Rechtbank Overijssel, 22-01-2015 / C/08/165488 / JE RK 14-2030


ECLI:NL:RBOVE:2015:918

Inhoudsindicatie
Verzoek tot verlenging van de OTS afgewezen, nu minderjarige niet zodanig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd dat OTS nodig is. De kinderrechter is, anders dan de gezinsvoogdijinstelling en de vader, van oordeel dat de minderjarige niet gedwongen moet worden om tegen zijn zin in te werken aan het verwerken van een trauma uit het verleden. Zwaarder gewicht aan de visie van de GZ-psychologe dan aan een jeugdbeschermer.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-01-22
Publicatiedatum
2015-02-20
Zaaknummer
C/08/165488 / JE RK 14-2030
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familierecht en Jeugdrecht


Zittingsplaats Almelo


Verlenging ondertoezichtstelling


zaaknummer: C/08/165488 / JE RK 14-2030 M.R.


beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel d.d. 22 januari 2015


inzake


Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,

gevestigd te 7514 DK Enschede, Molenstraat 50,

verzoekster namens de Stichting Bureau Jeugdzorg Overijssel

(thans genaamd: Jeugdbescherming Overijssel).


met betrekking tot de minderjarige:

- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [2004].

De minderjarige is geboren uit het door echtscheiding ontbonden huwelijk van:

[moeder], wonende te [woonplaats], [adres 1]

en [vader], wonende te [woonplaats], [adres 2].

Het ouderlijk gezag wordt uitgeoefend door de ouders.


Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

de moeder

en de vader.


Het procesverloop


Op 11 december 2014 is een verzoekschrift met bijlagen tot verlenging ondertoezichtstelling ter griffie ingekomen met betrekking tot de minderjarige.


Op 17 december 2014 zijn aanvullende stukken van de gezinsvoogd en aanvullende stukken van de moeder ter griffie ingekomen.


Op 13 januari 2015 is een verweerschrift van mr. C.A.F. Schoemaker namens de moeder ter griffie ingekomen.


Het verzoek is behandeld ter zitting met gesloten deuren van 13 januari 2015. Ter zitting zijn verschenen:

- de heer A. van der Velde, namens het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering;

- de moeder, bijgestaan door mr. C.A.F. Schoemaker;

- de vader.

De standpunten zijn toegelicht. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.


De beschikking is bepaald op heden.

De vaststaande feiten


Op 15 januari 2014 heeft de kinderrechter te Almelo de ondertoezichtstelling verlengd voor de duur van een jaar, ingaande 23 januari 2014, met behoud van de Stichting Bureau Jeugdzorg Overijssel als gezinsvoogdijinstelling, die de uitvoering daarvan heeft opgedragen aan het Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering.


De beoordeling van het verzoek en de motivering van de beslissing


Op de in haar verzoekschrift en het daarbij behorende rapport nader omschreven gronden verzoekt de gezinsvoogdijinstelling, thans de gecertificeerde instelling de ondertoezichtstelling van de minderjarige voor de duur van een jaar te verlengen, met behoud van de benoemde gezinsvoogdijinstelling. Het gaat goed met de ontwikkeling van [minderjarige] en met zijn schoolgang. Uit onderzoek van Basic Trust is echter naar voren gekomen dat er sprake is van onverwerkte trauma’s en dat traumaverwerking, zo nodig in combinatie met EMDR, de meest wenselijke vervolgbehandeling voor [minderjarige] is. Het LDH is van mening dat vanuit de nu rustige situatie traumaverwerking juist wel kan worden opgestart en wil proberen dit te bespreken met [minderjarige]. Als gewacht wordt met traumaverwerking kan een onverantwoorde situatie ontstaan.


Mr. Schoemaker heeft namens moeder om beëindiging van de ondertoezichtstelling verzocht. [minderjarige] wil op dit moment niet meewerken aan traumaverwerking. Nu [minderjarige] er niet achter staat zou traumaverwerking volgens deskundigen zelfs averechts kunnen werken. Het trauma vormt op dit moment geen belemmering voor het dagelijks leven van [minderjarige] en moeder is dan ook van mening dat therapie op dit moment niet noodzakelijk is. Volgens moeder ondersteunt mevrouw Plooy, GZ-psycholoog bij Basic Trust, haar standpunt. Moeder ervaart de ondertoezichtstelling daarnaast als een zware belasting voor haarzelf, hetgeen volgens haar niet in het belang van [minderjarige] is.


De vader staat achter een verlenging van de ondertoezichtstelling. Hij is bang dat hij [minderjarige] nooit meer zal zien wanneer de ondertoezichtstelling niet verlengd wordt en dat verdere hulpverlening niet op gang zal komen.


De kinderrechter is het eens met hetgeen door en namens moeder is gesteld over het al of niet noodzakelijk zijn van verdere behandeling van [minderjarige] voor de traumaverwerking en ook hij is, anders dan de jeugdbeschermer, van oordeel dat op dit moment en ook op wat langere termijn niet langer aangedrongen moet worden op verdere hulpverlening aan dit bijna 11 jaar oude kind tegen diens uitdrukkelijke zin.


De kinderrechter heeft kennisgenomen van het impliciete oordeel van de GGZ therapeute mevrouw Plooy, dat er kort en zakelijk weergeven op neerkomt dat het met [minderjarige] naar omstandigheden goed gaat, dat het thuis bij moeder en op school redelijk goed gaat en dat het kind, dat bij haar in de therapie kenbaar heeft gemaakt dat zijn vader zich jegens hem schuldig heeft gemaakt aan seksueel grensoverschrijdend handelen, niet gedwongen moet worden tot vervolgbehandeling om dat trauma te verwerken. Mevrouw Plooy is een deskundige en kent het kind naar verwachting goed. Ook een jeugdbeschermer is deskundig, maar op het terrein waar het nu over gaat, te weten de vraag over het wel of niet doorgaan met behandelen tegen de wil van een kind in, hecht de kinderrechter toch zwaarder gewicht aan de visie van de GZ psychologe van Basic Trust.


Vader heeft groot belang bij een positief resultaat van een succesvolle behandeling in die zin dat hij hoopt en verwacht dat een dergelijk resultaat zal bestaan in het weer tevoorschijn komen van een [minderjarige] die niet langer boos op of bang voor hem is en die het contact met hem weer aan wil gaan. Zijn standpunt dat de OTS moet blijven om een dergelijke behandeling zonodig onder druk van OTS en gezinsvoogd / jeugdbeschermer ook tegen de wil van [minderjarige] en moeder plaats te laten vinden, is in beginsel vanuit zijn belang van contactherstel begrijpelijk. Maar het is niet realistisch. In de afgelopen jaren is veel ingezet om in het spanningsveld van een consequent ontkennende vader en een moeder die even consequent overtuigd is en blijft van haar gedachte dat [minderjarige] tegen haar en tegen de therapeute niet liegt als hij vertelt dat vader seksueel grensoverschrijdend is geweest, toch hulpverlening plaats te laten vinden die mogelijk tot contactherstel en of een beter vaderbeeld bij [minderjarige] had moeten leiden. Inmiddels is het punt bereikt waarop de therapeute zegt dat doorgaan geen zin heeft, zelfs schadelijk voor het kind zou kunnen zijn. De jongen wil nog steeds geen contact met zijn vader en het traumabeeld is blijkbaar zo ernstig dat hij evenmin contact wil met de jeugdbeschermer, de heer [X], die volgens hem fysieke gelijkenis met zijn vader vertoont.

De kinderrechter stelt vast dat de ontwikkeling van [minderjarige] op dit moment niet zodanig bedreigend is dat gezagsbeperking van de ouders door OTS nog langer nodig is. Naar omstandigheden functioneert de jongen redelijk goed. De OTS zou door de jeugdbeschermer gebruikt gaan worden om tegen de zin van kind en moeder en tegen het advies van de betrokken GGZ psychologe in behandeling in te (blijven) zetten die tot traumaverwerking en een beter vaderbeeld zou moeten leiden. Met moeder en mevrouw Plooy vindt de kinderrechter dat [minderjarige] daar niet langer toe gedwongen mag worden. Dat de consequentie van een en ander zal zijn dat er voorlopig waarschijnlijk geen zicht zal zijn op contactherstel met vader, is hard voor vader maar kan niet tot een ander oordeel leiden. De OTS zal niet langer worden verlengd.

De beslissing


De kinderrechter:


I. Wijst af het verzoek tot verlenging ondertoezichtstelling.


Deze beschikking is gegeven door mr. J.H. Olthof, in tegenwoordigheid van M.R. Asveld als griffier en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2015.