Rechtbank Overijssel, 27-01-2015 / C/08/154686 / ES RK 14-900 en C/08/161465 / ES RK 14-2495


ECLI:NL:RBOVE:2015:919

Inhoudsindicatie
Rechtbank oordeelt dat vrouw voldoende heeft aangetoond dat zij rechtsgeldig afstand heeft gedaan van gemeenschap. Zij is daarom niet aansprakelijk en draagplichtig voor schulden waarvoor zij voor de ontbinding van de gemeenschap niet aansprakelijk was.
Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
2015-01-27
Publicatiedatum
2015-02-20
Zaaknummer
C/08/154686 / ES RK 14-900 en C/08/161465 / ES RK 14-2495
Procedure
Beschikking
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht



Vindplaatsen
Uitspraak RECHTBANK OVERIJSSEL

Team familierecht


Zittingsplaats Almelo


Zaaknummer: C/08/154686 / ES RK 14-900 (echtscheiding)

C/08/161465 / ES RK 14-2495 (verdeling)


Beschikking van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 27 januari 2015, in de zaak van:


[verzoekster],

verder ook de vrouw te noemen,

wonende op een geheim adres,

verzoekster,

advocaat: mr. B.A.M. Oude Breuil te Enschede,


tegen


[belanghebbende],

verder ook de man te noemen,

wonende te [woonplaats], [adres],

belanghebbende,

advocaat: mr. M. Ichoh te Enschede.


Het procesverloop


De rechtbank neemt over hetgeen zij in haar tussenbeschikking van 22 september 2014 heeft overwogen en beslist.


Ter griffie van de rechtbank zijn vervolgens binnengekomen:

- op 29 september 2014, 2 oktober 2014 en 7 oktober 2014 telkens een (gelijkluidend) formulier Verdelen en verrekenen zijdens de man;

- op 3 december 2014 en 4 december 2014 F9-formulieren van mr. Oude Breuil, beide met bijlage.


De zaak is behandeld ter zitting van 16 december 2014. Ter zitting zijn verschenen: partijen, beiden bijgestaan door hun advocaat. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.


Het verzoek


De vrouw heeft de rechtbank in haar verzoekschrift verzocht de echtscheiding uit te spreken. Dit verzoek is bij tussenbeschikking van 22 september 2014 toegewezen.





Het verweer tevens zelfstandig verzoek


De man verzoekt de rechtbank daarnaast de wijze van verdeling van de huwelijksgoederen-gemeenschap te gelasten conform de stellingen van de man, in die zin dat de schulden van partijen van € 23.500,- gelijkelijk en wel bij helfte tussen partijen worden verdeeld, waarbij de vrouw een bedrag van € 23.500,- voor haar rekening dient te nemen en de man een bedrag van € 23.500,- voor zijn rekening dient te nemen, zonder nadere verrekening, met de bepaling dat de vrouw de man vrijwaart voor zover hij meer betaalt ter aflossing van die schulden aan de schuldeiseres dan hem in de interne verhouding aangaat.


De man stelt dat alle activa en passiva, en derhalve ook alle schulden, in de gemeenschap vallen, waardoor de vrouw gehouden is voor de helft bij te dragen in de aflossing van deze schulden. De vrouw heeft volgens de man tevergeefs getracht afstand te doen van de gemeenschap, nu zij meer heeft weggenomen uit de gemeenschap dan is toegestaan. Bovendien was de vrouw reeds voor de ontbinding van de gemeenschap aansprakelijk voor de gezamenlijke schulden, nu zij in gemeenschap van goederen was gehuwd. Zij blijft derhalve ook na afstand aansprakelijk voor deze schulden.


Het verweer op het zelfstandig verzoek tevens zelfstandig verzoek


De vrouw heeft vervolgens de rechtbank verzocht dit zelfstandig verzoek van de man af te wijzen. Tevens heeft zij de rechtbank verzocht bij beschikking, uitvoer bij voorraad, de bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud te bepalen op € 750,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen.

De vrouw stelt dat zij rechtsgeldig afstand heeft gedaan van de gemeenschap. Tevens stelt zij dat zij behoefte heeft aan en dat de man voldoende draagkracht heeft voor de verzochte bijdrage.


Het verweer op het zelfstandig verzoek


De man stelt dat de vrouw al geruime tijd is gaan samenleven met een andere man als waren zij gehuwd, zodat de vrouw geen recht heeft op een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. Tevens stelt de man dat partijen slechts 17 maanden bij elkaar waren, zodat geoordeeld moet worden dat de lotsverbondenheid is opgehouden te bestaan, dan wel dat de bijdrage van de man wordt beperkt tot 17 maanden. Voorts stelt de man dat de vrouw een lagere behoefte heeft, nu zij haar kosten kan delen met haar nieuwe partner. Ten slotte is de man van mening dat hij onvoldoende draagkracht heeft om in de behoefte van de vrouw te voorzien.


De beoordeling


TEN AANZIEN VAN DE VERDELING VAN DE HUWELIJKSGOEDERENGEMEENSCHAP (C/08/161465 / ES RK 14-2495)


Ten aanzien van de rechtsgeldigheid van de afstand


De rechtbank zal eerst beoordelen of de vrouw op rechtsgeldige wijze afstand heeft gedaan van de huwelijksgoederengemeenschap. De rechtbank stelt daartoe allereerst vast dat de vrouw een akte van afstand heeft doen inschrijven in het huwelijksgoederenregister op 3 juni 2014. Daarmee is aan het constitutief vereiste van artikel 1:104 BW voldaan.


Voorts dient de vraag te worden beantwoord of de vrouw haar recht om afstand te

doen van de gemeenschap heeft verloren in de zin van artikel 1:107 BW. Lid 1 van artikel 1:107 BW bepaalt immers dat de echtgenoot die zich de goederen van de gemeenschap heeft aangetrokken of goederen daarvan heeft weggemaakt of verduisterd geen afstand meer kan doen. Daden van dagelijks bestuur of tot behoud van de goederen brengen dit gevolg niet teweeg.


Van een zich aantrekken van goederen der gemeenschap kan in beginsel slechts sprake zijn indien de echtgenoot zich na ontbinding van de gemeenschap met betrekking tot deze goederen heeft gedragen op een wijze waaruit redelijkerwijs kan worden afgeleid dat zij zich als enige rechthebbende beschouwt (zie ook HR 29 april 1988, NJ 1989, 155). Uit de tekst van artikel 1:107 BW blijkt voorts dat de vrouw zich aldus had moeten gedragen voordat zij afstand deed van de gemeenschap: in lid 1 wordt immers gesproken van “kan geen afstand meer doen” (door de echtgenoot die zich gemeenschapsgoederen heeft aangetrokken, verduisterd of weggemaakt) en in lid 2 is bepaald dat “Hij die na gedane afstand goederen der gemeenschap wegmaakt of verduistert, verliest de bevoegdheid om (afstand) in te roepen”.


Niet in geschil is dat de gedragingen waar de man zijn beroep op artikel 1:107 lid 1 BW op baseert niet hebben plaatsgehad in de periode tussen ontbinding en afstand van de gemeenschap. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de vrouw haar recht om afstand te doen niet op grond van artikel 1:107 BW heeft verloren.


Vervolgens overweegt de rechtbank dat de man niet wordt gevolgd in zijn stelling dat de vrouw meer heeft onttrokken aan de gemeenschap dan haar op grond van artikel 1:103, derde lid, BW was toegestaan. Partijen verschillen van mening over wat de vrouw heeft meegenomen. De vrouw stelt dat zij enkel haar eigen trouwring alsmede enkele administratie heeft meegenomen. De stelling van de man dat de vrouw ook zijn sieraden heeft meegenomen, heeft de man op geen enkele wijze onderbouwd. Evenmin heeft de man daartoe een voldoende gespecificeerd bewijsaanbod gedaan, zodat de rechtbank hem niet alsnog in die gelegenheid zal stellen.


De omstandigheid dat de vrouw zich wellicht niet aan de voorwaarden voor afstand van de gemeenschap heeft gehouden door voorafgaand aan het doen van de afstand de trouwring en wat administratie mee te nemen doet er overigens niet aan af dat het door de man daaraan verbonden gevolg, dat de vrouw nu alsnog de helft van de schuldenlast zou moeten vergoeden aan de man, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De vrouw heeft gemotiveerd gesteld dat zij slechts haar eigen trouwring en enkele benodigde administratie heeft meegenomen. Er is niet komen vast te staan dat de vrouw meer heeft meegenomen dan deze spullen. In het licht hiervan acht de rechtbank het door de man daaraan verbonden rechtsgevolg, dat hij thans een vordering van ruim € 23.500,-- op de vrouw zou kunnen geldend maken, gelet op de bovengenoemde omstandigheden onaanvaardbaar.


Ten aanzien van de aansprakelijkheid voor de schulden


De man heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat, ondanks de afstand door de vrouw, de vrouw nog immer aansprakelijk is voor de schulden van partijen.

De rechtbank overweegt dat de algehele gemeenschap van goederen, voor wat betreft de passiefkant, betekent dat ieder van de echtgenoten ten laste van de gemeenschap schulden kan aangaan, maar dat voor deze schuld alleen de echtgenoot die de schuld is aangegaan aansprakelijk is. Die schuld kan tijdens het bestaan van de gemeenschap worden verhaald op het gemeenschapsvermogen en op het privé-vermogen van de echtgenoot die de schuld aanging. Na ontbinding is echter iedere echtgenoot voor 50% aansprakelijk voor de betaling van de gemeenschapsschulden die hij niet is aangegaan. De wet geeft aan de echtgenoot, die de schuld niet is aangegaan, de mogelijkheid om zich van die extra aansprakelijkheid te bevrijden door afstand te doen van de gemeenschap.


Volgens artikel 1:103, vierde lid, BW wordt de echtgenoot door deze afstand ontheven van de aansprakelijkheid en draagplicht voor de schulden van de gemeenschap, waarvoor hij vóór de ontbinding van de gemeenschap niet aansprakelijk was (zoals in dit geval: de voorhuwelijkse schulden van de man).


Niet in geschil is dat de hypotheek en het krediet bij de ABN AMRO Bank door de man zijn aangegaan voor het huwelijk, zodat de vrouw voor deze schulden vóór de ontbinding niet aansprakelijk was. De rechtsgeldige afstand heeft derhalve tot gevolg dat de vrouw voor deze schulden niet aansprakelijk is.


Met betrekking tot het krediet bij de Voorschotbank overweegt de rechtbank dat onvoldoende is komen vast te staan wanneer deze schulden zijn aangegaan. De man stelt dat deze schulden tijdens de samenwoning van partijen, dan wel tijdens het huwelijk zijn aangegaan. De rechtbank overweegt dat gesteld noch gebleken is dat de vrouw deze schuld (mede) is aangegaan. Het is ook in dit geval aan de man om zijn stelling dat de vrouw reeds voor de ontbinding aansprakelijk was voor deze schuld te onderbouwen. Nu de man dit heeft nagelaten, wordt de man niet gevolgd in zijn stelling en komt de rechtbank tot het oordeel dat de vrouw ook voor deze schuld niet aansprakelijk was.


TEN AANZIEN VAN DE BIJDRAGE IN DE KOSTEN VAN HET LEVENSONDERHOUD (C/08/154686 / ES RK 14-900)


Ten aanzien van de gestelde samenwoning van de vrouw


De vrouw stelt dat zij op 24 november 2014 is gaan samenwonen met de heer [X]. Zij beperkt haar verzoek om partneralimentatie om die reden tot die datum. Zij betwist echter dat zij voor die tijd reeds met hem samenleefde als waren zij gehuwd.


De rechtbank is van oordeel dat de man onvoldoende heeft aangetoond dat de vrouw reeds voor 24 november 2014 met de heer [X] samenleefde als waren zij gehuwd. Zo heeft de man niet onderbouwd gesteld dat tussen de vrouw en de heer [X] in de periode voorafgaande aan 24 november 2014 sprake was van financiële verstrengeling en een wederzijdse zorg. De omstandigheden dat de vrouw het adres van de heer [X] gebruikte, dat zij een affectieve relatie met elkaar hadden en dat zij in die periode (reeds) zwanger van hem was, zijn daartoe onvoldoende, zeker in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw.





Ten aanzien van de lotsverbondenheid


Met betrekking tot de gestelde verbreking van de lotsverbondenheid komt de rechtbank tot eenzelfde conclusie. Immers ook met betrekking daartoe stelt de man niet meer dan dat het huwelijk van de man met de vrouw ‘slechts’ 17 maanden heeft geduurd en dat de vrouw kort na het feitelijk uiteengaan van partijen een nieuwe relatie is aangegaan. Deze omstandigheden zijn echter onvoldoende om te oordelen dat elke lotsverbondenheid is verbroken.


Nu de vrouw haar verzoek voor een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud heeft beperkt tot een maand, behoeft de stelling van de man dat deze periode beperkt zou moeten worden tot 17 maanden geen bespreking.


Ten aanzien van de behoefte van de vrouw


De man stelt dat de vrouw een lagere behoefte heeft aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud dan zij heeft gesteld. De man voert daartoe aan dat zij deze kosten heeft kunnen delen met haar nieuwe partner. De vrouw betwist dat.


Nu de rechtbank hiervoor reeds heeft geoordeeld dat de man onvoldoende heeft onderbouwd dat de vrouw met haar nieuwe partner samenleefde en de rechtbank eveneens van oordeel is dat de man onvoldoende heeft aangetoond dat sprake was van samenwoning of het delen van kosten, wordt de man niet gevolgd in zijn stelling dat de vrouw haar kosten heeft kunnen delen in de periode tot 24 november 2014.


Voor het overige heeft de man de door de vrouw gestelde behoefte niet betwist, zodat de rechtbank uitgaat van deze behoefte van € 1.605,-.


Ten aanzien van de draagkracht van de man


De man heeft gesteld dat hij geen draagkracht heeft. Hij stelt onbetwist een netto inkomen te hebben van € 2.000,-. Gelet op de door de man gesteld schulden stelt hij zich echter op het standpunt dat hij niet in de behoefte van de vrouw kan voorzien.


De vrouw betwist de kredieten niet, maar wel de kredietkaart en de roodstand. Zij stelt bovendien de aflossingsbedragen niet te kunnen controleren.


De rechtbank overweegt dat het aan de man is om zijn stelling dat hij geen draagkracht heeft te onderbouwen met een inzage in zijn lasten. De man heeft dit nagelaten zowel met betrekking tot de schulden, en dan met name de kredietkaart en de roodstand, als met betrekking tot de overige lasten als woonlasten en ziektekosten. Aan de hand van de enkele gegevens dat de man € 2.000,- netto per maand aan inkomen heeft en dat hij (onbetwist)

€ 300,- per maand aan schulden aflost, kan de rechtbank niet vaststellen dat de man geen draagkracht heeft dan wel onvoldoende draagkracht heeft om de verzochte bijdrage te voldoen. De rechtbank zal om die reden het verzoek van de vrouw toewijzen.


Ten aanzien van de ingangsdatum


De man heeft de door de vrouw verzochte ingangsdatum van de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw niet weersproken, zodat de rechtbank overeenkomstig het verzoek van de vrouw zal beslissen. Dat betekent dat de ingangsdatum dient te worden bepaald op 24 oktober 2014, zijnde de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.


Zoals hiervoor reeds is overwogen, heeft de vrouw haar verzoek om een bijdrage beperkt tot 24 november 2014, zijnde datum waarop zij is gaan samenleven met haar nieuwe partner als waren zij gehuwd. Dit betekent dat de te betalen bijdrage van de man slechts eenmalig behoeft te worden betaald.


Ten aanzien van de proceskosten


Nu partijen gewezen echtelieden zijn, zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen zijn eigen kosten draagt.


De beslissing inzake C/08/161465 / ES RK 14-2495 en C/08/154686 / ES RK 14-900


De rechtbank:


I. Bepaalt dat de man over de periode van 24 oktober 2014 tot 24 november 2014 € 750,- (zegge: zevenhonderd vijftig EURO) dient te betalen aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud.


II. Verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.


III. Compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.


IV. Wijst af het meer of anders verzochte.


Deze beschikking is gegeven te Almelo door mr. A. Flos en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2015 in tegenwoordigheid van mr. A.C.M. Heerdink, griffier.