Rechtbank Overijssel, 18-02-2015 / Awb 13/2388


ECLI:NL:RBOVE:2015:876

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de vestiging van een rustpunt in Jonen berust niet op een deugdelijke motivering; beroep gegrond en opdracht aan verweerder een nieuw besluit te nemen.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-02-18
Publicatiedatum
2015-02-19
Zaaknummer
Awb 13/2388
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht


Zittingsplaats Zwolle


Registratienummer: Awb 13/2388


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen



[eiseres],

wonende te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: J. Westerbeek, Westerbeek Milieu, Advies & Management te Giethoorn,


en


het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland,

verweerder.


Derde belanghebbenden:

[belanghebbende 1], wonende te [woonplaats],

[belanghebbende 2] en [belanghebbende 3], wonende te [woonplaats],

[belanghebbende 4] en [belanghebbende 5], wonende te [woonplaats], en

[belanghebbende 6] en [belanghebbende 7], wonende te [woonplaats].



13/2388

Procesverloop

Bij besluit van 5 september 2012 heeft verweerder aan eiseres, naar aanleiding van haar aanvraag van 30 december 2011, een omgevingsvergunning ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verleend voor de activiteit “gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan” (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo), ten behoeve van het vestigen van een rustpunt en het geven van 24 workshops per jaar met maximaal 6 personen per workshop in het atelier “[atelier]” aan de [adres] te Giethoorn.


Tegen dit besluit hebben derde belanghebbenden beroep ingesteld bij de toenmalige rechtbank Oost-Nederland. Deze rechtbank heeft bij uitspraak van 26 februari 2013, zaaknummers 12/2156, 12/2157, 12/2158, 12/2160 en 12/2162, de beroepen gegrond verklaard, de omgevingsvergunning van 5 september 2012 vernietigd en verweerder gelast om opnieuw op de aanvraag te beslissen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.


Bij brief van 23 mei 2013 heeft eiseres verzocht haar aanvraag te wijzigen in die zin dat uitsluitend nog een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor de vestiging van een rustpunt.


Bij besluit van 27 augustus 2013, verzonden op 10 september 2013, heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd.


Tegen dat besluit heeft eiseres beroep ingesteld.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het beroep is ter zitting van 4 februari 2014 behandeld. Eiseres is verschenen bij gemachtigde J. Westerbeek. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] medewerker van de gemeente Steenwijkerland. Derde belanghebbenden [belanghebbende 4], [belanghebbende 5], [belanghebbende 2], [belanghebbende 3], [belanghebbende 1], [naam 2], [naam 3], [belanghebbende 6] en [belanghebbende 7] zijn in persoon verschenen.


Het onderzoek is op de zitting van 4 februari 2014 gesloten. De rechtbank was echter nader van oordeel dat het onderzoek in deze zaak niet volledig was geweest en heeft daarom het onderzoek heropend en bepaald dat nadere vragen zullen worden gesteld aan verweerder.


De rechtbank heeft bij brief van 19 februari 2014 nadere vragen gesteld aan verweerder.


Verweerder heeft die vragen beantwoord bij schrijven van 18 maart 2014.


Eiseres heeft desgevraagd bij brief van 29 april 2014 een reactie gegeven op het schrijven van verweerder van 18 maart 2014.


Op 13 juni 2014 heeft de rechtbank de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak in Den Haag (hierna te noemen: de StAB) als deskundige benoemd en haar verzocht advies uit te brengen over de door de rechtbank gestelde vragen.


De StAB heeft op 8 oktober 2014 advies uitgebracht. Partijen, derde belanghebbenden bij brief van 6 november 2014, verweerder bij brief van 7 november 2014 en eiseres bij brief van 5 januari 2015, hebben op dit advies gereageerd.


Belanghebbende [naam 2] heeft bij brief van 11 december 2014 aan de rechtbank meegedeeld dat hij is verhuisd en daarom geen belanghebbende meer is in deze zaak.


Het beroep is op 16 januari 2015 opnieuw ter zitting behandeld. Daarbij is eiseres verschenen bij haar gemachtigde J. Westerbeek voornoemd, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door [naam 1]. Derde belanghebbenden [belanghebbende 5], [belanghebbende 6] en [belanghebbende 7] zijn verschenen.



Overwegingen


In geschil is de vraag of verweerder bij het bestreden besluit in redelijkheid heeft kunnen besluiten de door eiseres gevraagde omgevingsvergunning voor een rustpunt op het perceel [adres] te Giethoorn te weigeren.


Gelet op het bepaalde in artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing op de aanvraag van eiseres voor een omgevingsvergunning.


Uit het bepaalde in artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb volgt dat in het geval een besluit is voorbereid met afdeling 3.4 van de Awb, de bezwaarprocedure niet van toepassing is. Tegen het bestreden besluit is daarom terecht rechtstreeks beroep ingesteld bij de rechtbank.


Het perceel [adres] te Giethoorn is gelegen in Jonen, een kleine buurtschap van tien woningen nabij het natuurgebied de Wieden dat is aangewezen als beschermd dorpsgezicht. Derde belanghebbenden [belanghebbende 6] en [belanghebbende 7] wonen in Jonen. Derde belanghebben-den [belanghebbende 4] en [belanghebbende 5], [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3], en [belanghebbende 1] zijn eigenaren van woningen in Jonen, waar zij regelmatig tijdelijk verblijven. Zij kunnen daarom allen als belanghebbenden bij de geweigerde omgevingsvergunning worden aangemerkt.


Tot medio 2007 was op het perceel [adres] theeschenkerij “Bij Mariet” gevestigd. Hoewel deze theeschenkerij niet in overeenstemming was met het bestemmingsplan en hiervoor geen vergunning of vrijstelling was verleend, is hiertegen destijds niet handhavend opgetreden door verweerder. Nadat de exploitatie van de theeschenkerij in 2007 was beëindigd, heeft eiseres zich als bewoner aan de [adres] gevestigd en is daar een (zorg)atelier begonnen met de naam “[atelier]”, waar stoffen producten worden gemaakt uit gerecyclede materialen. In het atelier zijn gedurende een aantal dagen per week enkele mensen met een beperking werkzaam.

Bij besluit van 8 oktober 2008 heeft verweerder ontheffing van belemmerende bepalingen van het bestemmingsplan verleend ten behoeve van de verkoop van producten uit gerecyclede materialen op dit perceel. Op het perceel is vervolgens een winkel geopend waar deze producten worden verkocht.


Eiseres is van plan om aan de [adres] een rustpunt te vestigen voor vijf dagen per week in de periode van 1 april tot 1 november. Er zal een voorziening gecreëerd worden waar koffie, thee en frisdrank worden aangeboden aan fietsers en wandelaars, die tevens gebruik kunnen maken van de sanitaire voorzieningen op het perceel. Er vindt geen bediening plaats. Het is de bedoeling dat de gebruikers van de voorziening hiervoor een vergoeding geven.


Verweerder heeft de gevraagde omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden en gebouwen in afwijking van het bestemmingsplan in eerste instantie verleend, waarbij is overwogen dat de activiteit die eiseres wil uitvoeren niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, het project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing,

de ontwikkeling een kleinschalig, aan de woning ondergeschikt, karakter heeft en vanuit recreatief oogpunt gewenst is. Tegen die omgevingsvergunning hebben derde belanghebbenden beroep ingesteld.


De voormalige rechtbank Oost-Nederland (thans: rechtbank Overijssel) heeft bij uitspraak van 26 februari 2013, ECLI:NL:RBONE:2013:BZ2414, de omgevingsvergunning vernietigd omdat geen sprake was van een goede ruimtelijke onderbouwing en het besluit niet deugdelijk was gemotiveerd. Daarbij heeft de rechtbank in hoofdlijnen overwogen dat verweerder er bij het verlenen van de omgevingsvergunning ten onrechte van was uitgegaan dat het rustpunt samen met de workshops konden worden gezien als een kleinschalige nevenactiviteit binnen de woonbestemming nu op het perceel al diverse activiteiten zijn ontplooid in de vorm van een zorgatelier met winkel. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder voorts onvoldoende afgewogen wat het effect is van de cumulatie van allerlei niet aan de woonbestemming gerelateerde activiteiten op het woon- en leefklimaat van de omgeving. Daarbij heeft de rechtbank aangegeven dat de aanvraag en motivering voor de omgevings-vergunning onvoldoende informatie bevatten om de gevolgen voor de omgeving goed te kunnen inschatten. Niet duidelijk is waar het rustpunt precies komt en een deugdelijk akoestisch onderzoek ontbreekt. Voorts is de stallingsruimte voor fietsen naar het oordeel van de rechtbank krap bemeten, mede gelet op de overige activiteiten die op het perceel plaatsvinden.


Met inachtneming van hetgeen de rechtbank in haar uitspraak van 26 februari 2013 heeft overwogen, heeft verweerder de aanvraag van eiseres opnieuw beoordeeld en op grond daarvan besloten de omgevingsvergunning alsnog te weigeren. Uitgangspunt daarbij is geweest het nieuwe bestemmingsplan “Dwarsgracht en Jonen”, dat op 18 juni 2013 is vastgesteld door de gemeenteraad van Steenwijkerland.

Verweerder heeft overwogen dat er gelet op de cumulatie van functies geen sprake is van ondergeschiktheid aan de woonfunctie. In het nieuwe bestemmingsplan is bepaald dat voor alle nevenactiviteiten tezamen niet meer dan 35% van de toegestane bebouwde oppervlakte op het perceel gebruikt mag worden. Aanvullend geldt voor complementaire daghoreca dat de gezamenlijke oppervlakte inclusief terras niet meer dan 100 m² mag bedragen. Hieraan wordt volgens verweerder niet voldaan. Daarbij geldt verder dat er een aanzienlijk gedeelte van het jaar dermate veel activiteiten zijn waarbij het grootste gedeelte van de dagperiode het perceel voor andere activiteiten wordt gebruikt dan de woonfunctie, dat er geen sprake is van ondergeschikte nevenactiviteiten ten opzichte van de woonfunctie. Er zou dan ook afgeweken moeten worden van de woonbestemming. Verweerder acht dit niet wenselijk. De woonfunctie is hier in alle opzichten de primaire functie en dit karakter moet bewaard blijven, aldus verweerder. Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het volgens verweerder niet wenselijk om in een woonomgeving een bedrijfs-, horeca- of gemengde bestemming toe te voegen waarbij hinder voor de omwonenden niet is uit te sluiten.

Verweerder is van mening dat door het afgeven van een omgevingsvergunning ten behoeve van de gevraagde functies, de belangen van derden en de aanwezige natuurwaarden onevenredig zouden worden geschaad. Er is geen sprake van een goede ruimtelijke ordening indien medewerking wordt verleend aan de gevraagde functies. Hiervan is ook geen sprake bij de gewijzigde aanvraag, omdat ook dan meer dan 35% van de toegestane bebouwde oppervlakte op het perceel gebruikt wordt voor nevenactiviteiten en het perceel een aanzienlijk deel van het jaar voor het grootste gedeelte van de dag voor andere functies dan de woonfunctie wordt gebruikt.

De door eiseres tegen het ontwerpbesluit ingediende zienswijze is voor verweerder geen reden geweest de gevraagde omgevingsvergunning niet te weigeren.


Eiseres kan zich niet met verweerders besluit verenigen. Zij heeft daartoe –kort samengevat- aangevoerd dat:

a. de vestiging van het rustpunt niet in strijd is met de goede ruimtelijke ordening en voldoet aan alle criteria van het nieuwe bestemmingsplan die eventueel van toepassing zijn;

b. verweerder het oppervlaktecriterium van 35% voor beroep of bedrijf aan huis en complementaire daghoreca niet goed heeft toegepast;

c. uit het bezoekersonderzoek en het akoestisch onderzoek door Ingenieursbureau Appel blijkt dat van (geluids)overlast geen sprake is;

d. in de aanvraag en de zienswijze op het ontwerpbesluit ruim voldoende is onderbouwd dat de vestiging van het rustpunt niet in strijd is met goede ruimtelijke ordening.

In haar zienswijze van 8 juli 2013 heeft eiseres onder meer aangevoerd dat de verkoop van gemaakte producten een marginale subactiviteit is die plaatsvindt vanuit het zorgatelier. Van een gescheiden winkel in de gangbare betekenis van het woord is geen sprake, aldus eiseres.

Eiseres heeft in haar zienswijze de locatie van het rustpunt aangegeven. Verder heeft zij een inschatting gemaakt van de bezoekersaantallen van het rustpunt. Gelet op het aantal bezoekers per dag acht eiseres het niet noodzakelijk de fietsenstalling aan te passen. Eiseres heeft bij haar zienswijze een akoestisch rapport van juli 2013 overgelegd dat is opgemaakt door Ingenieursbureau Appel. Daaruit blijkt volgens eiseres dat er geen geluidsoverlast wordt veroorzaakt door het zorgatelier afzonderlijk, dan wel in combinatie met het rustpunt.


De rechtbank overweegt als volgt.


Blijkens de stukken heeft eiseres op 23 mei 2013 haar aanvraag gewijzigd in die zin dat er uitsluitend nog een omgevingsvergunning wordt gevraagd voor de vestiging van een rustpunt. Het houden van workshops op het perceel is daarom niet langer aan de orde.


Op het perceel [adres] te Giethoorn is het bestemmingsplan “Jonen” van de voormalige gemeente Brederwiede van toepassing. Weliswaar heeft de gemeenteraad van Steenwijker-land op 18 juni 2013 het nieuwe bestemmingsplan “Dwarsgracht en Jonen” vastgesteld, maar dit bestemmingsplan was ten tijde van het bestreden besluit op 27 augustus 2013 nog niet in werking getreden. Dat laatste is pas gebeurd op 18 september 2013.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het nieuwe bestemmingsplan “Dwarsgracht en Jonen” echter wel gebruikt als referentie- en beoordelingskader voor de besluitvorming over de toelaatbaarheid van het rustpunt.


Blijkens de plankaart behorend bij het bestemmingsplan “Jonen” heeft het perceel [adres] grotendeels de bestemming ‘Woningen’ en voor een kleiner deel de bestemming ‘Tuinen’. Op grond van het bepaalde in artikel 4, lid A, van de voorschriften behorend bij dit bestemmingsplan (hierna: de planregels) zijn gronden waaraan de bestemming ‘Woningen’ is toegekend bestemd voor bewoning alsmede, indien en voor zover op de kaart aangeduid met een gevelbouwgrens voor het behoud en herstel van de cultuurhistorische en/of architectonische waarden; met de daarbij behorende gebouwen, andere bouwwerken, tuinen en erven en met dien verstande, dat de gebouwen mogen worden gebruikt als praktijkruimte mits hierdoor de woonfunctie als overwegende functie van het perceel niet wordt aangetast.


Artikel 12, lid A, van de planregels bepaalt dat het verboden is gronden of opstallen te gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemming.


Het gebruik als rustpunt is in strijd is met de bestemming ‘Woningen’. Een omgevings-vergunning voor het gebruiken van gronden en bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan kon in dit geval alleen met toepassing van het bepaalde in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 3, van de Wabo worden verleend.


In artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 3, van de Wabo is bepaald dat een omgevingsvergunning voor een dergelijke activiteit slechts kan worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.


Hoewel ten tijde van het bestreden besluit nog steeds het bestemmingsplan “Jonen” gold, is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij het nieuwe besluit op de aanvraag van eiseres in redelijkheid het planologisch regime van het op dat moment reeds vastgestelde nieuwe bestemmingsplan “Dwarsgracht en Jonen” als ruimtelijke beoordelingskader heeft kunnen gebruiken.


In dit nieuwe bestemmingsplan “Dwarsgracht en Jonen” is aangegeven dat Jonen een kleine, rustieke woonkern is en zal blijven. Alle gebouwen/percelen van Jonen, waaronder dat van eiseres, hebben in dit plan een woonbestemming gekregen. Binnen deze bestemming is het mogelijk om in afwijking van de gebruiksregels een omgevingsvergunning te verlenen voor diverse nevenactiviteiten, zoals aan huis gebonden bedrijven, detailhandel als ondergeschikte activiteit, complementaire daghoreca, bed & breakfast enz.. Belangrijke voorwaarde daarbij is dat deze activiteiten ondergeschikt blijven aan de hoofdfunctie wonen. Daartoe is in de planregels opgenomen dat de gebruiksoppervlakte van deze nevenactiviteiten maximaal 35% van de toegestane bebouwde oppervlakte aan woningen en bijgebouwen mag bedragen. Hierbij geldt dat binnen een woonbestemming meerdere nevenactiviteiten zijn toegestaan zolang deze tezamen binnen de 35%-norm blijven.


Verweerder heeft deze norm bij de hernieuwde beoordeling van de vergunningaanvraag ook toegepast op de door eiseres gewenste nevenactiviteit bij haar woning. Daarbij is rekening gehouden met de reeds bestaande nevenfuncties zorgatelier en winkel.


De totale oppervlakte die wordt gebruikt voor de nevenactiviteiten zorgatelier en rustpunt is volgens verweerder 94,4 m². Dit is 62,5% van de totale bebouwde oppervlakte van 151 m². Dit betekent dat de norm van 35% ruimschoots wordt overschreden. Daarnaast wordt volgens verweerder niet voldaan aan artikel 17.6.3, aanhef en onder d, van de planregels, waarin is bepaald dat de totale oppervlakte, inclusief terras, die wordt gebruikt voor horeca-activiteiten maximaal 100 m² mag bedragen.


Verweerder is niet bereid om ondanks de overschrijding van de 35%-norm toch een omgevingsvergunning te verlenen vanwege mogelijke ongewenste precedentwerking. Ook ziet verweerder geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan van de gemeentelijke beleidskaders afgeweken zou moeten worden. In het verweerschrift heeft verweerder hierop een nadere toelichting gegeven. Hoewel verweerder niet bestrijdt dat het rustpunt uit recreatief oogpunt een zekere toegevoegde waarde kan hebben voor het toeristisch fietsverkeer dat Jonen passeert, is er volgens verweerder uit toeristisch-recreatief objectief geen absolute noodzaak aantoonbaar waarom juist op deze locatie een rustpunt moet worden gerealiseerd. Verder is verweerder van mening dat op basis van de aanvraag en de daarbij behorende onderbouwing inclusief zienswijze van eiseres niet kan worden verzekerd dat het rustpunt niet zal leiden tot overlast voor omwonenden, met name waar het gaat om het stallen van fietsen. In dat verband acht verweerder van belang dat eiseres zich op het standpunt stelt dat een aanpassing van de fietsenstalling niet noodzakelijk is en niet verder wil gaan dan het uitspreken van de intentie om deze zo nodig aan te passen, dit terwijl tijdens de vorige beroepsprocedure is gebleken dat de fietsenstalling niet altijd is berekend op de bezoekersstroom die het rustpunt en de andere nevenactiviteiten op het perceel genereren.


De rechtbank stelt voorop dat verweerder bij het al dan niet gebruik maken van zijn bevoegdheid om af te wijken van het beleid ten aanzien van het toestaan van neven-activiteiten bij woningen in Jonen een beslissingvrijheid toekomt die door de bestuursrechter slechts marginaal kan worden getoetst.


Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting verschillen partijen van mening over de vraag wat op het perceel [adres] aan toegestane bebouwde oppervlakte aanwezig is, hoeveel daarvan thans wordt gebruikt voor nevenactiviteiten, hoeveel dat zal worden bij vestiging van het rustpunt en of dat gebruik blijft binnen de 35%-norm die in het nieuwe bestemmingsplan “Dwarsgracht en Jonen” wordt gebruikt voor nevenactiviteiten.

Daarnaast zijn partijen het niet eens over de betekenis van het akoestisch onderzoek dat op verzoek van eiseres heeft plaatsgevonden en de juistheid van de berekening van de verwachte bezoekersaantallen die aan dat onderzoek ten grondslag ligt.


De rechtbank heeft het beroep op 4 februari 2014 ter zitting behandeld. Het onderzoek is na de zitting heropend teneinde nadere informatie in te winnen bij verweerder over de genoemde geschilpunten. Aangezien de nadere informatie van verweerder, mede gelet op de reactie van eiseres, niet de gewenste duidelijkheid heeft gegeven, heeft de rechtbank besloten de StAB als deskundige te benoemen.


De rechtbank heeft de StAB verzocht om over de volgende vragen advies uit te brengen:

hoeveel m² bedraagt de bebouwde oppervlakte op het perceel [adres]?

hoeveel m² van die bebouwde oppervlakte wordt thans gebruikt voor nevenactiviteiten?

hoeveel van die bebouwde oppervlakte zal voor nevenactiviteiten worden gebruikt na ingebruikname van het rustpunt en past dat gebruik binnen het nieuwe bestemmingsplan “Dwarsgracht en Jonen”?


Daarnaast heeft de rechtbank de StAB verzocht een onderzoek in te stellen naar de verwachte bezoekersaantallen voor het rustpunt en de geluidbelasting van het rustpunt voor de omgeving. De StAB heeft op 8 oktober 2014 advies uitgebracht.


Op grond van vaste jurisprudentie pleegt de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige als de StAB in beginsel te volgen, tenzij zich een bijzondere omstandigheid voordoet die aanleiding vormt een uitzondering op die hoofdregel aan te nemen. Daarvan is in dit geval geen sprake, al deelt de rechtbank niet de mening van de StAB dat een rustpunt planologisch valt onder de bestemming “Wonen”. De rechtbank Oost-Nederland heeft in haar uitspraak van 26 februari 2013 al geoordeeld dat dit onder het oude bestemmingsplan niet het geval was en de rechtbank ziet niet in waarom dit in het nieuwe bestemmingsplan “Dwarsgracht en Jonen” anders zou zijn. Weliswaar is een rustpunt niet opgenomen in de lijst met toegestane aan huis gebonden beroepen en bedrijven in bijlage II bij het bestemmingsplan, maar dat is niet doorslaggevend nu het daarbij niet gaat om een uitputtende opsomming.

Voor het overige volgt de rechtbank evenwel het advies van de StAB.


In haar advies heeft de StAB berekend dat de bebouwde oppervlakte op het perceel [adres] thans 187 m² bedraagt. Gelet op het verhandelde ter zitting is hierover geen discussie meer tussen partijen. De rechtbank zal daarom dit aantal m² aan bebouwde oppervlakte als uitgangspunt nemen bij haar beoordeling.


Op de vraag hoeveel m² van deze 187 m² bebouwde oppervlakte thans wordt gebruikt voor nevenactiviteiten heeft de StAB geantwoord dat dit 0 m² is. Volgens de StAB maakt het zorgatelier deel uit van de hoofdbestemming en is daarom geen sprake meer van een nevenactiviteit. De rechtbank onderschrijft dit standpunt van de StAB.


Ingevolge artikel 17.1.1 van de planregels behorende bij het nieuwe bestemmingsplan “Dwarsgracht en Jonen” zijn de voor “Wonen” aangewezen gronden onder meer bestemd voor:

a. wonen;

(…….)

een atelier met daaraan gerelateerde en ondergeschikte detailhandel tot een maximum oppervlakte van 25 m en dagopvang, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding “gemengd”.


Nu wonen en zorgatelier in het nieuwe bestemmingsplan “Dwarsgracht en Jonen” beide vallen onder de gemengde hoofdbestemming “Wonen”, kan het zorgatelier naar het oordeel van de rechtbank niet langer worden aangemerkt als nevenactiviteit, maar maakt het deel uit van de hoofdbestemming “Wonen”.

Indien het de bedoeling van de planregelgever was geweest dat ook functies die ingevolge artikel 17.1.1. van de planregels behoren tot de hoofdbestemming desalniettemin blijven gelden als nevenactiviteiten die meetellen voor de 35%-norm, dan had dit als zodanig in de planregels geregeld moeten worden. Daarvan is echter geen sprake.


Uit het vorenstaande volgt dat de oppervlakte van het zorgatelier niet meetelt bij de berekening van de 35%-norm voor toegestane nevenactiviteiten en dat daarbij alleen de oppervlakte van het rustpunt moet worden meegenomen.


De totale oppervlakte van het rustpunt bedraagt volgens de berekeningen van de StAB 30 m², te weten: een overkapping van 7,7 m², een prieel van 4,9 m², een zitje van 12 m² en een fietsenstalling van 5 m². De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid van deze berekeningen te twijfelen. De oppervlakte van het rustpunt bedraagt aldus 16% van de totale bebouwde oppervlakte op het perceel van 187 m². Indien zou worden uitgegaan van het maximaal toegestane aantal vierkante meters bebouwde oppervlakte op het perceel van 253 m² zou dat percentage zelfs nog lager zijn. Anders dan verweerder stelt blijft het rustpunt derhalve ruimschoots onder de 35%-norm voor toegestane nevenactiviteiten.


Hierbij merkt de rechtbank nog op dat het rustpunt niet kan worden aangemerkt als complementaire dag-horeca. Daaronder wordt volgens de begrippenlijst in artikel 1.51 van de planregels verstaan: een aan de hoofdfunctie ondergeschikt horecabedrijf dat is gericht op het hoofdzakelijk overdag verstrekken van dranken en etenswaren. Van bedrijfsmatige horeca-activiteiten is bij het rustpunt geen sprake. De bezoekers zetten zelf hun koffie en thee. Er vindt geen bediening plaats. Eiseres zet alleen alles klaar en doet de afwas. De bezoekers kunnen een vrijwillige bijdrage doneren als tegemoetkoming in de kosten. Het bepaalde in artikel 17.6.3, aanhef en onder d, van de planregels, te weten dat de totale oppervlakte, inclusief terras, die wordt gebruikt voor de horeca-activiteiten maximaal 100 m² mag bedragen, is daarom niet van toepassing op het rustpunt. Overigens zou het rustpunt met een totale oppervlakte van 30 m² ruimschoots onder het maximum van 100 m² blijven.


Wat betreft de geschatte bezoekersaantallen en de geluidbelasting van het rustpunt ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van het advies van de StAB.

Ten aanzien van de door eiseres zelf geschatte bezoekersaantallen merkt de Stab in haar advies op dat het aantal tellingen weliswaar summier is, maar dat de tellingen wel over een representatieve periode en op representatieve tijdstippen zijn genomen. Daarnaast heeft eiseres het bezoekerspercentage niet onderschat en heeft zij daarmee volgens de StAB een aanvaardbare aanname gedaan van het gemiddelde aantal bezoekers per dag.

Voor de beoordeling van de geluidbelasting van het rustpunt heeft verweerder aangesloten bij het Activiteitenbesluit. Op grond hiervan geldt voor het rustpunt een geluidsnorm van 50 dB(A). De geluidbelasting van 51 dB(A) die de StAB heeft berekend komt bij de reguliere bedrijfssituatie weliswaar iets hoger uit dan deze norm van 50 dB(A). De geluidsbelasting wordt echter alleen veroorzaakt door menselijk stemgeluid dat in het kader van het Activiteitenbesluit niet wordt beoordeeld. Gelet op het advies van de StAB is de rechtbank van oordeel dat de geluidbelasting van het rustpunt vanuit een oogpunt van ruimtelijke ordening aanvaardbaar is te achten. Verweerder heeft zelf geen akoestisch rapport laten uitbrengen of bezoekerstellingen verricht die tot een ander uitkomst zouden kunnen leiden.


Derde belanghebbenden hebben ter zitting gewezen op de overlast die zij in het verleden hebben ondervonden van het theehuis “Bij Mariet”. Volgens derde belanghebbenden waren er momenten dat er in het theehuis 300 bezoekers aanwezig waren. Wat hiervan ook mag zijn, de rechtbank is van oordeel dat het voormalige theehuis niet één op één kan worden vergeleken met het thans in geding zijnde rustpunt. Het ging bij het theehuis om een andere activiteit en een andere exploitant. Bovendien gaat de aanvraag voor het rustpunt uit van een zitgelegenheid voor niet meer dan 10 personen. Verder kan verweerder aan de omgevings-vergunning overlastbeperkende maatregelen verbinden die zo nodig gehandhaafd kunnen worden.


Hetgeen eiseres in beroep heeft aangevoerd over de geluidsoverlast die zij op haar beurt stelt te ondervinden van wandelaars en fietsers die gebruik maken van de picknickplaats welke aan haar perceel grenst en is aangelegd door de Stichting Natuurlijk Jonen, waarvan derde belanghebbenden donateur zijn, valt buiten het kader van dit geding en dient daarom buiten beschouwing te blijven.


Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een omgevingsvergunning niet berust op een deugdelijke motivering en dat dit besluit daarom wegens strijd met artikel 3.46 van de Awb niet in stand kan blijven. Het beroep is gegrond.


Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen op de aanvraag van eiseres voor een omgevingsvergunning, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Gelet op de beslissingsvrijheid die verweerder daarbij heeft acht de rechtbank in dit geval geen termen aanwezig voor finale geschilbeslechting.


Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding. De werkzaamheden die J. Westerbeek, in deze procedure heeft verricht kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komt. De heer Westerbeek heeft een milieuadviesbureau en niet is gesteld of gebleken dat het verlenen van rechtsbijstand een hoofdbestanddeel vormt van zijn beroepsmatige werkzaamheden. De opgevoerde kosten van een juridische adviseur die in deze procedure niet als gemachtigde is opgetreden komen evenmin voor vergoeding in aanmerking.


Beslist wordt als volgt.





Beslissing


De rechtbank

  • - verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
  • - verstaat dat verweerder een nieuw besluit op de aanvraag van eiseres voor een omgevingsvergunning zal nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • - bepaalt dat verweerder aan eiseres het griffierecht van € 160,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, rechter, in aanwezigheid van G. Kootstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op










griffier rechter


















Afschrift verzonden aan partijen op:


Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.