Rechtbank Overijssel, 05-02-2015 / 07/910083-10


ECLI:NL:RBOVE:2015:732

Inhoudsindicatie
De rechtbank Overijssel veroordeelt een man en vrouw uit Zwolle tot een voorwaardelijke celstraf van 3 maanden, met een proeftijd van 2 jaar en een werkstraf van 240 uur wegens uitkeringsfraude. Hij heeft zich samen met zijn echtgenote jarenlang schuldig gemaakt aan uitkeringsfraude door te werken in de bloemenzaak van hun zoon, terwijl zij bijstandsuitkering ontvingen,
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-02-05
Publicatiedatum
2015-02-12
Zaaknummer
07/910083-10
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Strafrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht


Zittingsplaats Zwolle


Parketnummer: 07/910083-10

Datum vonnis: 5 februari 2015


Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:


[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats] (Sovjetunie),

wonende te [woonplaats].


1Het onderzoek op de terechtzitting


Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 22 januari 2015. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.E. Postma en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman

mr. E. Schriemer, advocaat te Zwolle, naar voren is gebracht.


2De tenlastelegging


Aan verdachte wordt ten laste gelegd:


hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 januari 2008 tot en met 26 november 2013 in de gemeente Zwolle, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten de inlichtingenverplichting op grond van artikel 17 van de Wet werk en bijstand, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte en/of zijn mededader wist/wisten, althans redelijkerwijze moest/moesten vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op

een verstrekking of tegemoetkoming, te weten zijn verdachtes recht en/of het recht van [medeverdachte] op een uitkering krachtens de Wet werk en bijstand, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader (telkens) aan de gemeente Zwolle niet

opgegeven/gemeld:

-in de periode 1 januari 2008 t/m 26 november 2013 vermogen en/of grote

geldbedragen en/of

-in de periode van 1 januari 2008 t/m 26 november 2013 werkzaamheden met

betrekking tot de handel in bloemen (import- (uit Zuid-Amerika) en export

(naar Armenië) en/of

- in de periode 15 januari 2009 t/m 4 augustus 2013 werkzaamheden in- en/of

beheren van de bloemenzaak [bedrijf 1] en/of

-in de periode van 1 november 2009 t/m 26 november 2013 werkzaamheden in-

en/of beheren van [bedrijf 2].


3De voorvragen


De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.


4De beoordeling van het bewijs


Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of het tenlastegelegde feit bewezenverklaard kan worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte het feit heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.


4.1

Het standpunten van de officier van justitie.


De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het aan verdachte ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. Zij heeft daartoe aangevoerd dat uit het dossier voldoende blijkt dat verdachte samen met zijn echtgenote (medeverdachte) werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van handel in bloemen, de bloemenzaak [bedrijf 1] en de beautysalon [bedrijf 2]. Deze gegevens en de daarbij behorende inkomsten hebben verdachte en zijn medeverdachte niet verstrekt aan de gemeente Zwolle terwijl zij daar uit hoofde van de Wet werk en bijstand wel toe verplicht waren. Verdachte heeft hierdoor samen met zijn echtgenote in de periode van 1 januari 2008 tot en met 26 november 2013 ten onrechte ongeveer € 100.000,- aan uitkering ontvangen.


4.2

Het standpunt van de verdediging


De raadsman heeft aangevoerd dat in onderlinge samenhang bezien geen overtuigend bewijs voorhanden is voor het verrichten van werkzaamheden die door verdachte en zijn medeverdachte hadden moeten worden opgegeven. Er is immers geen op geld waardeerbare arbeid verricht en dat is voor de inlichtingenplicht het criterium, aldus de raadsman. Uit de observaties en de getuigenverklaringen blijkt niet dat verdachte en/of zijn medeverdachte werkzaamheden heeft/hebben verricht die hij dan wel zij had(den) moeten opgeven. Evenmin blijken uit de bankgegevens niet van activiteiten die zouden zijn verricht voor de bloemenzaak en de [bedrijf 2]. Voorts is er geen overtuigend bewijs dat verdachte werkzaamheden heeft verricht voor handel in bloemen. Met betrekking tot het hebben van vermogen voert de raadsman aan dat niet is gebleken dat verdachte dan wel zijn medeverdachte grote geldbedragen op hun rekeningen hebben gehad.

Verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat er geen sprake is geweest van (voorwaardelijk) opzet. Er is geen sprake geweest van werk en op geld waardeerbare arbeid, maar hooguit van vriendendienst voor zijn kinderen.




4.3

De bewijsoverwegingen van de rechtbank


Verdachte heeft samen met zijn echtgenote in de periode van 1 januari 2008 tot en met 26 november 2013 een bijstandsuitkering ontvangen van de gemeente Zwolle. Hiervoor hebben zij maandelijks, op grond van artikel 17 van de Wet werk en bijstand, formulieren moeten invullen waarop zij verplicht mededeling moesten doen van al datgene wat van belang kan zijn voor de verlening van de uitkering of de voortzetting hiervan. Verdachte en zijn echtgenote hebben deze formulieren telkens ingevuld met de mededeling dat er geen wijzigingen hadden plaatsgevonden. Ter zitting is door verdachte verklaard dat soms hij en soms zijn echtgenote het formulier invulde en dat zij telkens beiden het formulier hebben ondertekend.


Op 5 oktober 2009 is bij de Kamer van Koophandel de onderneming [bedrijf 1], op de [adres 2] te Zwolle ingeschreven op naam van de toen 18-jarige zoon van verdachten, [zoon]. Op 1 november 2009 is de vestiging “[bedrijf 2], op het adres [adres 1] te Zwolle, ingeschreven onder rechtstreeks beheer van de hoofdvestiging [bedrijf 1]. Per 28-09-2011 is de dochter van verdachte, [dochter] als eigenaresse hiervan ingeschreven.

Na een melding van een werkconsulent hebben er gedurende meerdere periodes observaties plaatsgevonden waarbij zowel verdachte als zijn echtgenote met regelmaat bij deze ondernemingen zijn gezien (verdachte op 11 van de 56 dagen en zijn echtgenote op 35 van de 56 dagen). Verdachte zijn echtgenote is meermalen gezien terwijl zij werkzaamheden verrichtte in de bloemenzaak. Dat de medeverdachte werkzaamheden verrichtte in de bloemenzaak wordt bevestigd door de getuigen [getuige 1] en [getuige 2], terwijl uit de verklaring van [getuige 3] en [getuige 1] blijkt dat de verdachte betrokken was bij de inkoop van bloemen voor deze bloemenzaak. De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat verdachte en zijn echtgenote beide werkzaamheden in of voor de bloemenzaak hebben verricht. Uit de frequentie van die werkzaamheden en de observaties leidt de rechtbank af dat verdachte en zijn echtgenote op de hoogte waren van elkaars werkzaamheden voor diezelfde bloemenzaak. Deze werkzaamheden zijn telkens niet doorgegeven aan de uitkeringsinstantie. Nu de formulieren telkens door verdachte en zijn echtgenote zijn ondertekend, is er sprake van medeplegen.


Uit de verklaringen van [getuige 3], [naam 1] en [naam 2] concludeert de rechtbank dat de verdachte bloemen importeerde uit Ecuador en weer exporteerde naar Armenië, hetgeen wordt gestaafd door de door verdachte verrichte transacties van aanzienlijke geldbedragen naar Ecuador. Ook hier concludeert de rechtbank dat zijn echtgenote hiervan op de hoogte was, gelet op de frequentie van de reizen richting Schiphol ten behoeve van deze bloemenhandel zoals uit die getuigenverklaringen blijkt en de omvang van de daarmee gepaard gaande bedragen, zoals die door verdachte zijn overgemaakt. Nu ook deze werkzaamheden niet aan de uitkeringsinstantie zijn doorgegeven en de formulieren telkens door verdachte en zijn echtgenote zijn ondertekend, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van medeplegen.


Reeds omdat de door verdachte en zijn mededader ten behoeve van de bloemenzaak en de bloemenhandel uitgevoerde activiteiten gezien haar aard en omvang arbeidsuren betreffen is de rechtbank, anders dan de raadsman, van oordeel dat de door verdachte en zijn mededader uitgevoerde werkzaamheden op geld waardeerbaar is, zodat het verweer van de raadsman strekkende tot vrijspraak wordt verworpen.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander in de periode van 1 januari 2008 tot en met 26 november 2013 opzettelijk heeft nagelaten tijdig inlichtingen – die van belang waren voor de hoogte van de uitkering – te verstrekken waartoe zij op grond van artikel 17 van de Wet werk en bijstand wel verplicht waren. Niet bewezen kan worden dat verdachte en/of zijn medeverdachte werkzaamheden heeft/hebben verricht voor de [bedrijf 2].


4.4

De conclusie


De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij in de periode 1 januari 2008 tot en met 26 november 2013 in de gemeente Zwolle, tezamen en in vereniging met een ander, meermalen, in strijd met een hem bij wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten de inlichtingenverplichting op grond van artikel 17 van de Wet werk en bijstand, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte en zijn mededader wisten dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking, te weten zijn recht en het recht van [medeverdachte] op een uitkering krachtens de Wet werk en bijstand, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking, immers hebben, verdachte en zijn mededader telkens aan de gemeente Zwolle niet opgegeven:

-in de periode 1 januari 2008 t/m 26 november 2013 grote

geldbedragen en

-in de periode van 1 januari 2008 t/m 26 november 2013 werkzaamheden met

betrekking tot de handel in bloemen (import- uit Zuid-Amerika en export

naar Armenië) en

- in de periode 15 januari 2009 t/m 4 augustus 2013 werkzaamheden in- en/of

beheren van de bloemenzaak [bedrijf 1].


De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.


5De strafbaarheid van het bewezenverklaarde


Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 227b Sr juncto 47 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:


feit 1

het misdrijf: medeplegen van in strijd met een haar bij wettelijk voorschrift opgelegde verplichting opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl dat kan strekken tot bevoordeling van zichzelf, en terwijl zij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van haar recht op een verstrekking, meermalen gepleegd.


6De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.


7De op te leggen straf of maatregel


7.1

Het standpunt van de officier van justitie


De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. Zij heeft ter motivering van haar strafeis aangevoerd dat verdachte en zijn mededader met het plegen van het onderhavige feit de staat en ook de samenleving hebben benadeeld, zulks gedurende een lange periode en voor een aanzienlijk bedrag.


7.2

Het standpunt van de verdediging


De raadsman heeft primair vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit. Subsidiair is aangevoerd bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Hij moet een bedrag van € 170.000,- aan de gemeente Zwolle betalen. Bij verdachte is sprake van lichamelijke klachten.


7.3

De gronden voor een straf of maatregel


Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.


Verdachte heeft zich samen met zijn echtgenote jarenlang schuldig gemaakt aan uitkeringsfraude. Hij heeft het vertrouwen dat de overheid moet kunnen stellen in haar burgers beschaamd. De rechtbank rekent hem dat aan.

Verder heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Deze geven bij een benadelingsbedrag van tussen de € 70.000,-- en € 125.000,-- een gevangenisstraf aan van 5 tot 9 maanden dan wel een taakstraf met een voorwaardelijke gevangenisstraf.


De rechtbank heeft voorts in het voordeel van verdachte rekening gehouden met het feit dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit met justitie in aanraking is geweest.


Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf van 240 uren met een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden passend en geboden is.





8De toegepaste wettelijke voorschriften


De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 Sr.



9De beslissing


De rechtbank:


vrijspraak/bewezenverklaring

  • - verklaart bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
  • - verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
  • - verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:medeplegen van in strijd met een haar bij wettelijk voorschrift opgelegde verplichting opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl dat kan strekken tot bevoordeling van zichzelf, en terwijl zij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van haar recht op een verstrekking, meermalen gepleegd;
  • - verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

  • - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;
  • - bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter de tenuitvoerlegging gelast:- omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • - veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 240 uren;
  • - beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. Koster, voorzitter, mr. S.M.M. Bordenga en

mr. S.M. Milani, rechters, in tegenwoordigheid van W. van Goor, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2015.



Bijlage bewijsmiddelen


Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.


Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de unit Regionale Sociale Recherche Zwolle met nummer 200900540. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.


1.

Een geschrift zijnde een beschikking Algemene bijstandswet (Abw) d.d. 9 september 1996, kenmerk: 40873/GS, waarin onder meer staat vermeld:

“Geachte [verdachte en medeverdachte],

Naar aanleiding van uw aanvraag heb ik besloten u met ingang van 23 augustus 1996 uitkering toe te kennen. U wordt voor de uitvoering van de Algemene bijstandswet aangemerkt als echtpaar. Op grond hiervan hebt u recht op een rijksnorm van 100% van het minimumloon (= netto f 1.953,61 per maand. Op de uitkering worden alle inkomsten volledig in mindering gebracht. Aan uw uitkering zijn de volgende verplichtingen verbonden. U bent verplicht direct alles te melden wat van invloed kan zijn op uw uitkering. Als dit mogelijk is moet u daarvan bewijsstukken overleggen. (…) Tot deze verplichtingen worden gerekend dat u:

- wijzigingen in uw persoonlijke-, gezins-, of financiële situatie doorgeeft;

(...)”.


2.

Geschriften, telkens zijnde inkomstenformulieren abw, gemeente Zwolle, telkens ondertekend door verdachte en haar echtnoot, met betrekking tot de periode 1-8-2008 tot en met 3-8-2013. Op de vragen “3. Zijn er inkomsten of is er een wijziging ten aanzien van een werkgever?” “6. Zijn er over de voorgaande uitkeringsperiodes gelden/inkomsten ontvangen, die nog niet eerder zijn opgegeven?” is telkens NEE aangekruist. Op ieder formulier staat voorts telkens:

“Ondergetekende(n) verklaart (verklaren) de hiervoor gevraagde gegevens naar waarheid te hebben verstrekt en kennis te hebben genomen van de aan de achterzijde vermelde informatie. Bovendien zijn geen omstandigheden, werkzaamheden of inkomsten verzwegen, waardoor in het geheel geen of minder uitkering zou zijn verstrekt, wanneer de afdeling Sociale Zaken daarvan op de hoogte zou zijn geweest.”


3.

De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 22 januari 2015, inhoudende:(…) Mijn echtgenote en ik hebben samen de formulieren van de gemeente Zwolle, afdeling Sociale Zaken, ingevuld en ondertekend. We hebben het samen gelezen, de kruisjes gezet en het ondertekend. Of mijn vrouw of ik zette het kruisje. (…).


4.

Een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 28 juni 2011, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisant:

(…) Ten aanzien van [verdachte] werden 5 transacties als verdacht doorgemeld. Deze transacties betroffen eveneens Money Transfers.

Op 01-10-2008 stelde hij middels een Money Transfer een bedrag van 2.192 Euro ter beschikking aan een persoon genaamd [naam 3] in Ecuador.

Op 14-10-2008 stelde hij middels een Money Transfer een bedrag van 2.262 Euro ter beschikking aan een persoon genaamd [naam 3] in Ecuador.

Op 10-11-2008 stelde hij middels een Money Transfer een bedrag van 2.403 Euro ter beschikking aan een persoon genaamd [naam 3] in Ecuador. (…)

Op 25-02-2009 stelde hij middels een Money Transfer een bedrag van 4.500 Euro ter beschikking aan een persoon genaamd [naam 3] in Ecuador. (…)

Op 21-12-2009 stelde hij middels een Money Transfer een bedrag van 3.000 Euro ter beschikking aan een persoon genaamd [naam 4] in Ecuador. (…)

In totaal werd door [verdachte] in de periode van 01-10-2008 tot en met

21-12-2009 een bedrag van 14.357 Euro getransfereerd naar Ecuador. (…)


5.

Een proces-verbaal van verhoor getuige, opgemaakt op 11 december 2013, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, de verklaring van [naam 5]:

(…) Ik ben werkzaam als directeur van [bedrijf 3] BV gevestigd te Aalsmeer. (…) Ik herken de man op de foto als zijnde een Armeense man die ik kan onder de naam [verdachte]. Ik heb zaken met hem gedaan. Dat wil zeggen dat hij bemiddelde voor mij met een Armeens bedrijf waarvoor hij de bestelling van bloemen plaatste. (…) Hij betaalde ook wel voor dit Armeense bedrijf. [verdachte] heeft mij wel eens contant betaald en soms gingen de betalingen via de bank. (…) Ik weet dat [verdachte] de inkoop van de bloemen voor de zaak van zijn zoon deed. (…) Ik heb, denk ik, ongeveer twee jaar zaken met [verdachte] gedaan. Sinds ongeveer een jaar doe ik geen zaken meer met [verdachte]. Ik denk dat de laatste keer in maart 2013 was. [verdachte] kwam ongeveer één keer in de twee weken bij mij. (…) Ik hoorde van de boekhoudster dat er vanaf 2008 tot en met 2013 handel gedreven is via [verdachte] met het Armeense bedrijf. Ik hoorde dat dit totaal voor een bedrag van

€ 544.612,60 is geweest. In 2013 is er via de bank betaald een bedrag van € 74.350,50. In 2012 is er via de bank € 135.262,-- betaald en € 28.000,-- is er contant afgerekend. In 2011 is er via de bank € 116.740,77 afgerekend en € 40.000,-- contant. In 2010 is er alleen contant afgerekend. Dat was een bedrag van € 100.567,99. Ook in 2009 is er alleen contant afgerekend door [verdachte] en dat is een bedrag van € 29.781,11 geweest. In 2008 is er door [verdachte] een bedrag van € 19.910,23 contant afgerekend. Totaal is er dus

€ 326.353,27 via de bank afgerekend en € 218.259,33 contant. (…) U vraagt mij of ik ook iets weet over het importeren van bloemen uit Zuid-Amerika. Ja, ik weet dat [verdachte] rozen importeerde uit Ecuador. Ik weet dat deze rozen weer geëxporteerd werden naar Armenië. (…)


6.

Een proces-verbaal van verhoor getuige, opgemaakt op 7 januari 2014, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, de verklaring van [naam 6]:

(…) U vraagt mij of [verdachte] altijd alleen kwam. Af en toe kwam de zoon van [verdachte] mee, maar meestal kwam hij alleen. Ik noemde [verdachte] altijd [verdachte]. (…) Ik denk dat ik een jaar of twee jaar zaken heb gedaan met [verdachte]. (…) Ik weet dat [verdachte] bloemen importeerde uit Ecuador. Deze bloemen gingen dan samen met de bloemen van [bedrijf 3] naar Armenië, dat laatste was onze taak. (…) [verdachte] kwam wekelijks naar Schiphol om de import en export van zijn bloemen te regelen. [verdachte] betaalde altijd contant en vooraf. (…) Gemiddeld denk ik dat [verdachte] voor € 3.000,- per maand betaalde voor het vervoer van de bloemen. (…)


7.

Een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 24 januari 2011, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, het relaas van verbalisant:

Naar aanleiding van een strafrechtelijk onderzoek naar de verdachten [verdachte] en [medeverdachte] werden met toestemming van de officier van justitie mr. L. van Kooten, voornoemde verdachten stelselmatig geobserveerd gedurende de periode 18-10-2010 tot en met 16-01-2011 onder bevelnummers: 07/910083-10 en 07/910084-10. (…)

Observatielijst. Periode: 18 oktober 2010 tot en met 16 januari 2011.

Dag Datum Tijd Observatie

Dinsdag 19-10-10 08.55

Zag ik de groene VW Caddy met het opschrift “[bedrijf 1]” en vvk [kenteken 1] de parkeerplaats achter o.a. de [adres 2] te Zwolle op kwam rijden. Ik zag dat er vier personen uitstapten die ik herkende als de familie [familienaam], te weten de moeder, verdachte [medeverdachte] en haar zoon en haar twee dochters. Ik zag dat zij gezamenlijk richting de Diezerkade liepen. Ik zag dat de dochter linksaf sloegen en richting Thomas à Kempisstraat liepen en dat moeder en zoon richting de “[bedrijf 1]” liepen, gevestigd op de [adres 2] te Zwolle. Ik zag dat de zoon, [zoon], de zaak opende en dat de zoon en verdachte [medeverdachte] de verkoopwaar op de straat plaatsten. Ik zag dat verdachte [medeverdachte] een lange bruine jas droeg en dat haar haarkleur rossig/kastanjebruin en halflang was.

(…)

Maandag 25-10-10 17.48 Ik zag dat verdachte [medeverdachte] een aantal keren

vanuit de bloemenzaak de straat opliep en richting de VW Caddy keek.

17.52

Ik zag enkele personen voor de winkel staan. Ik herkende verdachte [medeverdachte] en verdachte [verdachte] en de zoon [zoon] en ik zag dat men met elkaar stond te praten.

17.54

Ik zag dat verdachte [verdachte] wegliep naar de

groene VW Caddy vvk [kenteken 1]. Ik zag dat hij instapte en draaide en vervolgens op de rotonde linksaf sloeg en de Thomas à Kempisstraat opreed.

17.55-

18.05

Zag ik dat verdachte [medeverdachte] samen met haar zoon

[zoon] de verkoopwaar naar binnen bracht in de bloemenzaak op de [adres 2] te Zwolle. (…)

18.05

Zag ik dat verdachte [medeverdachte] alleen wegliep richting

de Thomas a Kempisstraat en ik zag haar kort daarna om 18.07 de ‘hair en beautysalon’ gevestigd op de [adres 1] te Zwolle binnenlopen.

(…)

Dinsdag 26-10-10 17.43 Zag ik dat verdachte [verdachte] de bloemenzaak op de

[adres 2] te Zwolle binnenliep, ik zag dat hij aan kwam lopen uit de richting van het Diezerplein.

17.46

Zag ik dat verdachte [verdachte] de bloemenzaak weer uit kwam lopen en dat hij zijn weg vervolgde richting Thomas a Kempisstraat. (…)

17.58

Zag ik verdachte [verdachte] weer de bloemenzaak

uitkomen (Ik had hem niet terug zien komen, omdat het zicht werd beperkt door een geparkeerde auto). Zag ik dat de verdachte [verdachte] samen met zijn zoon de laatste verkoopwaar binnenbracht.

(…)

18.02

Zag ik dat verdachte [verdachte] als bestuurder in de

grijze Nissan Primera vvk [kenteken 2] stapte en dat een dochter van hem als passagier instapte en dat hij vervolgens wegreed richting Diezerplein.

(…)

Woensdag 27-10-10 08.48-

09.07 (…)

Ik zag dat verdachte [medeverdachte] ondertussen de verkoopwaar buiten zette, ik zag dat zij geen jas droeg maar een bruine rok en een gilet droeg. (…)

(…)

14.45

Zag ik bij de bloemenzaak “[bedrijf 1]” gevestigd op de [adres 2] te Zwolle, de zoon([zoon]) en een dochter van [verdachte] achter de toonbank staan en ik zag dat de verdachte [verdachte] voor de toonbank stond.

(…)

Dinsdag 2-11-10 (…)

08.49

Zag ik dat verdachte [medeverdachte] als bijrijdster uitstapte uit de groene VW Caddy vvk [kenteken 1] die stilstond aan de voorzijde van de bloemenzaak en dat zij naar de bloemenzaak “[bedrijf 1]” gevestigd op de [adres 2] te Zwolle. Ik zag dat verdachte [medeverdachte] met een sleutel de voordeur van de bloemenzaak opende en dat zij weer terugliep naar de auto. (…) Ik zag dat verdachte [medeverdachte] alleen begon met het naar buiten brengen van de verkoopwaar. (…)

(…)

Woensdag 10-11-10 16.28 Zag ik dat verdachte [verdachte] de bloemenzaak uitliep

en enige tijd heen en weer liep voor de zaak. Ik zag vervolgens dat zijn zoon, [zoon], ook naar buiten kwam en dat zij even praten. Ik zag dat verdachte [verdachte] een plant oppakte en weer terug zette en dat hij enige tijd stond te telefoneren.

(…)

16.50

Zag ik dat verdachte [medeverdachte] aan kwam lopen uit de

richting van het Diezerplein en met een telefoon aan haar oor naar binnen liep.

(…)

Vrijdag 26-11-10 09.00 Zag ik in de “Hair en Beautysalon” gevestigd op de

[adres 1] te Zwolle, verdachte [medeverdachte] gebukt bij een stoel, terwijl zij iets aan het wegvegen was en een dochter van verdachte [medeverdachte].

(…)

Vrijdag 3-12-10 08.52 Ik zag dat in een parkeervak nabij de winkel van

“[bedrijf 1]” gevestigd [adres 2] te Zwolle, een grijze Nissan Primera, kenteken [kenteken 2] stopte en dat er drie personen uit die auto stappen. Het betreft een oudere vrouw die ik van foto’s herken als verdachte [medeverdachte], en twee jonge vrouwen. (…) Ik zag dat verdachte [medeverdachte] naar de toegangsdeur van de winkel liep en deze opende.

(…)

08.56

Ik zag dat verdachte [medeverdachte] uit de grijze Nissan Primera, kenteken [kenteken 2], stapte en naar de “Hair en Beautysalon” gevestigd op de [adres 1] te Zwolle liep en daar de deur opende. Ik zag dat zij als eerste naar binnen ging.

(…)

09.10

Ik zag dat verdachte [medeverdachte] in de “Hair en

Beautysalon” (…) de vloer stond te vegen.

(…)


Een proces-verbaal, opgemaakt op 28 maart 2014, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, het relaas van verbalisant [verbalisant]:(…)

Bevindingen tijdens observaties

Tijdens de observaties werd kort samengevat het volgende gezien:

(…)

  • - Van de 56 dagen dat er geobserveerd werd bij de bloemenzaak [bedrijf 1], gevestigd op de [adres 2] te Zwolle, werd op 35 dagen verdachte [medeverdachte] bij de bloemenzaak gezien;
  • - Verdachte [verdachte] (…) werd van de 56 dagen dat er werd geobserveerd 11 maal gezien, 9 keer in de omgeving van de bloemenzaak [bedrijf 1], gevestigd op de [adres 2] te Zwolle (…)

(…)


8.

Een proces-verbaal van verhoor getuige, opgemaakt op 27 maart 2013, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, de verklaring van [naam 7]:

(…) U vraagt mij of ik gewerkt heb ik de [bedrijf 2] te Zwolle, gevestigd op de [adres 1] en in welke periode dat is geweest. Als u zegt dat dat van juni 2010 tot eind november 2010 is geweest, dan zou dat wel kunnen kloppen. (…) U vraagt mij wie de [bedrijf 2] ’s morgens opende en wie de zaak ’s avonds sloot. Dat gebeurde door [naam 8] of [dochter], de ouders kwamen wel in de zaak. Vader kwam vaker. Moeder was vaker bezig in de bloemenzaak. (…)


9.

Een proces-verbaal van verhoor getuige, opgemaakt op 3 april 2013, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, de verklaring van [getuige 1]:

(…) U vraagt mij wie de leiding had in de bloemenzaak [bedrijf 1]. Ze deden het met zijn allen.(…) De vader van [dochter] haalde/kocht bloemen op de veiling. De moeder was altijd aanwezig in de zaak. Met haar maakte ik de bloemen schoon en zij hielp mij overal mee. (…) Ik kreeg van de hele familie wel opdrachten. (…) Ik kreeg ook vaak opdrachten van de moeder. De moeder zag ik elke dag in de zaak. Soms opende de moeder, maar meestal deed [dochter] dat en was haar moeder bij haar. Op maandag en donderdag ging de vader vaak naar de bloemenveiling in Aalsmeer. (…) Op andere dagen ging hij ook wel eens heen. Meestal ging hij drie dagen in de week. (…)


10.

Een proces-verbaal van verhoor getuige, opgemaakt op 8 april 2013, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, de verklaring van [getuige 2]:

(…) Ik heb bij de zaak ( [bedrijf 2] te Zwolle) vanaf 1 februari 2011 tot en met mei 2012. Vanaf oktober 2010 had ik af en toe een dag gewerkt en een opleiding gedaan. (…) [zoon] en hun moeder werkten in de bloemenzaak. Die moeder was er ook veel, ik denk dat ze er wel dagelijks kwam. (…)


11.

Een proces-verbaal van verhoor getuige, opgemaakt op 12 september 2013, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, de verklaring van [getuige 3]:

(…) Ik ben werkzaam bij [bedrijf 4] te Apeldoorn, wij zijn een soort tussenhandel voor bloemisten. Ik weet dat de eigenaar van de bloemenzaak [bedrijf 1] een Armeense man was. (…) Ik herken de man op de pasfoto als de vader van die zoon en de eigenaar van de bloemenwinkel. (…) Ik zie nu dat ze in november 2009 voor het eerst zijn geweest. Ze kwamen één of twee keer in de wek. Ze kochten altijd voor een bedrag tussen de € 80,- en

€ 100,- aan bloemen. (…) Ik weet niet beter dan dat de bloemen altijd contant betaald werden. (…)


12.

Een proces-verbaal van verhoor getuige, opgemaakt op 24 september 2013, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, de verklaring van [naam 1]:

(…) U vraagt mij naar [bedrijf 1]. (…) Ik heb zojuist in de computer gezien dat ze in september 2010 voor het eerst kwamen en in juli 2013 voor het laatst. (…) U heeft mij enkele foto’s getoond. (opmerking verbalisanten aan getuige [naam 1] werden de pasfoto’s van verdachte [verdachte] en verdachte [medeverdachte] (…) getoond) Ik herken de pasfoto van de vader. (…) Meestal kwam de vader, ik denk dat acht van de tien keer de vader kwam en de andere keren de zoon. (…) Ik heb van de vader gehoord dat hij ook bloemen importeerde uit Ecuador of Colombia en dat hij ook weer bloemen exporteerde naar Armenië. De vader heeft mij ook wel eens een partij bloemen aangeboden omdat er iets mis was gegaan bij een zending. (…)


13.

Een proces-verbaal van verhoor getuige, opgemaakt op 2 oktober 2013, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, de verklaring van [naam 2]:

(…) Ik kan u zeggen dat sinds 2009 beide panden verhuur aan [zoon]. (…) Tijdens de opening van de [bedrijf 2] medio juni 2012 heb ik gesproken met de vader van [zoon]. Ik heb hem toen gevraagd wat hij voor werk deed. Ik hoorde dat die vader toen zei dat dat niet de plek was om dat uit te leggen en dat hij wel een keer langs zou komen om dat te vertellen. Ongeveer anderhalve maand later kwam die vader bij me langs en ik hoorde dat hij me vertelde dat hij bloemen uit Ecuador importeerde, ik hoorde dat hij daarom twee keer per week naar Schiphol ging. Ik hoorde van die vader dat hij deze bloemen deels of geheel ook weer exporteerde naar Rusland. (…)Ik hoorde van die man dat hij fatsoenlijk de kost kon verdienen met die bloemen. (…)



1 Pagina 12, 13 ordner proces-verbaal.
2 Pagina 38 tot en met 75 ordner proces-verbaal.
3 Verklaring ter terechtzitting d.d. 22 januari 2015.
4 Pagina 248, 249 ordner proces-verbaal.
5 Pagina 256, 257 ordner proces-verbaal.
6 Pagina 6 tot en met 26, ordner observaties.
7 Pagina 11, order proces-verbaal.
8 Pagina 129 order proces-verbaal.
9 Pagina 131 ordner proces-verbaal.
10 Pagina 135 ordner proces-verbaal.
11 Pagina 160 ordner proces-verbaal.
12 Pagina 174, ordner proces-verbaal.
13 Pagina 186, ordner proces-verbaal.