis zou zijn beslist dat de algemene voorwaarden al dan niet van toepassing zijn, heeft toegezegd dat a) Bear een termijn zou worden gegund voor het indienen van een verweerschrift en b) Bear de gelegenheid zou worden geboden voor het stellen van vragen aan de deskundige.

Ook van de hiervoor opgenomen toezegging blijkt niets uit het proces-verbaal. Vast staat dat mr. Van den Sigtenhorst op de hoogte was van het feit dat het verzoekschrift tot voorlopig deskundigenonderzoek gelijktijdig zou worden behandeld met de comparitie na antwoord in de tussen partijen aanhangige dagvaardingsprocedure en dat hij zich hiertegen niet heeft verzet. Van het verzoekschrift, ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 28 mei 2014, heeft mr. Van den Sigtenhorst medio juni 2014 reeds kennis kunnen nemen. Naar het oordeel van de wrakingskamer heeft Mr. van den Sigtenhorst voldoende gelegenheid gehad een verweerschrift in te dienen. Daarbij komt dat mr. Van den Sigtenhorst door mr. Louter alsnog de gelegenheid is geboden vragen te formuleren. Afgezien daarvan kan het enkele feit dat mr. Van den Sigtenhorst van mening is dat Bear door mr. Louter onvoldoende de gelegenheid is geboden haar visie op het ingediende verzoekschrift tot het instellen van een voorlopig deskundigenonderzoek te geven en niet in het tussenvonnis een voorlopige beslissing is gegeven over de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden, niet door middel van een wrakingsverzoek aan de orde worden gesteld.

5.4

Namens Bear zijn voor het overige geen concrete feiten en omstandigheden gesteld en aangevoerd waaruit volgt dat mr. Louter bij het geven van de beslissing van 24 december 2014 vooringenomen was tegen Bear of objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor bestond. Uit het enkele feit dat mr. Louter in het nadeel van Bear heeft beslist kan de wrakingskamer dat niet afleiden. Daarom moet het verzoek worden afgewezen.



6De beslissing

De wrakingskamer:


wijst het verzoek tot wraking af.



Deze beslissing is gegeven door de mrs. Van Eerden, Verdoold en De Haan in tegenwoordigheid van de griffier en in openbaar uitgesproken op 11 februari 2015.



de griffier de voorzitter








Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.